Burgerlijke ongehoorzaamheid is belangrijk voor democratie

De burger wordt ongehoorzamer en tegelijkertijd neemt het onbegrip voor deze ongehoorzame burger toe. Dit laatste is onterecht, meent Mathijs van de Sande. Een pleidooi voor een herwaardering van de burgerlijke ongehoorzaamheid.

De burger wordt steeds ongehoorzamer. Een greep uit het nieuws van het afgelopen jaar kan dit eenvoudig illustreren. De klimaatactivisten van Code Rood riepen op tot blokkade- en bezettingsacties. Dierenrechtenactivisten knipten hekken open bij de Oostvaardersplassen.

De uitgeprocedeerde asielzoekers van de actiegroep We Are Here kraakten panden – om in te kunnen wonen, maar ook om te protesteren tegen het Nederlandse migratiebeleid. Studenten bezetten universiteitsgebouwen uit protest tegen het bezuinigingsbeleid. En het extreemrechtse Identitair Verzet bezette het dak van een moskee in aanbouw.

De gebruikte actiemethoden mogen van elkaar verschillen – om van de achterliggende motivaties nog maar te zwijgen - maar wat deze voorbeelden met elkaar gemeen hebben is dat men, door de wet te breken, probeert het democratische besluitvormingsproces of de rechtspraak van buitenaf te beïnvloeden.

Onbegrip voor ongehoorzame burger neemt toe

Dergelijke daden van ongehoorzaamheid leiden niet zelden tot discussie over hun democratische legitimiteit: dienen burgers zich niet gewoon bij de gangbare politieke en juridische procedures neer te leggen? Speelt de ongehoorzame burger niet te veel voor eigen rechter?

Terwijl ongehoorzaamheid steeds vaker lijkt voor te komen als politieke uitingsvorm, neemt ook het maatschappelijke en politieke onbegrip voor de ongehoorzame burger zienderogen toe.

Dit is onterecht. Iedere democratische samenleving moet tegen een beetje ongehoorzaamheid kunnen. Sterker nog: de democratie heeft juist groot belang bij burgers die buiten de lijntjes durven te kleuren – zelfs wanneer ze daarbij de wet overtreden. Maar in welke mate, en onder welke voorwaarden, is burgerlijke ongehoorzaamheid eigenlijk legitiem? Wat is er precies het democratische belang van?

Wat is burgerlijke ongehoorzaamheid?

Sinds de opkomst van burgerrechtenbewegingen in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, hebben rechtsfilosofen en juristen zich veelvuldig over dit soort vragen gebogen. Een aantal criteria wordt vaak genoemd in dit debat.

Allereerst impliceert het begrip ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’ dat men niet onbewust, maar juist willens en wetens de wet breekt – hetzij uit protest tegen die wet zelf, hetzij om aandacht te vragen voor een andere misstand.

Tegelijkertijd moet het in ieder geval om een geweldloze daad gaan. Ook dient een handeling publiek en zichtbaar zijn: in dat opzicht verschilt burgerlijke ongehoorzaamheid van heimelijke acties (zoals sabotage) of van dienstweigering uit gewetensbezwaar.

In strijd met de wet, maar wel in de geest ervan

Er zijn verschillende rechtsfilosofische gronden waarop burgerlijke ongehoorzaamheid gelegitimeerd kan worden. Bijvoorbeeld omdat een specifieke wet of beleid achterhaald is, of omdat ze onverenigbaar is met de fundamentele waarden van (een groot deel van) de samenleving.

Vaak volgt dit inzicht pas achteraf: vrijwel niemand zou vandaag de dag nog ontkennen dat Rosa Parks terecht weigerde in de bus op te staan voor een witte passagier. Maar haar daad was, op dat moment, niettemin illegaal. Men legitimeert burgerlijke ongehoorzaamheid ook wel door te stellen dat het de enige manier is om een onzichtbare misstand onder de publieke aandacht te brengen.

De liberale filosoof John Rawls benadrukt in dit verband dat burgerlijke ongehoorzaamheid alleen kan worden gerechtvaardigd wanneer men de legitimiteit van die rechtsorde als zodanig erkent. Weliswaar handelt men in strijd met de wet, maar tegelijkertijd wél in de geest ervan. Ongehoorzame burgers moeten daarom ook bereid zijn om zich achteraf tegenover een rechter te verantwoorden, en hun eventuele straf te accepteren.

Rechtvaardiging op democratische gronden

Burgerlijke ongehoorzaamheid kan daarnaast ook op democratische gronden worden gerechtvaardigd. In onze liberaal-democratische rechtsstaat geldt iedereen weliswaar formeel als elkaars gelijke, maar de werkelijkheid is weerbarstiger. Want wat betekent ‘iedereen’ hier precies? Wanneer, en op welke voorwaarden, telt men als ‘burger’ – en wat voor consequenties heeft dat voor iemands dagelijks leven?

Wat ‘burgerschap’ precies betekent verandert voortdurend en is grotendeels contextafhankelijk. Maar het heeft altijd betrekking op een specifieke politieke gemeenschap.

‘Burgerschap’ is een term die per definitie mensen of groepen in- en uitsluit: het trekt een grens tussen wie wél deel uitmaakt van een politieke gemeenschap en wie niet. Juist dit begrip van burgerschap staat in de eerdergenoemde voorbeelden van burgerlijke ongehoorzaamheid op het spel.

Burger kan niet anders dan ongehoorzaam zijn door uitsluiting

Geïllegaliseerde migranten, zoals de leden van We Are Here, maken wel degelijk deel uit van de Nederlandse samenleving, maar genieten hier geen burgerrechten en hebben geen politieke invloed. Door woonruimte voor zichzelf te kraken vragen zij tevens aandacht voor het feit dat hen als niet-burger een elementair mensenrecht wordt ontzegd.

Klimaatactivisten hebben, voor zover zij burgers met stemrecht zijn, die politieke invloed vaak wél. Maar wat heb je daaraan als je het beleid van grote, milieuvervuilende multinationals wilt veranderen? Want hoewel dat beleid een enorme impact heeft op onze leefwereld, hebben we er als burgers nagenoeg geen directe invloed op.

En wat te zeggen van de niet-menselijke dieren? Weliswaar hebben dieren specifieke rechten, maar zoals dierenrechtenactivisten benadrukken, worden ze wel degelijk stelselmatig uitgesloten uit onze politieke gemeenschap.

Tegen de geldende notie van burgerschap

In al deze voorbeelden blijken de bestaande democratische spelregels te beperkt om een zeker onrecht of maatschappelijk probleem zichtbaar te maken. De democratische orde biedt geen ‘plek’ aan de eisen of belangen van een specifieke groep niet-burgers. Die groep valt buiten haar grenzen. Maar door ongehoorzaam te zijn, en dus tegen de geldende regels en wetten in te gaan, stelt men die grenzen juist ter discussie.

Men is niet zozeer ongehoorzaam als burger (in sommige gevallen is men formeel niet eens burger), maar vooral ook ongehoorzaam tegen de geldende notie van burgerschap zélf. Enige uitzondering hier is de extreemrechtse groep Identitair Verzet: in plaats van de grenzen van het democratisch burgerschap en de daarin besloten uitsluiting te problematiseren, proberen zij deze juist te consolideren.

Oprekken en breken van regels en wetten is ook democratie

Wie zich beklaagt over het feit dat ongehoorzame burgers zich niet aan de democratische spelregels houden, dreigt dus iets elementairs uit het oog te verliezen.

Punt is dat men zich in veel gevallen helemaal niet aan deze spelregels kan houden: niet zozeer omdat ze onrechtvaardig zijn, maar omdat men door die regels wordt uitgesloten. Of omdat deze spelregels aan sommige mensen helemaal geen ruimte bieden om zich überhaupt zicht- en hoorbaar te maken.

De Franse politiek historicus Pierre Rosanvallon heeft het in dit soort gevallen daarom over tegendemocratie. Daarmee bedoelt hij niet dat ongehoorzame burgers of niet-burgers ‘tegen’ de democratie zijn. Hij probeert eerder te benadrukken dat het oprekken, buigen, breken, of verleggen van de geldende wetten en regels evengoed een belangrijk onderdeel van die democratie kan zijn.

‘De democratie’ bestaat niet slechts uit gevestigde instituties of procedures, maar net zo goed uit de pogingen van uitgesloten of onder-gerepresenteerde groepen om hun plek daarbinnen te veroveren. In plaats van hun ongehoorzaamheid te verfoeien of te criminaliseren, zouden we het daarom moeten koesteren.

Mathijs van de Sande is universitair docent in de politieke filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Foto: Bas Bogers (straatfotografie.com)