Wetenschappers zouden wat meer strijdbaarheid kunnen tonen

Dossier

Vertrouwen in wetenschap

De feiten zijn niet meer vanzelfsprekend. Daarom moeten ook wetenschappers kritisch naar hun eigen tekortkomingen kijken, vindt Gabriël van den Brink.

In NRC Handelsblad van maandag 2 januari namen José van Dijck en Wim van Saarloos krachtig stelling tegen het idee dat wetenschap ‘ook maar een mening is’. We moeten respect voor de feiten blijven opbrengen, zo schreven ze. We moeten ook vasthouden aan het onderscheid tussen feiten en meningen. In meer algemene zin moeten we meer waardering opbrengen voor instituties die als hoeder van de feitelijkheid optreden zoals rechtspraak, journalistiek en wetenschap. Daarmee ben ik het volkomen eens.

Maar de vraag blijft waarom het vertrouwen in de wetenschap zo erodeert. Komt het omdat burgers geen moeite willen doen en het liefst op hun gevoel afgaan? Is het omdat wetenschappers hun inzichten onvoldoende uitleggen? Of hebben we te maken een soort complot waarbij duistere krachten de Verlichting en haar verworvenheden onder vuur nemen?

Cultuur van waarheidsvinding

Zelf denk ik dat de Verlichting inderdaad tot een belangrijke vernieuwing heeft geleid. Sinds die tijd heeft het Westen met horten en stoten iets tot stand gebracht wat we als een ‘cultuur van waarheidsvinding’ kunnen aanduiden. Dit betekent dat men weliswaar naar waarheid zoekt maar tevens weet dat ze niet zomaar voor handen is, dat haar inhoud telkens ter discussie staat, dat verschillende partijen eigen accenten aanbrengen terwijl het gehele proces een openbaar karakter heeft.

Het gaat bij het vinden van waarheden dus nadrukkelijk om een cultuur. Zoals elke cultuur berust ook deze op enkele impliciete maar niettemin onmisbare waarden of beginselen. Ik beperk me (los van hun eventuele hiërarchie) tot het aanstippen van de vier belangrijkste.

Vrucht van lang oefenen

Het eerste beginsel is dat van een zekere deskundigheid. Een cultuur van waarheidsvinding is onmogelijk als we aannemen dat iedereen evenveel verstand van zaken heeft. Ervaring is van groot belang. Uiteraard kan zij meerdere vormen aannemen, variërend van een academische opleiding tot de praktische ervaring van uitvoerende professionals, maar we gaan niet voorbij aan de zo verzamelde vaardigheden of inzichten. Dat brengt zowel een bepaalde specialisatie als de noodzaak tot samenwerking mee. Er zijn vaak meerdere deskundigen nodig om te achterhalen wat de waarheid is.

Het tweede beginsel is eerlijkheid. Daarmee bedoel ik dat er geen verschil is tussen datgene wat iemand zelf denkt, ziet of weet en datgene wat hij of zij naar buiten brengt. Dus wanneer iemand bij een natuurkundig experiment de temperatuur van 63 graden rapporteert, dan gaan we ervan uit dat hij die temperatuur waargenomen heeft. Overigens gaat dat niet alleen voor personen maar ook voor instituties op. Als het CBS zegt dat de prijzen met 4 procent gestegen zijn, dan willen we achteraf niet horen dat de stijging maar 2,75 procent bedroeg. Ofschoon we dat in het Westen inmiddels heel gewoon vinden, spreekt dit beginsel niet voor zich: het is de vrucht van lang en systematisch oefenen.

Respect voor de feiten niet vanzelfsprekend

Het derde beginsel is vrijheid, of beter, veiligheid. Het zoeken naar de waarheid kan uitlopen op bevindingen die aanstootgevend zijn. Het gevaar komt niet alleen van pausen, koningen en andere machthebbers die kritische geesten graag in de gevangenis werpen. Jaloerse collegae of incompetente leidinggevenden kunnen evengoed voor een gebrek aan veiligheid zorgen. Een cultuur van waarheidsvinding zorgt ervoor dat iedereen de vrijheid heeft om te zeggen hoe hij of zij de zaken ziet. Ook dat is minder evident dan we veelal aannemen.

Het vierde beginsel duid ik bij gebrek aan beter als openbaarheid aan. Dit betekent dat het verspreiden en bespreken van gevonden inzichten niet alleen een publieke onderneming is maar ook iets wat de publieke zaak ten goede komt. Juist omdat de moderne maatschappij qua normen, waarden en levensbeschouwelijke beginselen een grote diversiteit laat zien, komt het ‘algemeen belang’ niet spontaan tot stand. De cultuur van waarheidsvinding is mede gericht op het overwinnen van moderne diversiteit en het vinden van common ground.

Het noemen van deze beginselen maakt wellicht duidelijk dat ‘respect voor de feiten’ minder vanzelf spreekt dan veel weldenkende burgers aannemen. Het is een culturele verworvenheid die in ons persoonlijke én publieke leven een zo voorname rol vervult dat we haar rustig als een basis van onze beschaving mogen opvatten. Maar daarmee hebben we nog geen antwoord op de vraag waardoor die basis aan het schudden is geraakt.

Traditie van het vrije woord

In Nederland heeft deze cultuur van waarheidsvinding zich tot ver in de jaren zestig kunnen ontwikkelen. Dat blijkt onder meer uit de grote betekenis van expertise in beleid en politiek. Departementen hadden talloze deskundigen in dienst die aangaven hoe je bepaalde plannen het best kon uitvoeren. Zonder hen was het succes van de Deltawerken onmogelijk geweest.

Er bestond ook een grote vrijheid om te zeggen hoe men over zaken dacht, zelfs wanneer het om controversiële zaken ging. Het tegen Gerard Reve aangespannen proces wegens godslastering haalde niets uit. Wat dat betreft bleef Nederland trouw aan de traditie van het vrije woord die al in de zeventiende eeuw gestalte kreeg.

Onder deze voorwaarden kon eerlijkheid zich tot een belangrijke levenswaarde ontwikkelen. Toen de Nederlandse bevolking eind jaren zestig werd gevraagd welke deugd zij op de eerste plaats stelde, bleek dat eerlijkheid te zijn. Dat was een halve eeuw later nog altijd het geval.

Ten slotte was het zoeken naar waarheid in Nederland een openbare aangelegenheid die uiteenlopende partijen van groot belang achtten. Dat kreeg onder meer vorm in een aantal kwaliteitskranten die vanuit een eigen perspectief de publieke zaak dienden.

Het is met de waarheidsvinding slecht gesteld

Sinds een decennia of twee lijkt dit alles te veranderen. Er gaat geen week voorbij of we lezen berichten waaruit blijkt dat men de genoemde beginselen met voeten treedt. Het vertrouwen in deskundigen is sterk geërodeerd. De arts die een medicijn voorschrijft, de meteoroloog die waarschuwt voor klimaatverandering en de islamoloog die uitleg geeft bij een vers uit de Koran – zij allen staan onder de verdenking dat ze hun eigen belang dienen.

Ook de veiligheid is niet langer wat ze was. Vorige week werd een maatschappelijk werker die kritische opmerkingen over minderheden had gemaakt bedolven onder verwensingen en bedreigingen. Dat alleen al tast het openbaar karakter van waarheidsvinding aan. Daar komt bij dat sommige intellectuelen kiezen voor een politiek correcte opstelling. Je mag als blanke onderzoeker geen uitspraken over het slavernijverleden doen. In London wil een bepaalde universiteit het werk van Descartes weren omdat het koloniaal belast zou zijn.

Tegen die achtergrond is het niet vreemd dat uiteindelijk ook de eerlijkheid moet sneuvelen. Dat gebeurt op een alledaags niveau, bijvoorbeeld waar journalisten of academici hun bevindingen extra aandikken. Maar het gebeurt evengoed op hoog politiek niveau, bijvoorbeeld wanneer men een militaire invasie legitimeert met verwijzingen naar wapens die nergens te vinden zijn. Met andere woorden: in de wereld waar we thans leven is het met de waarheidsvinding slecht gesteld.

Deskundigen hebben het nakijken

Dat brengt ons bij de vraag waarom het zoeken naar publieke waarheden tegenwoordig ter discussie staat. Ik noem eerst een paar ingrijpende veranderingen die onze samenleving de afgelopen decennia heeft ondergaan en ga daarna op de rol van wetenschappers zelf in.

De eerste verandering is uiteraard de razendsnelle ontwikkeling van internet en alle innovaties die eruit voortvloeien. Daardoor is de hoeveelheid informatie tot een onvoorstelbare omvang uitgegroeid. En niet alleen de hoeveelheid data, maar ook hun snelheid, toegankelijkheid en combineerbaarheid nam reusachtig toe.

Het gevolg is dat er voor elke opinie of bewering een aantal 'bewijzen' op het net te vinden zijn. De functie die professionals altijd hadden bij het selecteren, ordenen en waarderen van informatie wordt zodoende ondermijnd. Op dat punt bewerkstelligt het digitale tijdvak precies het omgekeerde van datgene wat men aanvankelijk hoopte. Het laat de waarde van bestaande kennis niet zozeer toenemen maar tast die aan. Onze deskundigen hebben veelal het nakijken.

Wetenschapsbeoefening krijgt een commerciële kant

De tweede verandering is dat er in de loop der jaren een multiculturele samenleving is ontstaan. De eerder bedoelde waarheidsvinding was sterk aan de mentaliteit van het protestantisme in Noordwest-Europa gelieerd. Daarin was tekst belangrijker dan beeld, speelde het geweten een grote rol, woog individuele verantwoordelijkheid zwaarder dan het aanzien van de groep en werd de waarheid door middel van argumentatie achterhaald.

Deze denkbeelden werden niet altijd gedeeld door de migranten die vanaf de jaren zeventig naar Nederland kwamen en die vanuit hun culturele achtergrond vaak anders tegen waarheid aankeken.

De derde verandering is dat we sinds de jaren tachtig zijn doordrongen van het besef dat wetenschappelijke kennis ook een zekere marktwaarde heeft. De meest productieve sectoren van ons economisch leven zijn kennisintensief. Regering en bedrijven investeren graag in nieuwe kennisontwikkeling. De academische wereld is daar niet ongevoelig voor, gegeven het feit dat ze steeds meer nadruk is gaan leggen op valorisatie en de praktisch toepassing van inzichten. Zo krijgt wetenschapsbeoefening ook een commerciële kant. Het zoeken naar waarheden wordt nog altijd gewaardeerd, maar het verkopen ervan wordt belangrijker.

Politici lijken zich steeds minder om waarheidsvinding te bekommeren

Ten vierde lijken politici zich steeds minder om waarheidsvinding te bekommeren. Uiteraard proberen ze te vermijden dat ze in de media op een regelrechte leugen worden betrapt. Maar dat betekent niet ze de hier genoemde beginselen een warm hart toedragen. Ze zijn in de eerste plaats op het behouden of uitbouwen van de eigen machtspositie uit.

Dat is wellicht altijd al het geval geweest maar het doet hun geloofwaardigheid in de ogen van het publiek geen goed. Vorig jaar werd aan Britse burgers gevraagd hoe zij aankeken tegen de eerlijkheid van diverse beroepsgroepen. Terwijl 91 procent geloofde dat de dokter tegenover hen de waarheid sprak, scoorden politici met een magere 15 procent het allerlaagst.

Ook wetenschappers kunnen het vinden van de waarheid verhinderen

Zo is er de afgelopen decennia een maatschappelijk klimaat ontstaan dat het niet eenvoudig maakt om de oude cultuur van waarheidsvinding te handhaven. Toch mogen we niet doen alsof de bedreigingen alleen van buitenaf komen. We kunnen moeilijk beweren dat wij als wetenschappers prima kennis leveren die door buitenstaanders wordt gecorrumpeerd.

Ook ons eigen optreden kan het vinden van de waarheid hinderen. Bijvoorbeeld doordat we één van de vier genoemde beginselen vooropstellen en de andere verwaarlozen. Ik noem vier manieren waarop dat vandaag de dag gebeurt.

De eerste manier – waarbij we uitsluitend oog hebben voor deskundigheid – komt op een vorm van wetenschappelijk imperialisme neer. Het betekent dat we niet verder kijken dan de grenzen van ons vakgebied en menen dat het hele leven van daaruit te begrijpen is. Denk aan breinwetenschappers die geloven dat ze alle menselijke vragen kunnen beantwoorden. Of aan de economen die vele aspecten van het leven niet in hun modellen opnemen en toch denken dat de hele samenleving economisch te begrijpen is.

Een dergelijke verabsolutering van het eigen specialisme maakt dat het vertrouwen van burgers in deskundigen en hun befaamde feiten niet echt groter wordt. Mensen ervaren aan den lijve dat het leven ingewikkeld is en zitten niet te wachten op wijsneuzen die hun gelijk nog eens willen uitleggen.

Relativisme, opportunisme en moralisme

Bij de tweede manier begaat men veeleer de omgekeerde fout. We beseffen zozeer dat het zoeken naar de waarheid een sociaal gebeuren is dat we over de inhoud van disciplinaire inzichten heen stappen. Dat komt op een vorm van relativisme neer. Deze fout wordt vaak gemaakt door postmodernisten die stellen dat kennis een kwestie is van taalspelen, sociale constructies of machtsuitoefening en daar vervolgens mee volstaan. Daarmee nemen ze onze cultuur van waarheidsvinding niet echt serieus. Het legitimeert burgers om de uitkomsten van onderzoek te betwijfelen en aan het onderscheid tussen feiten en meningen voorbij te gaan.

Bij de derde manier is men sterk gericht op het praktisch nut van inzichten en de mogelijkheden om daar je voordeel mee te doen. Ik vat dat als een vorm van opportunisme op. Men zoekt naar waarheden maar streeft vooral een zo groot mogelijke impact na. Die impact kan uiteraard meerdere vormen aannemen zoals een hoge score op academische indexen, het opbouwen van een reputatie in de media of het behalen van commercieel succes. Onderzoekers krijgen in de huidige samenleving vele kansen op een of andere manier te schitteren maar het mag ze niet verbazen dat het bredere publiek dit met argwaan beziet. Zo onbaatzuchtig zijn die wetenschappers blijkbaar niet…

Bij de vierde manier doet zich opnieuw het omgekeerde voor. Het gaat om onderzoekers die hun eerlijkheid en engagement zozeer voorop stellen dat ze nauwelijks aan waarheidsvinding toe komen. Dat zou een vorm van moralisme inhouden. Dit risico doet zich onder meer voor bij onderzoekers op het gebied van vrouwenstudies, blackstudies of cultural studies voor. Zij hanteren het perspectief van een onderdrukte groep en wijzen de door anderen voortgebrachte inzichten op morele gronden van de hand. Ook die eenzijdigheid heeft het respect voor de feiten geen goed gedaan.

Meer strijdbaarheid en moed

Het afnemende respect voor feiten en wetenschappelijke inzichten heeft meerdere achtergronden. Enerzijds laten zich maatschappelijke tendensen aanwijzen die onze cultuur van waarheidsvinding onder druk zetten. Anderzijds zijn wetenschappers niet gedwongen om met die tendensen mee te gaan zodat de situatie alleen maar erger wordt. Aan het eerste kunnen wij als onderzoekers niet veel doen, aan het tweede juist wel. Wat meer strijdbaarheid en moed zou de situatie al verbeteren.

Maar het betekent wel dat we kritisch over onze eigen tekortkomingen moeten nadenken.

Gabriël van den Brink is hoogleraar wijsbegeerte bij Èthos aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. 

 Een ingekorte versie van dit artikel verscheen eerder in NRC Handelsblad.

Foto: HCC Public Information Office (Flickr Creative Commons)

Reageer

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *