Democratie vernieuwen: iets minder geloof en wat meer argumenten graag

Als we niet oppassen stijgt het gesprek over lokale democratie op wegens gebrek aan zwaartekracht, stellen Menno Hurenkamp en Evelien Tonkens. Leuke voorbeelden zijn goed, maar vergelijking van wat werkt en wat niet is beter. En dat laatste gebeurt amper, ook niet in het laatste nummer van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.

Sommige mensen hebben grote monden, andere grote hersenen en weer andere grote portemonnees. En die kenmerken overlappen ook nog eens vaak. Is het niet fijn voor iedereen die geeft om vrijheid, broederschap én gelijkheid dat deze categorie mensen flink in de wielen gereden wordt door instituties en hun perfide handelingen zoals regels verzinnen en handhaven? Zeker nu we uit zo’n beetje al het vergelijkend economisch, sociologisch en politicologisch onderzoek van de afgelopen jaren leren dat de ongelijkheid in termen van geld, macht en invloed eerder groter dan kleiner wordt?

Het laatste nummer van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken over ‘De haperende lokale democratie’ denkt echter een andere kant op. Het bevat gevalsbeschrijvingen van lokale experimenten en pleidooien om vooral door te gaan met het vervangen of tenminste aanvullen van de representatieve democratie. Maar geen evaluaties op basis waarvan bestuurders, burgers of politici lokaal hun eigen afwegingen kunnen maken. Dat is een gemiste kans.

Meer van hetzelfde

Jornt van Zuylen en Boudewijn Steur signaleren bijvoorbeeld wel dat ‘bepaalde groepen niet meedoen’ en dat het bereik van experimenten beperkt blijft tot ‘de zogenoemde participatie-elite’ (p.34). De auteurs van – van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het ministerie van Binnenlandse Zaken - willen dat oplossen met een  ‘proactieve, laagdrempelige buurtgerichte benadering’ (p.34). Dat klinkt goed, ware het niet dat de meeste experimenten al precies zo bedoeld zijn.

De oplossing is dus meer van hetzelfde. Vervolgens noemen Van Zuylen en Steur drie strategieën (‘investeren in basiskwaliteit van de democratie’, ‘innoveer in nieuwe vormen van democratie’, en ‘kies voor een lerende, iteratieve veranderstrategie’), die de genoemde ongelijkheid niet adresseren maar wederom meer voorschrijven van wat er nu juist al de hele tijd geprobeerd wordt.

Ook Piet-Hein Peeters constateert, Lotte Vermeij van het SCP citerend, dat bij burgerkracht het verschil tussen hoog- en laagopgeleiden groeit (p.27). Maar daar trekt Peeters geen consequenties uit. Ook hier is de boodschap dat we harder moeten proberen wat we al probeerden, namelijk burgers meer ruimte geven.

Een ander voorbeeld: Daan de Bruijn van Movisie en Reinout Kleinhans van de TU Delft signaleren dat raadsleden volgens hun onderzoek denken dat vooral ‘inwoners met een hoger opleidingsniveau en vooral degenen die zich al actief bemoeien met de besluitvorming binnen de gemeente’ profiteren van meer zeggenschap. Maar of ze daar een punt mee hebben, en zo ja, wat dit betekent voor vernieuwing van de democratie blijft buiten beschouwing.

Zo ontstaat wel een probleem

Mellouki Cadat en Meindert Fennema signaleren vervolgens wel een gebrek aan diversiteit en inclusie bij lokale democratische experimenten - die immers vooral door ‘ons soort mensen’ worden gedragen – maar dat burgerinitiatieven weliswaar bij hoger opgeleiden beginnen maar vanzelf naar andere groepen zullen doorsijpelen. De lezer moet dat maar aannemen want veel bewijs is er niet - wat de auteurs niet eens echt te verwijten valt. Zoveel comparatief onderzoek naar ‘goede’ en ‘slechte’ vormen van participatie door burgers is er niet.

Maar zo ontstaat wel een probleem. Ondanks ‘haperingen’ moeten we telkens doorgaan op de ingeslagen weg: omdat meer burgerparticipatie nog niet helemaal werkt zoals gewenst, moet er meer burgerparticipatie komen.

Het zou te denken moeten geven dat de door minister Plasterk van Binnenlandse Zaken in 2015 aangekondigde ‘experimentenwet’ (in het kader van Agenda Lokale Democratie) in totale stilte door zijn opvolger Ollongren van de agenda is afgevoerd. Alles wat de gemeenten aan experimenten wilden kon zonder de wet ook wel, zei Ollongren in 2018 de Raad van State na. Dit leverde één ANP-berichtje op en nul Kamervragen. Klaarblijkelijk zag politiek noch pers aanleiding om wat diepgaander te evalueren hoe het kan dat wat ooit zo veelbelovend klonk aan die agenda– de G1000, het ‘Atheense’ loten van gewone burgers om te besturen – zo snel weer uit de belangstelling verdween.

Waarom is doorgaan op de ingeslagen weg van burgerparticipatie een probleem?

Ongelijkheid wordt niet geadresseerd

Ten eerste omdat, zoals boven gesteld, een hardnekkig gesignaleerd probleem van ongelijkheid (sinds kort) wel gesignaleerd wordt, maar nog altijd niet geanalyseerd, en dus ook niet daadwerkelijk geadresseerd. De vrijheid om je mening of zelfs je hele leven vorm te geven, en de broederschap om je te organiseren lijken belangrijker dan de ongelijkheid die daarmee gepaard gaat.

Hierop is in het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken één uitzondering: het artikel van Henk Beltman, dat expliciet over ongelijkheid gaat. Lager opgeleiden zijn wel heel ontevreden over onze democratie maar doen steevast niet mee aan lokale experimenten, signaleert hij.

Beltman heeft daarvoor twee oplossingen. Om te beginnen algemene, op ‘bestaansveiligheid’ gerichte oplossingen die misschien wel helpen maar ver af staan van praktijken van lokale democratie, zoals het basisinkomen en meer gelijke kansen in het onderwijs.

Daarnaast bepleit Beltman verbeteringen van de lokale democratie zodat lager opleiden beter mee kunnen doen, met niet alleen informele gesprekken in de eigen leefomgeving, maar andermaal ook meer ruimte voor burgerinitiatieven en gelote burgerraden (p.37). Maar dat zijn dan weer overwegend oplossingen die het probleem van de ongelijkheid slechts versterken, want juist aan dat soort experimenten doen lager opgeleiden weinig mee.

Het verband met maatschappelijke onvrede wordt genegeerd

Ten tweede is het problematisch om door te gaan op de ingeslagen weg omdat zo het verband met de maatschappelijke onvrede en antidemocratische tendensen genegeerd wordt. Met in het achterhoofd bijvoorbeeld de klimaatdiscussie, de Brexit of de kracht van het populisme is de lokale democratie een kwestietje onder de kwesties.

Maar tegelijkertijd keren juist in die grote onderwerpen de thema’s terug die ook doorklinken in het denken over lokale vernieuwing. Zoals dat de burger sterke behoefte heeft aan verandering, dat de burger altijd gelijk heeft, dat experts niet te vertrouwen zijn of dat kleinschalig of spontaan eigenlijk altijd beter is.

Er is ook een raar soort overlap tussen het pleidooi voor democratische innovatie en de informele sfeer van het hippe kapitalisme van Facebook en Google. Daar gaat men in vrijetijdskleding naar het werk om in teams zonder baas en kantoren zonder muren aan de slag te gaan of gewoon te loungen. Met aan de oppervlakte het beroep op individuele creativiteit en transparantie dat je ook hoort in pleidooien voor deliberatie, maar meer in de diepte geheimhouding over codes en besluitvorming en een ongezonde kapitaalsaccumulatie.

Zo bezien zijn er tenminste drie soorten burgers die desgevraagd zullen zeggen voor meer participatie te zijn: de referentiegroep van het TSV-nummer; de ontevredenen die zich vooral laten mobiliseren tegen een ‘elite’; en de handige jongens en meisjes die ‘democraties’ jaren-zestig idioom in dienst weten te stellen van het mondiale grootkapitaal. Allicht zijn er meer, maar nu gaat het even om de vraag, welke groep moet het zwaarste wegen?

Waarom we op zoek moeten naar een robuuster verhaal

Zonder antwoord stijgt het gesprek over verandering van de lokale democratie op wegens gebrek aan zwaartekracht. Andermaal, er zijn echt wel ergere dingen in de wereld aan de hand en de meeste burgers en professionals zijn zo beleidsresistent dat ze toch wel wat moois van hun leven maken.

En misschien is dat precies de verklaring waarom de regering een paar jaar geleden de ‘participatiesamenleving’ en de ‘doe-democratie’ kon invoeren en daar inmiddels door alle betrokkenen (ministers, beleidsmakers, ideologen) niet meer of hooguit nog schamper over wordt gesproken. (Petrus zingt dit weekend weer in honderden koren: ‘Ich kenne den Menschen nicht’.)

De experimenteerdrift van het ministerie van Binnenlandse Zaken is misschien getemperd, maar er is in het sociale domein wel een fors pak wetgeving doorgevoerd dat flink wat van burgers vraagt, en gaandeweg het proces is het lokale bestuur (gemeenteraad, sociaal beleid) herhaaldelijk weggezet als ‘achterhaald’ of ‘overbodig’.

Vanuit dat perspectief is er minder om trots op te zijn, want de tevredenheid met de lokale democratie of de opkomst bij verkiezingen of deelname aan experimenten is ondertussen niet overtuigend verbeterd. Allicht en gelukkig zijn er succesvolle buurtcoöperaties en WMO-praktijken. Maar als die gerealiseerd worden door kleine clubjes overtuigde bewoners en ambtenaren en de rest van het land denkt ‘ze doen maar’, dan is het toch zinnig om een stap achteruit te zetten op zoek naar een robuuster verhaal waarom het allemaal anders moet.

We voeren overwegend een normatief gesprek

Misschien is een deel van de oplossing wel dat we minder spreken over het belang van participatie (vrijheid en broederschap) en meer over de methoden van participatie (gelijkheid). Waarom zouden lager opgeleiden nu ineens wel mee gaan doen aan burgerinitiatieven en burgertoppen? Dragen die vormen van elite-participatie niet juist bij aan hun onvrede? Je komt er eigenlijk zelden achter. We voeren overwegend een normatief gesprek, waarin de optimistische opvattingen van iemand als Benjamin Barber over volksdemocratie de toon zetten, en mensen die daarover aarzelen al snel antidemocratisch heten. Waar is die norm precies verankerd?

Het zijn niet alleen (slimme, domme, geëngageerde, boze) burgers, bestuurders en politici die de lokale democratie maken. Ook de mensen die hun brood verdienen met vertellen hoe belangrijk het onderwerp is, hebben een rol bij het bepalen wie of wat gezag heeft en welk onderwerp er toe doet.

Het participatiegebeuren bestaat uit een wereld van (semi-)publieke en private instellingen, bedrijven en netwerken waar duizenden geëngageerde mensen bij betrokken zijn, maar ook tientallen miljoenen veelal publiek geld in omgaan. Movisie natuurlijk, en de VNG, en grote zakelijke jongens als Radar Advies, en ook allerlei kleine bedrijfjes (‘Bruis’ of ‘Bloem’) adviseren door het hele land naar hartenlust over inspraak. En dan zijn er nog de tientallen stedelijke platforms waar het gesprek over de inspraak geprogrammeerd wordt, de debatcentra en open podia waar bijna dagelijks actieve bewoners en professionals de degens kruisen met de lokale politiek.

Iets minder geloof in de goedheid van participatie

Het goede nieuws is dat het idee over republikeins burgerschap zo springlevend wordt gehouden. Maar de prijs lijkt ook te zijn dat het makkelijker is een zaaltje of geld te krijgen voor een gezellig buurtfeestje van hoger opgeleiden, dan voor een uitje van Syrische vrouwen. En dat er elke week toch weer ergens burgers boos weglopen omdat ze zich ‘genaaid’ voelen, terwijl we al decennia weten dat inspraak gekoppeld moet zijn aan resultaat.

Iets minder geloof in de goedheid van participatie zou het verhaal over vernieuwing van de democratie vermoedelijk al een stuk robuuster maken. En daarnaast soms iets meer uitleg hoe voorgestelde vernieuwingen er overmorgen uit zien, wanneer de glans er af is.

Menno Hurenkamp is als publicist en politicoloog verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek en de Universiteit van Amsterdam. Evelien Tonkens is hoogleraar burgerschap en humanisering van de publieke sector aan de Universiteit voor Humanistiek.

 

Foto: Dallas Reedy op Unsplash