Angst voor de toekomst en onvrede spelen Nederland parten

Dossier

Schnabel neemt NL de maat

Nederland is een van de welvarendste landen ter wereld, maar ontevredenheid en angst voor de toekomst overheersen. De samenleving is behoudzuchtig geworden. We hebben een wenkend en inspirerend toekomstperspectief nodig, aldus Paul Schnabel in zijn derde en laatste bijdrage over de stand van ons land.

De politiek in Nederland lag er aan het einde van de jaren ’90 schitterend bij. We waren klaar om de 21ste eeuw in te gaan. Onze grootste zorg was de millenniumbug, waren de computers wel gereed om de volgende eeuw in te gaan? Ik had zelfs een aftelhorloge, dat de dagen, uren en minuten tot het jaar 2000 aangaf. Helaas gaf het horloge het al op  voordat het nieuwe millennium aanbrak. Een slecht voorteken voor wat er zou komen, maar dat konden we toen nog niet weten. Nederland was in velerlei opzicht een voorbeeld- en voorbeeldig land dankzij een gelukkige combinatie van verzorgingsstaat en neoliberaal economisch beleid.

De terugkerende problematiek van te dure arbeid

De voorspoed van de jaren ’90 was mede te danken aan het Akkoord van Wassenaar; een overeenkomst uit 1982 tussen werkgevers en werknemers waarbij de looneisen werden gematigd in ruil voor het behoud van de werkgelegenheid. De afspraak werd gemaakt op het dieptepunt van de toenmalige crisis toen oude industrieën massaal ten onder gingen, en de werkloosheid en inflatie ongekende hoogten bereikten. Werkgevers en werknemers vonden dat dit niet zo door kon gaan. Nederland mocht geen land worden waar een hele kleine groep het geld voor iedereen moest gaan verdienen. Het duurde even voordat het akkoord zijn vruchten afwierp, pas aan het eind van de jaren ’80 begonnen de economie en de werkgelegenheid zich te herstellen. Maar daarna ging het snel; tien jaar later was er zelfs sprake van bijna volledige werkgelegenheid.

Het inzicht dat werkgelegenheid kan worden behouden door de kosten van de arbeid in de hand te houden, speelt ook nu weer. Het aantal beschikbare arbeidsplaatsen in Nederland is sinds 2008 met 4 procent afgenomen terwijl het aantal mensen dat zich op de arbeidsmarkt bevindt  met 2 procent is toegenomen. Officieel bedraagt de werkloosheid 7 á 8 procent, maar feitelijk is ze veel hoger. Een deel van de werkloosheid is ‘onzichtbaar’ geworden. Mensen trekken zich van de arbeidsmarkt terug, blijven studeren of vestigen zich als zelfstandige zonder personeel (ZZP). Inmiddels zijn er al 800.000 van deze kleine ondernemers. Vele van hen hebben de grootste moeite om het hoofd boven water te houden.

Het probleem van de hoge arbeidskosten manifesteert zich, behalve in de werkloosheid, ook in de onderhandelingen over nieuwe cao’s. De eindeloos voortslepende gesprekken, evenals het duidelijk oplopende aantal stakingen gaan in essentie over de vraag wat arbeid mag kosten. Heel voorzichtig, zonder dat het gezegd wordt, is Nederland op weg naar een lager loonkostenniveau. Dat zie je aan de flexibilisering van arbeid, het uitstellen van afspraken over cao’s en het inkrimpen van de werknemersbestanden. Al deze gebeurtenissen lijken los van elkaar te staan, maar ze leiden allemaal tot lossere contracten en lagere salarisschalen. Van de tienduizenden mensen in de zorg die nu ontslagen worden, zullen er straks velen weer aangenomen worden, maar dan wel in een lagere schaal en met minder goede arbeidsvoorwaarden.

Een andere gevolg van de hoge prijs van arbeid en de bescherming van vast werk is dat met name jongeren (tot 40 jaar) nauwelijks meer vaste contracten krijgen. Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil dit tegengaan door de herhaling van tijdelijke contracten moeilijker te maken, maar de verwachting is dat dit juist tot een versterking van de  flexibilisering zal leiden. Werkgevers zullen niet meer vaste contracten gaan aanbieden, maar zich gedwongen zien nog sneler van tijdelijke medewerkers te wisselen.

Een nieuw Akkoord van Wassenaar lijkt kortom nodig. Het  probleem is echter dat werkgevers en werknemers elkaar nog maar moeilijk weten te vinden. De moeizame  onderhandelingen in de Sociaal Economische Raad  en de Stichting van de Arbeid wijzen erop dat de urgentie die in 1982 gevoeld werd op dit moment nog ontbreekt. ‘Polderen’ in het algemeen belang is duidelijk moeilijker geworden!

Nederland kent een traditie van razendsnelle omslagen

Het gevoel van wir-sind-wieder-wer zoals ze dat in Duitsland zeggen, is in Nederland de afgelopen jaren toch wat gedaald. In 2000 vormden wij een tevreden, gelukkig en welvarend volkje. We waren met velen (75 procent) uiterst tevreden met de regering (Paars II), en 65 procent van ons vond toen dat de overheid goed functioneerde. Twee jaren later waren beide cijfers gehalveerd. Is het nu dat de ambtenaren na 2000 dachten:  jullie doen het zelf maar, wij laten alles uit onze handen vallen? Nee dus, het was pure beeldvorming. Wat eerst goed leek, leek nu ineens slecht.

De omslag was verrassend, maar de snelheid waarmee dat gebeurde zo mogelijk nog meer. Hoewel de snelheid van de verandering nog steeds een raadsel is, hebben we dat soort omslagen toch al eerder gezien. Koning Willem II veranderde in 1848 ook van de ene dag op de andere van een zeer conservatieve vorst in een uiterst liberale koning. Nu weten we wel dat er een zekere pressie op hem werd uitgeoefend, sommigen zeggen chantage, maar hij deed ’t toch maar wel. Ook in de jaren ’60 veranderde Nederland in rap tempo van een conservatief-traditioneel burgerlijk land tot bijna het modernste land van de wereld, in de zin van open, progressief, tolerant, en vrij. Opvallend was is beide gevallen hoe de gevestigde machten kennelijk snel meegingen in een beweging die als onophoudbaar en onvermijdelijk werd gezien.

Een paradijsvogel in een tuin vol mussen

Terugkijkend op onderzoeken van het Sociaal en Cultureel Planbureau van vóór 2000 blijkt dat 15 à 20 procent van het electoraat aan het eind van de vorige eeuw niet tevreden was en zich tekort gedaan voelde. Velen voelden zich niet erkend, gezien of gehoord. En dat was ook zo, alleen was er niemand die hun gevoel een stem gaf en hun belangen wilde behartigen. Een partij als de Centrum Democraten werd als zo groezelig gezien dat maar heel weinig mensen zich ertoe aangetrokken voelden. De ontevredenen moesten wachten op de Leefbaar-Partijen en op Pim Fortuyn,  een mediagenieke figuur die heel direct, slim en welbespraakt zijn publiek bespeelde en zijn zelfgenoegzame, technocratische tegenstanders in het debat met gemak onderuit schoffelde. Fortuijn was de paradijsvogel in een tuin vol mussen. De confrontatie tussen de zuur kijkende PvdA-lijstrekker Ad Melkert en de triomfantelijk ogende Fortuyn na de gemeenteraadsverkiezingen in Rotterdam vormt een heus canonmoment in de Nederlandse politieke geschiedenis.

De ontevredenheid waarop Fortuyn inspeelde, had te maken met het weinige rapport tussen de gevestigde politieke partijen en een niet onaanzienlijk deel van het electoraat. Zij waren hun vertrouwen in de vooral technocratische en bureaucratische elite van de verzorgingsstaat kwijt geraakt. Fortuyn profiteerde ook van de enorme verandering van het medialandschap, geïnstigeerd door de entree van de commerciële televisie in ons land. Kort gezegd stond de publieke omroep in het teken van de verheffing van het volk , terwijl de commerciële zenders vooral letten op wat de mensen graag wilden zien. Dat deden ze met zoveel succes dat de publieke omroep geen keus had dan daar in haar programma-aanbod in mee te gaan. Van verheffen naar ‘verplatten’,  een grote verandering in stijl en kleur. Dat heeft grote gevolgen gehad voor alle politieke partijen en voor het politieke debat als geheel, dat steeds meer gekenmerkt werd door emoties en emotioneel taalgebruik. Emotie als teken van authenticiteit en daarom ook moreel van meer gewicht dan de politieke overtuiging of het zakelijke belang.

Net als de publieke omroepen zich meer dan verdienstelijk de mores van de commerciële omroepen eigen maakten, zijn de gevestigde partijen hun focus, na Pim Fortuyn en later Rita Verdonk en Geert Wilders, anders gaan kijken naar groepen in de samenleving en naar de levende onvrede. Men moest ook wel, want door de snelle opkomst en het succes, hoewel vaak tijdelijk, van nieuwe partijen is geen enkele partij nu nog verzekerd van de gunst van een grote groep trouwe kiezers. Vroeger  kon een partij als de PvdA ten minste rekenen op 30 zetels , maar die zekerheid bestaat niet meer. Integendeel, de onzekerheid is in de poriën van het politieke bestel doorgedrongen met instabiliteit tot gevolg.

Sinds 2002 hebben we 6 kabinetten gehad, 4 onder leiding van Jan Peter Balkenende en inmiddels twee geleid door Mark Rutte. Je zou het Italiaanse toestanden kunnen noemen. Inmiddels vraagt vrijwel iedereen zich af wanneer het huidige kabinet Rutte sneuvelt vooral omdat het met alles en iedereen convenanten moet afsluiten (toch een stille revival van het poldermodel)  en alleen dankzij de wisselende steun van oppositiepartijen zijn ambitieuze plannen kan realiseren.

Toekomst is onvoorspelbaar en niet te plannen

In de chaos van snel opeenvolgende kabinetten en de grote politieke onzekerheid is toch een lijn te ontwaren. Nederland is politiek van koers veranderd en  van traditioneel-progressief naar modern- conservatief geëvolueerd, naar een teruggrijpen op het verleden als een model voor de toekomst. Drie thema’s spelen daarbij een rol: het behoud van de nationale identiteit, het behoud van de verzorgingsstaat en het behoud van de persoonlijke vrijheid. Zij worden bedreigd door nieuwkomers die daar niet zo veel mee hebben, en door de Europese Unie. Deze thema’s komen terug in de anti-migratie, anti-vreemdeling en anti-Europa houding die politiek en samenleving in meer of mindere mate beheersen. Behoudzucht leidt echter niet tot een inspirerend toekomstperspectief. En dat hebben we wel nodig want de toekomst voor ons land ziet er niet onverdeeld gunstig uit. We voelen de concurrentie met de opkomende economieën en we voelen, dat is misschien wel de grootste angst, dat we om minstens dezelfde mate van  welvaart en welzijn te behouden steeds harder zullen moeten werken.

De socioloog Paul Schnabel was van 1998 - 2013 directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau en is nu onder meer universiteitshoogleraar aan de Universiteit  Utrecht en Kroonlid van de SER. Dit artikel is een verkorte weergave van het derde en tevens laatste hoorcollege van Paul Schnabel over de Staat van Nederland. De in totaal drie colleges worden georganiseerd door Home Academy in samenwerking met de Rode Hoed.