Een sociaal wijkteam is geen container

Sociale wijkteams zijn hot, steeds meer gemeenten hebben ze. Sociale werkers moeten de spil vormen van deze teams: ze zijn sterk betrokken bij het leven in de buurt en wijk, maar ze agenderen geen sociale vraagstukken, zoals sommigen verlangen.

 

In het zorgakkoord heeft de regering 50 miljoen euro uitgetrokken voor het opzetten en uitbreiden van sociale wijkteams in de ruim 400 gemeenten die ons land rijk is. In Leeuwarden, Enschede, Eindhoven, Amsterdam, Utrecht, Rotterdam, Nijmegen en Zaanstad is al enige tijd geëxperimenteerd met sociale wijkteams bij de bestrijding van overlast, in de jeugdzorg en in de buurtzorg. Wat de bestaande teams gemeen hebben, is dat ze laagdrempelig zijn en proactief en preventief werken.

Sociale werker vervult spilfunctie

In het sociale wijkteam, zoals de regering die voor ogen heeft, is een essentiële rol weggelegd voor de sociale werkers. Deze professionals werken generalistisch, in meerdere leefdomeinen. Een door ons geïnterviewde sociale werker omschreef zijn werk als volgt: ‘Als sociaal werker pak ik in principe elke hulpvraag van ongeacht welke doelgroep aan die geen specialistische hulp vereist. De kern van mijn taak is dat ik samen met de bewoner kijk wat er aan de hand is, wat hij zelf kan, waar hij hulp bij nodig heeft en hoe de eventuele hulp zo dichtbij mogelijk is te organiseren, door het sociale netwerk en de buurt in te zetten.’

De werkwijze van de sociale wijkteams en daarmee dus ook van de sociale werkers is samen te vatten in enkele sleutelbegrippen: vindplaats gericht werken, in de wijk aanwezig, gericht op de eigen kracht van de burger, één-gezin-één-plan-één hulpverlener en gezinnen niet loslaten. Het achterliggende idee is dat de burger en de sociale werker gezamenlijk bepalen welke ondersteuning nodig is, in de vorm van aandacht, geld of professionele ondersteuning.

Het sociale wijkteam zegt de burger weinig

Om de aan hen toebedeelde spilfuncties in de wijkteams te kunnen vervullen, moeten de sociale werkers kunnen inschatten wat de vraag achter de vraag is en wie het beste in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien: de burger en zijn omgeving, de sociale werker of de gespecialiseerde professional? Welke ondersteuning ook wordt geboden, de sociale werkers dienen de geplaagde burger te allen tijde te blijven volgen en toe te zien op de effectiviteit van de ingezette interventie. Van hen wordt tevens verwacht dat zij het belang van de gemeente bij efficiëntie strak in de gaten houden.

Anders dan de hulpverleners in de ‘oude’ verzorgingsstaat, worden de burgers voortaan gestimuleerd om zelf hun problemen op te lossen. Dat klinkt eenvoudiger dan het is, want veel burgers weten überhaupt niet van het bestaan van sociale wijkteams, laat staan dat ze verwachten dat die hen kunnen helpen. Of zoals een sociale werker ons in een gesprek vertelde: ‘Het sociale wijkteam zegt de wijkbewoner weinig. Als ze al weten van hun bestaan dan verwachten ze dezelfde hulp als voorheen, zij in een ander jasje gestoken. Het is daarom belangrijk te werken aan onze herkenbaarheid en imago in de buurt’.

Het is wennen geblazen, zowel voor de burger als de sociale werker

Uit de inmiddels opgedane ervaringen met sociale wijkteams is al duidelijk geworden dat het voor alle betrokkenen in het begin behoorlijk wennen is. De burger is niet gewend aan ondersteuning waarbij hij zelf actief aan de gang moet. Soms wijkt hij daarom uit naar andere, traditioneel werkende hulpverleners. De sociale werkers op hun beurt moeten nog de balans vinden tussen wat ze aan ondersteuning kunnen aanbieden en wat burgers vragen. Om het sociale wijkteam tot een succes te maken, is tijd en ruimte nodig zodat zowel burger als sociale werkers hun weg kunnen vinden.  Ruimte moet dan ook echt worden gecreëerd, bijvoorbeeld door andere hulpverleners niet meer toe te laten in de wijk, zoals in Rotterdam en Zaanstad gebeurt. Het betekent ook de gemeentelijke organisatie wijkgericht en dienend aan de burgers en de sociale werkers in te richten, zoals in Eindhoven gebeurt.

Wat daarbij niet helpt, is dat partijen het concept van de sociale werker claimen om de eigen beroepsgroep of methodiek te propageren. Een sociale werker is dus niet de welzijnswerker nieuwe stijl zoals Ard Sprinkhuizen, Margot Scholte en Martin Zuithof die beschrijven in hun boek De generalist, de sociale professional aan de basis. Hun betoog dat sociale werkers een evenwicht moeten zoeken tussen hulpverlening, participatie en samenlevingsopbouw wijzen wij af. Sociale werkers moeten mensen zo toerusten dat hun zelfredzaamheid toeneemt en ze gebruik (kunnen) maken van voorzieningen die ze echt nodig hebben maar moeten geen sociale vraagstukken agenderen. Daar zijn anderen voor.

Noem de sociale werker maar een sociale huisarts

Een sociale werker in een wijkteam is evenmin een achter-de-voordeur-regisseur en ook niet verantwoordelijk voor de coördinatie van de complexe hulpverlening aan multiprobleem gezinnen in overlastgevende situaties. Sociale werkers moeten zorgen voor preventie, voor ondersteuning dus voordat de burger de wereld van de formele zorg binnentreedt.

Als generalisten helpen de sociale werkers burgers, vanuit een eigen, zelfstandige positie, los van tweedelijnsorganisaties, bij het verkrijgen van lichte ondersteuning en wijzen hen waar nodig door. Noem de sociale werker maar een sociale huisarts.

Rogier den Uyl is directeur RadarGroep, bureau voor sociale vraagstukken. Johan Kruithof is wethouder te Apeldoorn.