Bewonersinitiatieven zijn geen geldverspilling

Burgers die initiatieven ontwikkelden voor hun buurt of wijk kregen daarvoor een financiële ondersteuning. Criticasters zetten dit beleid neer als behaagzieke geldverspilling. Amsterdams onderzoek toont nu aan dat bewonersinitiatieven wel degelijk bijdragen aan actief burgerschap.

De laatste jaren zijn overal in Nederland wijkbewoners in beweging gekomen. Ze knappen samen pleintjes op, onderhouden plantsoenen, proberen de overlast van jongeren te verminderen of zorgen voor ontmoeting tussen bevolkingsgroepen. Dat de overheid wijkbewoners ondersteunt bij het ontplooien van initiatief kan niet automatisch rekenen op politieke instemming. Integendeel: er zijn politici die bewonersinitiatieven liever niet steunen. Zij vinden dat het geld beter uitgegeven kan worden aan sociaal-economische verbetering via onderwijs en banen. Of ze geven de voorkeur aan een bezuinigingsbeleid, vanuit de overtuiging dat burgers pas actief worden als de overheid zich terugtrekt.

Buurtbarbecue als symbool van behaagzucht: onjuist beeld
Volgens de critici is de buurtbarbecue het ultieme symbool van de behaagzucht van de overheid: het zou deel uitmaken van een beleid om wijkbewoners via financiering van allerlei ondoordachte projecten en initiatieven te behagen. Het zou op geen enkele wijze het actief burgerschap stimuleren of de leefkwaliteit in de wijken ten goede komen.

Uit ons representatieve onderzoek naar initiatiefnemers die in 24 Amsterdamse buurten door de overheid worden ondersteund, blijkt dit een onjuist beeld te zijn. De meeste bewonersinitiatieven dragen wel degelijk bij aan de leefkwaliteit in de wijken. Ze stimuleren onder meer de sociale betrokkenheid en creativiteit en zetten deze in concrete actie om. Ook dragen bewonersinitiatieven bij aan het alom gewenste ‘partnerschap’ tussen overheid en burgers, als alternatief voor de klagende en eisende burger versus de afwerende overheid.

Een belangrijke bevinding van ons onderzoek is dat de Amsterdamse initiatiefnemers in het algemeen sterker geworteld en maatschappelijk actiever in de buurt zijn dan de gemiddelde wijkbewoner. Opmerkelijk is dat de initiatiefnemers niet dezelfde mensen zijn die je gewoonlijk bij participatietrajecten tegenkomt: hoger opgeleide autochtone mannen van boven de vijftig. Tot grote verbazing wellicht van menig beleidsmaker bevinden zich er onder de initiatiefnemers relatief veel vrouwen, lager opgeleiden, mensen met een laag inkomen, jongeren en ‘nieuwe’ Amsterdammers. Vergeleken met oudere participatie-vormen als inspraakavonden en interactief beleid spreekt het bewonersinitiatieven-beleid dus kennelijk andere mensen aan.

Overigens hebben ‘nieuwe‘ en ‘oude’ Amsterdammers verschillende motieven om deel te nemen aan bewonersinitiatieven. ‘Nieuwe’ Amsterdammers worden veel sterker dan de ‘oude’ gemotiveerd door sociale en burgerschapsmotieven. In hun activiteiten lijken ze wel weer sprekend op elkaar: ze delen hetzelfde enthousiasme en lopen tegen dezelfde problemen op.

Bewoners willen graag iets doen voor de ander
In het algemeen zijn alle initiatiefnemers sterk gemotiveerd door de wens om iets voor de ander te doen. Hun veelal kleinschalige initiatieven zijn gericht op de verkleining van taal- of ontwikkelingsachterstanden, op het tegengaan van isolement, etnische spanningen en overlast en dragen bij aan de overdracht van burgerschapscompetenties (kennis, deugden en vaardigheden). Er lijkt iets typisch Amsterdams aan dit streven naar binding. Mogelijk heeft dit te maken met het beleid van de stad in meer algemene zin de afgelopen jaren, waarin het tegengaan van polarisatie en radicalisering, bevordering van binding en ontmoeting en ‘de boel bij elkaar houden’ en recenter ‘hoffelijkheid’ als uiting van burgerschap belangrijke kenmerken zijn.

Degenen die in eerste instantie het meeste profijt hebben van de ontplooide bewonersinitiatieven zijn de wijk en haar bewoners zelf. Maar, niet geheel onbelangrijk, ook de professionals worden er wijzer van. In de afgelopen drie jaar, vanaf het moment dat er in Amsterdam budget beschikbaar kwam voor de bewonersinitiatieven, hebben de professionals geleerd dat bewoners veel, maar niet alles zelf kunnen. De rol van de professionals is anders geworden, niet zij maar de bewoners staan centraal bij de diverse bewonersinitiatieven. Het woord zegt het al: de bewoners zelf moeten initiatief nemen, de professional is eerder ondersteuner. Hij moet zich voornamelijk beperken tot het leggen van verbindingen en het bewaken van procedures.

Een geslaagde poging om relaties te creëren
De resultaten van het Amsterdamse onderzoek zijn niet zonder meer vertaalbaar naar de andere steden en gemeenten in Nederland. Door hun gerichtheid op ontmoeting en verbinding wijken de initiatieven in Amsterdam af van de landelijke trend waar bewonersinitiatieven primair zijn gericht op de fysieke verbetering van de buurt. Ondanks de verschillen hebben de bewonersinitiatieven, zowel in Amsterdam als in de rest van Nederland, één ding gemeen: ze proberen nieuwe verhoudingen tussen burgers en overheid te scheppen.

Op basis van ons en ander onderzoek lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat bewonersinitiatieven veel meer behelzen dan het cliché wil: de buurtbarbecue uit de gemeenplaats is in werkelijkheid een redelijk geslaagde poging om relaties te creëren waarin de overheid meer activeert en stimuleert, in plaats van burgers als consumenten bedient. In die nieuwe verhoudingen kunnen wijkbewoners actief inhoud geven aan hun burgerschap. En kan betrokkenheid en begrip tussen burgers en bestuur ook praktisch vorm krijgen.

Evelien Tonkens is bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap bij de afdeling Sociologie en Antropologie van de Universiteit van Amsterdam. Imrat Verhoeven is post-doc onderzoeker aan de afdeling Sociologie en Antropologie van de Universiteit van Amsterdam. Hun rapport ‘Bewonersinitiatieven: proeftuin voor partnerschap tussen burgers en overheid. Een onderzoek naar bewonersinitiatieven in de Amsterdamse wijkaanpak’ is hier te downloaden.

 

 

 

 

Dit artikel is 791 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (3)

  1. In de Haagse Schilderswijk hebben wij dezelfde positieve ervaringen. Wij trokken echter nog een andere belangrijke conclusie. Bij het merendeel van de bewonersinitiatieven is wel enige vorm van begeleiding gewenst.

    Bewonersparticipatie komt tot zijn recht als de bewoners ‘mogen’, ‘willen’ en ‘kunnen’ participeren.

    1. Of bewoners ‘mogen’ hangt sterk af van de manier waarop het wordt georganiseerd door professionals. De zogenaamde bewonersbudgetten lijken daarbij veel beter in te spelen op de behoeften en (on)mogelijkheden van bewoners. In de Schilderswijk werd er een kort en simpel inschrijfformulier ontwikkeld. Dit formulier werd als folder huis-aan-huis in de wijk verspreid en was te vinden op de belangrijkste ontmoetingsplekken in de wijk. Sleutelfiguren uit de wijk hielpen bij de promotie. En voor hulp of vragen konden bewoners terecht bij speciaal ingehuurde bewonersadviseurs. Een dergelijke aanpak is een stuk ‘klantvriendelijker’ dan de beschikbaarheid van stadsbrede subsidiepotjes die vaak verbonden zijn met ingewikkelde inschrijfformulieren, spelregels, verantwoordingssystemen en alleen via een website bekend worden gemaakt. Alleen de welbekende buurtburgemeester komen dan door de wirwar van papieren formulieren heen.

    2. Of bewoners ook ‘willen’ participeren, hangt hier sterk mee samen. Worden zij gestimuleerd om mee te doen? Welke voordelen levert deelname hen op? Voor het eigen en/of het gemeenschappelijk belang? Is het een aansprekende participatievorm wat betreft duur, frequentie, etc.? Ook in de Schilderswijk zag je dat de bewonersbudgetten hele andere mensen stimuleerde om wat voor hun wijk(bewoners) te doen. De wil is er dus wel, alleen moeten hun wensen wel kunnen worden vertaald naar een participatievorm die zij interessant vinden.

    3. Tenslotte moeten bewoners ook ‘kunnen’ participeren. In hoeverre is men in staat om mee te helpen? Hebben bewoners de capaciteiten, de vaardigheden en de tijd om mee te kunnen doen? Onze ervaring is dat bewoners veel zelf kunnen. Alleen om van een idee tot uitvoering te komen, vergt toch wel wat organisatiecapaciteit. Dat zelfde geldt voor financiële afhandelingen. Een groot deel van de bewoners hadden in de Schilderswijk ondersteuning bij nodig. Wat mij betreft niet erg, omdat je er ook veel voor terugkrijgt en het ook helpt in de persoonlijke ontwikkeling van de vrijwilliger.

    Door dit laatste ontstaat er echter wel een (politiek) spanningsveld. Zij die groot voorstander zijn van de ‘civil society’ en de zelfredzaamheid van bewoners centraal stellen, zetten dan vraagtekens bij deze ondersteuning (en vooral bij de bijbehorende kosten) en het nut van deze participatievorm. Dat is jammer, want daarmee gooi je het spreekwoordelijke kind met het badwater weg. Uiteraard moeten de ondersteuners niet het initiatief overnemen, maar wie wil dat bewoners wat doen voor hun wijk zal ook rekenschap moeten houden met het derde aspect van het drieluik mogen-willen-kunnen. En dat verschilt per wijk…

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *