Maak van opleidingsprofiel sociaal werk geen afvinklijstje

Wie sociaal werkers wil vormen, moet eerst durven vragen welke samenleving zij straks helpen maken. En wat relationeel werken is. Het nieuwe landelijk opleidingsprofiel sociaal werk nodigt hier onvoldoende toe uit, betogen Guus Timmerman, Matthias Deleu en Milotte Hamer.

In september 2025 werd het Landelijk opleidingsprofiel bacheloropleiding Social Work (LOP) gepresenteerd. Het LOP is bedoeld als een voor opleidingen richtinggevend document. Het moet helpen bij het vormgeven, eventueel bijstellen of zelfs geheel opnieuw inrichten van opleidingen tot sociaal werker.

Opleidingen kunnen het landelijk opleidingsprofiel gaan lezen als een afvinklijst

Het risico van een landelijk opleidingsprofiel is dat opleidingen het gaan lezen als een afvinklijst van kerntaken en leerresultaten. Daarmee missen ze precies waar sociaal werk om vraagt: maatschappelijke analyse, normatieve positionering en relationele vorming.

Elke opleiding heeft een curriculumcommissie die het curriculum als geheel bewaakt. Deze commissie moet het nieuwe opleidingsprofiel vertalen naar de eigen opleiding. Een voor een curriculumcommissie mogelijke – en waarschijnlijk veel voorkomende – werkwijze is om direct te beginnen in het hoofdstuk waarin de kerntaken en leerresultaten worden benoemd. Ze kan die naast de eigen opleiding leggen en nagaan welke consequenties die voor de eigen opleiding moeten hebben.

Sociaal-maatschappelijke analyse

Dat is echter een gemiste kans. In de hoofdstukken voorafgaand aan de kerntaken en leerdoelen wordt namelijk iets voorgedaan dat voor sociaal werk essentieel is: het maken van een maatschappelijke analyse en het nadenken over sociaal werk als een relationele praktijk. Een andere werkwijze is om eerst die beide analyses in de eigen, regionale context te voltrekken. Dit helpt bij het naar de eigen opleiding toe vertalen van de soms grote, abstracte begrippen in de verderop benoemde kerntaken, leerresultaten en bouwstenen, zoals ‘sociaal functioneren’, ‘sociale kwaliteit’ en ‘sociale inclusie’.

De curriculumcommissie moet zelf ook doen wat volgens het opleidingsplan van sociaal werkers wordt verwacht

Bij de maatschappelijke analyse die in het LOP wordt gemaakt, kan een curriculumcommissie zich afvragen: herkennen wij de daarin genoemde maatschappelijke vraagstukken? Welke missen we? Hoe zien deze vraagstukken eruit in de omgeving waarin onze afgestudeerden aan het werk gaan? Herkennen we in de analyse van het LOP het perspectief van degenen met en voor wie onze afgestudeerden aan het werk gaan? Welke woorden en welke taal kiezen wij voor de probleembeschrijving, de analyse en de oplossingsrichting?

Dit betekent als curriculumcommissie zelf ook doen wat volgens het LOP van sociaal werkers verwacht mag worden: het signaleren van ‘maatschappelijke vraagstukken, structurele ongelijkheid en sociale problemen’ en het kritisch analyseren ervan ‘binnen hun politieke en maatschappelijke context’ (p. 36-37).

Economisch en technologisch ingestoken

Wat opvalt in het hoofdstuk Maatschappelijke ontwikkelingen en context van het LOP, is dat het een meta-analyse overneemt die al in 2020 door Adviesbureau Berenschot is gemaakt in opdracht van de Vereniging Hogescholen (Berenschot, 2020) en die in 2022 door de Toekomstverkenning Sociaal in beweging is overgenomen (Verkenningscommissie HSS, 2022). Deze analyse is nogal economisch en technologisch ingestoken en beperkt zich tot bovensectorale vraagstukken.

We missen belangrijke maatschappelijke opgaven

Deze analyse komt bovendien niet voort uit het sociaal domein zelf en mist wat aan de basis van sociaal werk staat: sociale rechtvaardigheid, democratische participatie, bestaanszekerheid en menselijke waardigheid. We missen belangrijke maatschappelijke opgaven, zoals rond werk, inkomen en armoede, rond wonen en rond burgerschap en participatie. En we missen een voor het sociaal domein belangrijke analyse, namelijk die van precariteit en precarisering (Lorey, 2016), en een kritiek op het ethos en het bestuur van positiviteit (De Brabander, 2022).

In het sociaal domein treffen we eigen analyses aan, zoals die van Andries Baart in het essay Een precair bestaan (Baart, 2023), de Staat van Utrecht (www.staatvanutrecht.nl) en het manifest Stel mensenrechten centraal in het sociaal werk! (Hartman et al., 2019). De keuze om te leunen op een technologisch-economische meta-analyse ingestoken op sectoroverstijgende opgaven kan voorsorteren op een sociaal werk in dienst van externe beleidsdoelen zoals zelfredzaamheid, samenredzaamheid en gezondheidspreventie (Peeters, 2025).

Relationeel werken is de basis

Het LOP noemt de presente grondhouding de essentiële beroepshouding (p. 19), zoals eerder al het Beroepsprofiel van de Sociaal Werker (BPSW, 2023). ‘Sociaal werk is altijd relationeel’, staat even verderop.

Met betrekking tot sociaal werk als relationele praktijk kan een curriculumcommissie nadenken over: Hoe verhoudt relationeel werken (presentie) als de basis van sociaal werk zich tot de onderwijsinhouden? Hoe is de vorming als relationeel werker consequent in onze opleiding ingebakken? Bijvoorbeeld in de supervisies, de kenniscolleges, de methodische lessen en de omgang met elkaar binnen groepen en opdrachten? En bij docenten en management? Een onderwijsinstelling leeft de bedoeling waarvoor ze opleidt immers voor.

Relationeel werken wordt gepresenteerd als iets dat náást andere aspecten van sociaal werk staat

In het hoofdstuk Herkenbaar en toekomstbestendig sociaal werk valt op dat daarin relationeel werken wordt gepresenteerd als iets dat náást andere aspecten van sociaal werk staat, zoals methodisch handelen en sociale innovatie, in plaats van als iets waarin die andere aspecten moeten zijn ingebed om überhaupt bij te kunnen dragen.

Het hoofdstuk was veel sterker geweest als er consequent en radicaal relationeel was gedacht. Niet alleen over relationeel nabij zijn, maar ook over op een radicaal relationele manier collectief handelen, structurele ongelijkheid agenderen en beleidstaal kritisch bevragen. Opdat sociaal werkers meer weerstand kunnen bieden aan individualiserend, depolitiserend, technisch-instrumenteel en planmatig denken.

Ruimte, tijd en ondersteuning

Het consequent en consistent in de opleiding aandacht besteden aan de vorming als presente en relationeel werkende professional is ook voor docenten en studenten een kwestie. Een gezamenlijke reflectie op de vraag wat al gebeurt en wat nog nodig is, kan bijdragen aan het werk van de curriculumcommissie.

Hoe voorkomen we dat onze afgestudeerden slechts uitvoerders van externe beleidsdoelen worden?

Daarvoor moeten commissie, docenten en studenten van de hogeschool ruimte en tijd krijgen en van de lectoraten meer ondersteuning. Opleidingen moeten zich kortom de volgende vragen stellen:

  • Welke maatschappelijke opgaven zien wij in onze regio? Welke prioriteiten stellen wij?
  • Welke taal gebruiken wij voor (groepen) mensen en voor problemen en oplossingen?
  • Waar en van wie leren onze studenten relationeel werken als te beoefenen praktijk, niet alleen als methodische werkwijze?
  • Hoe voorkomen we dat onze afgestudeerden slechts uitvoerders van externe beleidsdoelen worden?
  • Hoe organiseren we tijd, ruimte en begeleiding voor onderwijs dat kritisch en relationeel is?

Dr. Guus Timmerman is wetenschappelijk medewerker van Stichting Presentie, g.timmerman@presentie.nl. Matthias Deleu MA is docent sociaal werk van Zuyd Hogeschool en trekker van Waardenwerk Limburg, matthias.deleu@zuyd.nl. Milotte Hamer MA is docent sociaal werk van Zuyd Hogeschool en staflid van Stichting Presentie, milotte.hamer@zuyd.nl. Met dank aan Maja Ročak, lector sociaal werk van Zuyd Hogeschool, voor haar commentaar op een eerdere versie.

 

Foto: Debra Solomon (Flickr Creative Commons)