Adviescommissie hoger sociaal agogisch onderwijs wil het onmogelijke

Onlangs verscheen het advies Meer van Waarde, over de opleidingen tot de sociale beroepen op de hogescholen. Weliswaar een moedige poging om duidelijkheid te scheppen, maar de brede opleiding die de commissie bepleit sluit niet aan bij de netwerksamenleving.

Het advies van de ‘verkenningscommissie hoger sociaal onderwijs’ onder voorzitterschap van Hans Boutellier is gestoeld op een verkenning. De kerngedachte daarvan is dat de sociale professies werken aan de sociale kwaliteit van onze samenleving. Die samenleving is volop in verandering: de voortgaande netwerksamenleving, de druk op de overheidsfinanciën, de decentralisatie van het sociaal beleid.

De brede oriëntatie van het rapport is verdwenen in het adviesdeel. Dat gaat niet meer over de rol van de sociale beroepen in een veranderende samenleving, maar daarin is de herziening van het sociale beleid dominant.

Commissie vergeet bij de aanbevelingen het netwerkkarakter

In de aanbevelingen over de opleidingen wordt in plaats van de huidige acht bacheloropleidingen - zoals maatschappelijke werk en dienstverlening (MWD), culturele maatschappelijke vorming (CMV), sociaal-pedagogische hulpverlening (SPH) - gepleit voor ‘een overzichtelijke ordening in drie basisprofielen’: integraal sociaal werk, sociaal werk en langdurige zorg (ouderen, gehandicapten, ggz) en sociaal werk in het brede jeugddomein.

Dat is wellicht overzichtelijk maar daarbij houdt de commissie nauwelijks rekening met het onontkoombare netwerkkarakter van de  veranderende samenleving waarop de verkenning nu juist wel ingaat. Nu is iedere ordening arbitrair, maar de brede sociale werker die de commissie in de drie profielen wil laten opleiden zal er niet komen en is ook niet op te leiden in vier jaar. Je krijgt dan iemand die een heleboel net niet kan.

Daarbij komt dat het advies er ook vanuit lijkt te gaan dat er een scherp omlijnd werkveld bestaat, dat door deze driedeling adequaat wordt bediend. Van zo’n werkveld was nog sprake toen de overheid dat financierde, en voor een deel van de zorgverleners zal dat ook zo blijven. Maar voor veel sociale beroepen is dat al aan het veranderen. De mensen met een CMV-opleiding bijvoorbeeld werken al lang in heel verschillende sectoren. Behalve bij welzijnsorganisaties komen ze ook terecht in de ontwikkelingssamenwerking, bij woningbouwverenigingen, zorginitiatieven en in de culturele en recreatieve sector. Ze werken als trainer en coach bij uiteenlopende (markt)organisaties. Vroeger meestal als werknemers, de laatste jaren steeds meer als zzp’ers. Ze initiëren als sociaal-cultureel ondernemers vaak zelf sociaal-culturele activiteiten en bieden hun tijdelijke diensten aan. Professionals met een opleiding in maatschappelijk werk en dienstverlening (MWD), sociaal juridische dienstverlening (SJD) of sociaal-pedagogische hulpverlening (SPH) zullen gezien de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt van zorg en welzijn ook meer dan nu op die manier, als zelfstandig ondernemer, moeten gaan werken.

Er komt steeds meer netwerksamenleving

Het vastomlijnde werkveld zal nog verder veranderen. Het kan niet anders dan dat alle partijen - overheden, burgers, markt, sociale professionals – zich in nieuwe arrangementen rond zorg, leefbaarheid en zingeving gaan bezighouden. Dat zal steeds meer in netwerken zijn, en de variatie daarvan zal groot zijn.

Het zal gaan van brede participatie en samenlevingsopbouw - denk aan speeltuinen, taallessen, kunstenaarsinitiatieven, wijkondernemingen - tot allerlei medische en psychische zorg voor gezinnen en individuen. Ook de mix van aanbieders op het gebied van zorg, welzijn en samenlevingsopbouw zal veranderen. Voeg daarbij de wens en de verwachting van de overheid dat de burger een belangrijkere rol gaat spelen, en daaruit volgt dat iedereen andere rollen gaat krijgen. Sterker nog, vaak zal de rol van de actoren variëren, afhankelijk van het soort samenwerkingsverband. Hoe het er precies uit gaat zien weten we niet.

Een startbekwame professional ontwikkelt zich al werkend

Ja, deze veranderingen en onzekerheden vragen inderdaad om uiterst flexibele kwalitatief  hoogwaardige professionals, die reflectief zijn, ondernemend, creatief, netwerkers, zorgers, empathische gesprekspartners, coaches en  verbinders van actoren. Om mensen die in complexe situaties adequate beslissers zijn. Maar of al deze capaciteiten passen in de ‘overzichtelijke ordening’ en driedeling van basisprofielen die de commissie voorstelt is de vraag. In ieder geval zien wij geen kans om iemand die dit allemaal kan in vier jaar op te leiden als integraal sociaal werker.

Wat wel kan is een startbekwame, gespecialiseerde professional opleiden zoals nu veelal gebeurt. Iemand die over specifiek vakmanschap beschikt en die ook geleerd heeft om open te staan voor het vakmanschap van andere professionals. Een beginnende professional die zich al werkend verder wil ontwikkelen en het aankan om in nieuwe wisselende verbanden en omgevingen te werken. Dat is waar de netwerksamenleving behoefte aan heeft.

Eltje Bos is opleidingsmanager CMV en lector culturele en sociale dynamiek aan de Hogeschool van Amsterdam. Pieter van Vliet is docent/onderzoeker bij CMV aan de Hogeschool van Amsterdam en voorzitter van het landelijk overleg van CMV-opleidingen.