Cannabisbeleid is een kwestie van politieke wil

Het internationale politieke getij oogt zeldzaam gunstig voor een ander cannabisbeleid, zei Tom Decorte onlangs op deze plek. Dat in Nederland regulering van de wietteelt in bijvoorbeeld cannabis social clubs nog altijd wordt tegengehouden, is puur politieke onwil.

Burgemeester Van Gijzel van Eindhoven, Depla van Heerlen en ikzelf als wethouder van Utrecht hebben het initiatief genomen voor een oproep tot een verandering van het cannabisbeleid. Op 31 januari van dit jaar 2014 ondertekenden 35 gemeenten (inmiddels zijn dat er 54) het manifest Joint Regulation dat het kabinet oproept om over te gaan tot certificering en regulering van de teelt van cannabis. Dit is nodig voor beleid dat drie belangen dient, namelijk:

1. De volksgezondheid, door het beschermen van gebruikers tegen onnodige gezondheidsschade van cannabis en waar nodig door het bieden van zorg aan hen die door gebruik in de problemen komen.

2. Het leef- en woonklimaat in de steden en wijken, dat op dit moment ernstig wordt aangetast door ongelukken met illegale hennepkwekerijen.

3. De effectieve bestrijding van criminele organisaties die op dit moment de cannabis markt domineren.

Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie reageerde al op de dag van ondertekening afwijzend op onze oproep, net zoals hij dat in 2011 deed met het afwijzen van het Utrechtse initiatief om cannabis social clubs (CSC-s) mogelijk te maken. Wat de minister betreft kan het niet en mag het niet, en als het wel mag dan wil hij niet. Een recente internationaal rechtelijke analyse van het drugsbeleid door de Radboud Universiteit lijkt de minister geheel gelijk te geven. Volgens deze juristen bieden de VN-verdragen geen enkele ruimte voor welke vorm van regulering van de teelt dan ook.

België en Spanje experimenteren wel met cannabis social clubs

Het Radboud rapport zou tot nederigheid stemmen als hiermee de discussie voor eens en altijd beslecht is. Dat is echter geenszins het geval. Ten eerste gaat het om politieke verdragen, in dit geval verdragen van decennia geleden die in toenemende mate onder kritiek staan. De praktijk in talloze landen toont aan dat verdragsgenoten in toenemende mate hun eigen weg zoeken en daarbij de marges van het verdrag opzoeken. In België en Spanje wordt geëxperimenteerd met cannabis social clubs, in de VS hebben de staten Washington en Colorado de teelt van cannabis gelegaliseerd en kennen twintig staten zogeheten compassion clubs waar cannabis op recept gekregen kan worden. En recent is in Uruguay de teelt van cannabis gelegaliseerd. Ook in het Nederlandse beleid is van oudsher gezocht naar ruimte binnen een door repressie gedomineerde aanpak van het drugsbeleid. Het gedogen van de verkoop van cannabis via coffeeshops is hiervan het voorbeeld bij uitstek, het navolgen van Spanje en België van gesloten circuits van teelt voor eigen gebruik via cannabis social clubs is een initiatief in het verlengde daarvan.

Dit brengt mij bij mijn tweede punt. Opmerkelijk in het Radboud rapport, waarin de auteurs geen duimbreed afwijken van de meest strikte lezing van de verdragsteksten, is dat cannabis social clubs strafrechtelijk het voordeel van de twijfel krijgen. De CSC-s zijn weliswaar strafbaar, maar hoeven strafrechtelijk niet vervolgd te worden. Kleinschalige teelt voor eigen gebruik is volgens de verdragen een zogeheten minor offence, ofwel een kleine overtreding. En bij kleine overtredingen mag afgezien worden van strafrechtelijk ingrijpen. Daarmee is de tekst in dit rapport in tegenspraak met de reactie van de minister. Hij heeft aangekondigd dat hij direct laat ingrijpen door het Openbaar Ministerie als de Utrechtse initiatiefnemers van de CSC-s starten met hun activiteiten. De minister kan zijn ingrijpen niet motiveren uit verplichtingen volgens de VN-verdragen, hij grijpt in omdat hij dat wil. Daarmee is sprake van een politiek ingegeven daad, niet van een bestuurlijke verplichting.

De wil tot verandering ontbreekt

En dat is des te opmerkelijker omdat de CSC-s er in het Radboud rapport beter vanaf komen dan de coffeeshops. En die gedoogt de minister en hij beschouwt deze als hoeksteen van het Nederlandse beleid. Echter, volgens de auteurs van het Radboud rapport zijn coffeeshops strijdig met de VN-verdragen. Kortom, wat niet gedoogd zou mogen worden laat de minister begaan, wat gedoogd mag worden laat de minister strafrechtelijk vervolgen. Wat het voorgaande daarmee treffend illustreert is dat we het hebben over politieke wil. En het ontbreekt aan die wil om tot verandering, ook waar die verandering mogelijk is binnen strenge kaders van internationale en nationale wetten en verdragen.

Internationale verdragen hebben vaak een lange voorgeschiedenis en het duurt jaren voordat er overeenstemming over is. Eenmaal gesloten lijkt het soms alsof ze een in beton gegoten waarheid vertegenwoordigen. Voor de drugsverdragen gaat dit op. In 2016 staan de verdragsteksten op de agenda van de VN. Ondanks de wereldwijde blijken van onvrede lijkt er weinig animo voor een internationale discussie die het drugsbeleid bij de tijd brengt. Liever zoekt men binnen eigen landsgrenzen naar alternatieven. Is er iemand die durft, of gaan de verdragsgenoten liever ieder voor zichzelf aan de slag, zoals in het Chinese spreekwoord waarin de gestage druppel uiteindelijk de steen uitholt? Ik hoop het eerste maar zie voorlopig alleen blijken van het laatste.

Victor Everhardt is wethouder volksgezondheid in de gemeente Utrecht.

 

Reacties op dit artikel (1)

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *