Rechters moeten ons niet de wet voorschrijven

Onze democratische rechtsstaat juridiseert in toenemende mate. Rechterlijke interpretaties worden voor lief genomen en politici leunen graag op internationale verdragen. Parlementariërs moeten beseffen dat het hun taak is rechterlijke uitspraken te toetsen in plaats van deze volgzaam over te nemen, schrijft Patrick van Schie, directeur van de Telderstichting.

Onze rechtsstaat is geleidelijk in de geschiedenis tot stand gekomen. Een van de belangrijkste aspecten ervan is dat de politieke macht niet alleen regeert via wetten maar ook zelf aan die wetten gebonden is. Niemand staat boven de wet, dus ook niet degenen die de wetten maken of uitvoeren. De rechtspraak is in handen van onafhankelijke rechters, die zich in hun beoordeling of een wet is overtreden niet door instructies van politici, of van wie ook, mogen laten leiden.

De rechtsstaat moet dus de gecollectiviseerde macht binnen de perken houden. In een democratische rechtsstaat is het ontoelaatbaar als een oncontroleerbare, aan niemand verantwoording schuldig zijnde instantie macht over anderen kan uitoefenen. Onafhankelijke rechters begrenzen de macht van politici; zij mogen niet tot een eigen onaantastbare machtsinstantie uitgroeien. In een democratische rechtsstaat dienen immers de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht met elkaar in evenwicht te zijn. Indien een van deze machten steevast het laatste woord heeft, is er iets scheefgegroeid.

Rechters interpreteren wetten soms anders
De laatste decennia vindt in toenemende mate juridisering plaats: rechters nemen beslissingen met een politiek karakter, al dan niet omdat politici bewust verzuimen in wetten of verdragen precies aan te geven hoe deze bedoeld zijn, en daarmee is dan kennelijk de kous af. Anders gezegd: rechters bedrijven via hun interpretatie van wetten en verdragen nogal eens politiek. Het is uiteraard onvermijdelijk dat zij wetten en verdragen moeten interpreteren. Maar dat zij wetten en verdragen (vaak bewust) anders interpreteren dan wat  parlementen er bij hun totstandkoming mee beoogden, gaat geregeld over de randen van de machtenscheiding. En in ieder geval is het ontoelaatbaar wanneer die interpretaties vervolgens voor de hoogste, niet betwistbare, wijsheid worden gehouden. Parlementen dienen te toetsen of de rechterlijke interpretaties juist zijn en op voldoende democratisch draagvlak kunnen rekenen. Waar dit uitblijft wordt de democratische speelruimte door deze juridisering steeds verder ingesnoerd. Uiteindelijk dreigt de democratie dan te verstikken door de uitdijende macht van rechters.

Ter politieke linkerzijde wordt hierover tegenwoordig nogal eens victorie gekraaid, omdat men hoopt dat op die manier plannen van het kabinet Rutte zullen stranden op internationale verdragen. Overigens gaat het daarbij vaak dus niet zozeer om de bepalingen van die verdragen zelf, maar om de interpretaties die rechterlijke instanties daar in de loop der tijden aan hebben gegeven. Zo meent het Europese Hof van Justitie, om één voorbeeld te noemen, dat om als vluchteling te worden erkend iemand niet alleen wegens persoonlijke omstandigheden vervolging hoeft te vrezen in eigen land, zoals in een Europese richtlijn stond; ook andere factoren zouden volgens het Hof tot toekenning van de vluchtelingenstatus aanleiding kunnen geven.

Verdragen zijn beslissingen van vroeger
Ook als het om de letterlijke bepalingen uit verdragen zou gaan, is het trouwens nog maar de vraag of wij verheugd moeten zijn te worden geregeerd door de beslissingen van onze voorouders in plaats van als democratieën zelfbepalend voor de huidige tijd te zijn. Natuurlijk, de meest fundamentele mensenrechten zijn niet voor niets in verdragen verankerd; die moeten bestand zijn tegen willekeurige meerderheden. Maar nu het aantal verdragen zo enorm is uitgedijd en tal van bepalingen bevatten die volstrekt niet tot de klassieke mensenrechten kunnen worden gerekend, dient eindelijk de vraag te worden beantwoord wie er regeert: wij of onze voorouders? Anders gezegd: regeren onze volksvertegenwoordigers, die door ons ter verantwoording kunnen worden geroepen, of regeert een rechterlijke kaste?

Ooit stelde links dat democratisering niet ver genoeg kon gaan. Blijkbaar zijn de tijden veranderd: tegenwoordig juicht links harder naarmate de juridisering verder voortschrijdt. Niet alleen wordt aldus op de koop toe genomen dat de democratie wordt teruggedrongen, veelal ziet links in juridisering zelfs een gewenst middel ter beteugeling van ‘het populisme’, zoals de linkerzijde de haar onwelgevallige opvattingen van kiezers graag diskwalificeert. Het is hoog tijd dat de balans in de rechtsstaat, die nu ver naar macht voor de rechters is doorgeslagen, weer wordt hersteld. Democratisch gekozen parlementen moeten beoordelen of rechterlijke uitspraken nopen tot aanpassing van wetten of verdragen; zij moeten zich niet door rechters de wet laten voorschrijven. In een rechtsstaat maakt het parlement immers de wet, de rechter past hem slechts toe in bijzondere gevallen. En in de verantwoording van politici aan de kiezers blijkt dan of de wetten op echt democratisch draagvlak kunnen rekenen.

Dr. P.G.C. van Schie is directeur van de Prof. Mr. B.M. Teldersstichting, het onafhankelijke wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme gelieerd aan de VVD. Een werkgroep van de Teldersstichting werkt momenteel aan een rapport over juridisering, dat naar verwachting rond de jaarwisseling zal uitkomen.

Reacties op dit artikel (8)

  1. De heer van Schie moet zijn bewering uit bovenstaand artikel “Maar dat zij wetten en verdragen ( vaak bewust) anders interpreteren dan wat parlementen er bij de tot standkoming mee beoogden, gaat geregeld over de randen van de machtenscheiding “of nader ondebouwen met verwijzing naar uitspraken en wetteksten of zijn woorden onmiddelijk terugnemen. Deze bewering gaat ruim over de rand van wat een wetenschappelijk bureau zich kan permiteren te zeggen. Ik ben zeer benieuwd naar de reactie van de heer van Schie

  2. Als dit artikel de discussie weerspiegelt zoals die in de werkgroep van de Teldersstichting, dan is het misschien een goed idee om iets langer de tijd te nemen voor het rapport dan tot de jaarwisseling.

    Ten eerste het ‘argument’ dat verdragen besluiten van vroeger zijn. Dat zijn wetten, contracten en ook verkiezingen ook. Allemaal niet meer relevant, omdat we ons niet door ‘vroeger’ moeten laten regeren?
    Fundamenteler: als je je nooit door afspraken uit het verleden wilt laten regeren, hoe kun je dan ooit betrouwbaar zijn in de ogen van kiezers en internationale partners?

    Bovendien gaat het hier niet alleen over een balans tussen rechterlijke macht en politici, maar ook over de internationale omgeving. Wat wordt hier betoogd, Nederlandse politici die hun unilaterale gang maar moeten gaan? Buiten de sfeer van de hard core klassieke mensenrechten terugvallen op machtspolitiek? Consequentie is dan wel dat we ook geen juridische handvaten meer hebben om andere landen bij de les te houden. Lijkt me niet te passen bij de liberale traditie, laat staat het Nederlands belang. In de huidige eurocrisis zien we immers het onvermogen hiervan en klinkt niet voor niets juist een roep om hardere en juridische mechanismen en sancties.

    Ik hoop dus dat het uiteindelijke rapport de internationale dimensie goed doordenkt en ervoor zal waken met gemakzuchtige karikaturen de huidige verhouding tussen politiek en rechtspraak weg te zetten.

    Dit uiterst boeiende en complexe onderwerp verdient dat. Dat daarbinnen dan de ruimte wordt gezocht om een liberale visie te ontwikkelen zal voor het debat ongewijfeld een verrijking zijn.

  3. Ik denk dat de heer Van Schie op brede ondersteuning van zijn standpunt kan rekenen. Rechters moeten ons niet de wet voorschrijven. Zoals Tom Bingham het formuleerde in zijn boek ‘The Rule of Law’ (p. 168):

    “The British people have not repelled the extraneous power of the papacy in spiritual matters and the pretensions of royal power in temporal in order to subject themselves to the unchallengeable rulings of unelected judges.”

    De bescherming van de burgerij tegen disfunctioneren van rechters moet met name ook worden gezocht in de selectieprocedure. Gaat het daar fout, dan komen wij maar heel moeilijk van zo’n rechter af, en in ieder geval te laat.

    Mr. A. van Lokhorst
    Rotterdam

    PS: Tom Bingham gold bij leven als een van de meest gezaghebbende rechters van Engeland. Zijn boek ‘The Rule of Law’ werd door de toenmalige President van de Hoge Raad meerdere keren genoemd en aangeprezen tijdens een symposium op 3 november 2010. Enige maanden later heeft De Deken van de Nederlandse Orde van Advocaten ‘The Rule of Law’ ter lezing aanbevolen in één van zijn artikelen in het Advocatenblad.

  4. Wat een raar stukje van de heer Van Schie. Niet alleen in de kamer en de regering is er vriendschap ontstaan tussen VVD en rechts-populisme. Dit is blijkbaar nu ook al doorgedrongen tot het “wetenschappelijk” bureau.
    De opvattingen van Van Schie leiden tot aantasting van de rechtstaat. Kamerleden van allerlei uiteenlopend kaliber (rijp en groen, oppervlakkig of met diepgang) gaan dan luidkeels op TV verkondigen dat uitspraak x. van rechter mr. Y niet deugt, omdat het hen niet te pas komt.
    Uitspraken van politice zijn onderhevig aan wisselende modes. Voorbeeld: nu eens is het opleggen van lage straffen “in”, dan weer is het opleggen van hoge straffen “in”. Toen CDA politicus Gerd Leers nog burgemeester van Maastricht was uitte hij nog wel eens ‘verlichte’ ideeen. Nu hij Minister is in de huidige VVD-PVV-CDA regering, ziet hij zich genoodzaakte ‘flinke’ rechtse opvattingen te verkondigen.
    Waardevol aan de rechtspraak is dat uitspraken van rechters gezag hebben. De uitspraak van de rechter heeft gezag omdat hij onafhankelijk is van de partijen die betrokken zijn bij het geschil. Verder wordt zijn uitspraak niet bepaald wordt door de min of meer toevallige actuele politieke situatie.
    “Kom op mensen!, laten wij nu met z’n allen naar hartelust luidkeels en hartgrondig verkondigen wat er nu weer niet deugt aan uitspraak x. van rechter mr. Y. Dat is wat Van Schie blijkbaar wil. Helaas komt dat neer op het weggooien van het kind met het badwater.

  5. Met een eerdere schrijver ben ik van mening dat de Meester in de Rechten van Schie toch wel een wat onbegrijpelijk stuk het licht heeft doen zien. Hoe kan een rechtsstaat nu juridiseren? Wat verstaat de rechtsgeleerde van Schie onder een rechtsstaat? Dat begrip wordt door veel lieden in de mond genomen zonder het nader uit te leggen. Wil onze waarde en hooggeleerde van Schie wellicht ook de Grondwet afschaffen? Is dat wellicht ook een verouderd stuk?

    Volgens mij begrijpt de hooggeleerde van Schie niets van de Trias Politica en sinds wanneer moeten parlementariërs – de wetgevende macht – de uitspraken van de rechterlijke macht toetsen? Als die uitspraken getoetst moeten worden is dat niet de taak van de wetgevende macht, maar van de rechter in hoger beroep en in cassatie. De heer van Schie moet dringend terug naar de schoolbanken.

  6. Ik volsta met de enkele constatering dat de geschiedenis en de huidige praktijk in autoritaire c.q. totalitaire stelsels ons leert dat een rechtspleging die die zich strikt houdt aan de wet, niet altijd een behoorlijke rechtspleging hoeft te zijn.

    De legist Prof. Van Schie loopt met deze stellingname het risico zich te verwijderen van de praktijk van rechtspleging; met alle gevolgen van dien.

  7. Het is jammer dat deze wetenschapper (historicus) zijn relaas vooral lijkt te baseren op de wens zijn (liberale) partij van argumenten te voorzien in een actuele discussie, in plaats van op wetenschap en feiten. Ondermeer de stelling dat “de balans in de rechtsstaat nu ver naar macht voor de rechters is doorgeslagen” raakt kant noch wal.

    Wetten en verdragen worden uitdrukkelijk steeds uitgelegd naar zowel de (uit verslaglegging kenbare) bedoelingen van de wetgever als naar recente ontwikkelingen. Een (al dan niet tijdelijk) veranderende maatschappelijke opvatting mag uiteraard een rol spelen.

    Maar de rechterlijke macht is – gelukkig – geen uitvoerder van het beleid van de politieke passanten, die kabinetsleden (op basis van de meest recente verkiezingen) nu eenmaal zijn.

  8. Er zijn inderdaad wel voorbeelden te noemen waarin de rechter (tot aan de Hoge Raad toe) de plank misslaan met hun interpretatie van de wet. Laat ik mij beperken tot een geval dat een grote impact heeft voor enkele honderdduizenden burgers in Nederland. In de bekende aandenlease-affaire (u kent Dexia, maar er waren nog 9 andere aanbieders) was één van de punten die gedupeerde beleggers tegen de banken in stelling brachten, de niet naleving van de Wet op het Consumentenkrediet (Wck). Aandelenlease betreft vormen van beleggen met geleend geld (soms ging het om beleggen in aandelen; vaker om complexe derivatenconstructies) In de rechtszaken die er over aandelenlease liepen is het Gerechtshof Amsterdam vanaf 2005 gaan redeneren dat de Wck niet op het kredietdeel van aandelenlease van toepassing zou zijn. Het argument dat het Gerechtshof hanteert, namelijk de klant niet daadwerkelijk de kredietsom, ter vrije beschikking, in handen krijgt (die wordt immers gebruikt voor de aankoop van de effecten), overtuigt geenszins. In de Wck heeft de wetgevers juist het strekkingsbeginsel voorop gesteld om wetsontduiking te voorkomen. ”Vrije beschikking van de kredietsom” is geen voorwaarde. In de praktijk van alledag worden dagelijks oversluitkredieten gesloten, waarbij de klant een lopend krediet oversluit naar een nieuwe lening en ook dan wordt de kredietsom van de oude lening direct overgeboekt naar de oude kredietverstrekker. De klant krijgt geen geld in handen.
    In het arrest van 5 juni 2009 neemt de Hoge Raad het oordeel van het Gerechtshof over. Een duidelijk geval van rechtsdwaling. Of de interpretatie ook bewust is gekozen om claims van gedupeerde klanten ”in te dammen” is onduidelijk.
    Over de beschreven casus behoeven de Kamerleden van VVD huize overigens geen krokodillentranen de plengen. Hun politieke opperhoofd en Minister van Financien Gerrit Zalm vond het eind jaren negentig allemaal best dat de Wck niet op aanbieders van aandelenlease werd gehandhaafd. Vrijheid, blijheid voor de aanbodzijde van het marktproces was en is immers het VVD-moto.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *