Voorstellen voor opleidingen sociaal werk overtuigen niet

De sociale opleidingen aan de hogescholen staan op een tweesprong. Gooien ze alles op de schop zoals hun wordt geadviseerd door de verkenningscommissie hoger sociaal agogisch onderwijs (hsao), onder voorzitterschap van Hans Boutellier? Of kunnen ze beter alles bij het oude houden? Wij pleiten voor vernieuwing, maar zonder de bijl aan de wortels van de opleidingen te zetten, zoals de commissie in haar enthousiasme doet.

De verkenningscommissie ziet in haar advies Meer van waarde een grote urgentie tot aanpassing van de sociale opleidingen aan de hogescholen. Door de ontwikkeling van de netwerksamenleving, de druk op de overheidsfinanciën en de decentralisatie van het sociaal beleid neemt de complexiteit in de omgeving van sociaal werkers toe. Dat vraagt om een stevige en duidelijke beroepsidentiteit en vereist van de opleidingen een kwalitatieve sprong. Daartoe doet zij vijf voorstellen die op het eerste gezicht aanspreken. Bij nadere bestudering blijken sommige echter eenzijdig en andere zelfs haaks te staan op het beoogde doel: versterking van de kracht van sociaal werk en de beroepsidentiteit van sociaal werkers. Dit doel onderschrijven we van harte en daarom doen we hier suggesties voor aanpassing van de voorstellen. We hopen dat daarmee de kans op het daadwerkelijk bereiken van het doel toeneemt. We lopen de voorstellen stuk voor stuk langs.

Eerste voorstel: verbreding opleiding en beroep is riskant

Het eerste voorstel van de commissie betreft het versterken van de identiteit. Deze zoekt zij vooral in de verbreding van beroep en opleiding. Dat vinden wij een riskante ontwikkeling. Mirko Noordegraaf waarschuwde vorig jaar nog: hoe breder het beroep, hoe zwakker de identiteit. Ons eigen onderzoek bevestigt dit.* Wij opteren daarom eerder voor verbinding dan voor verbreding en willen nog verder zoeken naar de precieze verhouding tussen het gemeenschappelijke en het specifieke van de afzonderlijke sociale beroepen. Dit evenwicht vinden wij nog onvoldoende terug in het advies.

Versterking van de identiteit van het HSAO verwacht de commissie verder door de naam ervan te veranderen. Het huidige ‘Hoger Sociaal Agogisch Onderwijs’ heet dan ‘Hogere Sociale Studies’. De commissie vindt namelijk ‘dat het begrip “sociaal-agogisch” teveel doet denken aan het verleden’. Deze uitspraak duidt op een opmerkelijke en beperkte visie op identiteitsontwikkeling. Een visie die eerder verzwakkend dan versterkend werkt. De term sociaal-agogisch staat voor het ‘begeleiden’ (en waar nodig ‘begrenzen’) dat kenmerkend is voor het handelen van sociaal werkers en vormt daarmee een belangrijk onderdeel van de kennisbasis van het sociaal werk. Hij geeft tevens uitdrukking aan het veranderingsgerichte dat typerend is voor sociale beroepsopleidingen en die zich daarmee onderscheiden van sociaal-wetenschappelijke opleidingen. In de term Hogere Sociale Studies is die eigenheid niet meer terug te vinden. Dan lijken ons namen als Hogere Opleidingen voor Sociale Beroepen of Hogere Opleidingen voor Sociale Professies nog verkieslijker.

Commissievoorstel 2 ondergraaft identiteit sociale beroepen

Een tweede voorstel ondergraaft zelfs de identiteit van de sociale beroepen. Het betreft het voorstel van de commissie tot specialisatie in de bachelorfase met behulp van een ‘overzichtelijke’ ordening in drie ‘robuuste’ basisprofielen: integraal sociaal werk, sociaal werk in de langdurige zorg, en sociaal werk in het brede jeugddomein. Deze ordening impliceert het loslaten van de huidige indeling die gebaseerd is op ‘traditionele’ beroepen van maatschappelijk werker, cultureel werker** en sociaal-pedagogisch werker. Wij denken dat de beoogde identiteitsversterking hiermee niet wordt gerealiseerd. Eerder zal het tegendeel gebeuren omdat afscheid wordt genomen van bestaande identiteiten en de daarin opgeslagen kennis en expertise. Een voorwaarde voor een stevige, zelfbewuste identiteit, continuïteit, wordt hiermee genegeerd. Relatief robuuste identiteiten, zoals die van de maatschappelijk werker, verliezen dan hun fundament en gaan op in een vagere identiteit. Om in de metafoor van de stam en de takken te blijven: met deze keuze snijdt de commissie de stam los van de wortels. Iedereen kan zich voorstellen wat er dan gebeurt.

Bovendien vinden wij de ordening in deze drie basisprofielen helemaal niet overzichtelijk. Zij lijken gekoppeld te zijn aan drie, zelf behoorlijk verkokerde, landelijke beleidsterreinen in plaats van aan afgebakende handelingsdomeinen van sociale professionals. Integraal sociaal werk en sociaal werk in het brede jeugddomein bevatten bijvoorbeeld veel overlap.

Zolang het probleem van ordening niet bevredigend is opgelost, is het onverstandig om alles top-down overhoop te halen. Zowel vanuit het oogpunt van identiteit als vanwege de enorme materiële en immateriële investering die zo’n reorganisatie vraagt. Bovendien gaat een dergelijke radicale reorganisatie voorbij aan alle vernieuwingen die momenteel al volop binnen de bestaande opleidingen en structuren worden gerealiseerd. Deze vernieuwingen ontbreken echter grotendeels in zowel de analyses als waarderingen van de commissie, wat noch de onderbouwing van het advies, noch een sterk identiteitsbesef van de opleidingen ten goede komt.

Voorstel 3: kijk verder dan wetenschappelijke kennis

Een derde voorstel bepleit opleiding tot een reflectieve professional met een grondige, dat wil zeggen vooral sociaal-wetenschappelijke, Body of Knowledge. Zoals bij het eerste voorstel, is ook in dit voorstel de scheidslijn met de wetenschappelijke opleiding dun. De commissie bepleit weliswaar behoud van het beroepsgerichte karakter maar trekt hieruit geen consequenties voor de kennisbasis. Wij willen dit wel doen en pleiten ervoor om naast wetenschappelijke kennis ook andersoortige kennis als ‘grondig’ te benoemen. We doelen dan op vakmanschap en ambachtelijkheid. Op de, vaak stilzwijgende, methodische en ethische kennis die sociale professionals ‘in de vingers hebben’ of in hun persoonlijke, letterlijke ‘body of knowledge’. Delen van deze beroepsspecifieke kennis en expertise ondersteunt studenten om ‘meer van waarde’ te zijn en helpt het HSAO te voorkomen dat er straks beroepsopleidingen ontstaan zonder beroep.

Onderdeel van het derde voorstel is de keuze van de commissie voor een gemeenschappelijke stam van minstens vijftig procent. Wij vrezen dat sociale professionals hiermee onvoldoende ruimte krijgen om juist hun ambachtelijkheid te ontwikkelen. Deze vraagt immers tijd en ruimte (denk aan de bekende norm van 10.000 ‘vlieguren’) voor het exploreren van een eigen gebied en het ontwikkelen van methodische vaardigheden om ergens echt goed in te worden. Het advies spreekt wel over kennis en houding maar zwijgt over methoden en vaardigheden en dat vinden wij veelzeggend.

Voorstel 4: het moet niet té ingebed bij de overheid

Een vierde voorstel behelst versterking van de inbedding van het sociale domein. Bijvoorbeeld zorgen voor aanspreekpunten bij de overheid, versterken van de preventieve functie en zichtbaar maken van maatschappelijk rendement en effectiviteit van sociale interventies. Allemaal prima, maar we voegen hier graag iets aan toe. Een identiteit kan ook té ingebed raken en dan raakt zij juist verzwakt. Sociale professionals hebben ‘van nature’ al de neiging zich open en responsief op te stellen voor iedereen die hun aanspreekt en iets van hen wil. Op zich een belangrijke sociale eigenschap maar tegelijk vraagt een sterke, onafhankelijke identiteit ook dat zij zich als beroepsgroep geregeld bezinnen op een eigen standpunt op basis van hun eigen traditie, missie, kennis en kunde. Die missie valt niet per definitie samen met de opdracht die het beleid van de overheid impliceert.

Voorstel 5: bij het versterken van samenwerkingsverbanden sluiten we ons aan

Een vijfde commissievoorstel tot slot bevat het versterken van regionale en lokale samenwerkingsverbanden waarin onderzoek, leren en werken worden gecombineerd. Daarover kunnen we kort zijn: daar sluiten we ons volledig bij aan. De commissie pleit in dat verband tevens voor ‘inhoudelijke en thematische prioritering’. Ook dat onderschrijven we, al zijn we minder enthousiast over de exclusieve nadruk op (onderzoek naar) ‘maatschappelijk rendement en effectiviteit’ die de commissie daarbij voor ogen heeft. Dat riekt toch vooral naar onderzoek dat in lijn is met de mainstream van het beleid in plaats van onderzoek dat prikkelt tot discussie en uitnodigt tot politieke strijd, bijvoorbeeld over de groeiende maatschappelijke ongelijkheid.

De commissie maakt overtuigend duidelijk dat de huidige samenleving andere eisen stelt aan de sociale beroepen dan die van dertig jaar geleden. Haar advies stimuleert het HSAO deze uitdaging serieus op te pakken. Dat juichen we toe. Want uiteraard dienen opleidingen zich daartoe te verhouden. Maar dat weten zij zelf ook wel. De voorstellen kunnen hun daarbij ondersteunen, maar vragen ook om aanvullingen en wijzigingen. We hebben daarvoor onze suggesties gegeven. Een versterking van de identiteit van sociale beroepen en opleidingen vraagt om een balans tussen traditie en vernieuwing, tussen duurzaamheid en bijstelling. Wij pleiten voor het versterken van de gemeenschappelijke kern van sociale beroepen met zorg voor hun wortels.

* Zie hiervoor onze beider proefschriften: Lies Schilder (2013) Leren dat maatschappelijk werkt. Het versterken van de beroepsidentiteit van de maatschappelijk werker door middel van leerprocessen op en rond de werkplek. Delft: Eburon. Marcel Spierts (2014) De stille krachten van de verzorgingsstaat. Geschiedenis en toekomst van sociaal-culturele professionals. Amsterdam: Van Gennep.

** Waartoe beroepen als jongerenwerker, sociaal-cultureel werker en jongerenwerker worden gerekend.

Lies Schilder, algemeen directeur Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (NVMW). Marcel Spierts, onderzoeker, praktijkontwikkelaar en publicist.

 

Reacties op dit artikel (2)

  1. Beste Lies en Marcel,
    Dank voor de heldere en krachtige verwoording van jullie standpunt!
    Ik miste in het rapport ook nog de stem van clienten/burgers.
    Daarnaast mist ook een internationale orientatie. Hoe gaan opleidingen in landen om ons heen om met deze context? Zijn er al wielen uitgevonden elders?
    Een gemiste kans van de commissie.
    hartelijke groet,
    Janneke Lakerveld
    docent aan een van de sociale opleidingen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *