Een paar jaar geleden liep ik als onderzoeker mee met een wijkteam in Eindhoven. Terwijl ik met een sociaal werker naar het volgende adres liep, vertelde zij hoofdschuddend wat een lokale kwartiermaker over haar werk had gezegd: ‘Sociaal werk is niet heel anders dan wat een barkeeper doet.’ Alsof sociaal werk neerkomt op gezellig kletsen over het leven, en een hand op iemands schouder leggen!
In het algemeen kun je wel stellen dat het beroep een geringe status heeft.
Als dit het beeld is van iemand met verstand van sociaal werk, wat zegt dat dan over het imago van het vak? Dat is vast minder eenzijdig, maar in het algemeen kun je wel stellen dat het beroep een geringe status heeft. Waarom denken mensen dat sociaal werk gemakkelijk is, terwijl tegelijkertijd het beeld heerst dat maatschappelijke vraagstukken steeds complexer worden?
Verborgen vakmanschap
Volgens sociologe Cecilia Ridgeway bestaan er in de samenleving hardnekkige status beliefs: culturele overtuigingen over wie van nature competent is. Mensen vormen dat oordeel vooral op basis van vage statusaanwijzingen (diffuse cues), zoals gender, zorgend werk of het ontbreken van een uniform. Die bepalen sterk de beeldvorming. Pas wanneer we genoodzaakt worden preciezer te kijken, bijvoorbeeld als we voor een onderzoek beroepen op status moeten rangschikken, baseren mensen hun oordeel op concrete zaken (specific cues), zoals iemands verantwoordelijkheden of een diploma.
Op sociaal werk worden gemakkelijk vage statuslabels geplakt
Op sociaal werk worden gemakkelijk vage statuslabels geplakt. Het draait om zorgzaamheid, een kwaliteit die vaak als aangeboren wordt gezien. Het overgrote deel van de beroepsgroep is vrouw, en ‘vrouwelijk’ werk wordt vaak als minder technisch en minder complex gezien. Sociaal werkers dragen meestal geen herkenbaar uniform, geen witte jas of toga. Daardoor ontbreekt een zichtbaar aspect dat hun deskundigheid symboliseert. Door een optelsom van deze statusaanwijzingen lijkt het vak iets wat iedereen met een beetje empathie kan doen.
Hoe misleidend dat is, bleek later die dag in Eindhoven. Dezelfde sociaal werker bezocht een gezin met dreigende huisuitzetting. Tussen twee koppen koffie door stelde ze een crisisplan op, belde de woningcorporatie en regelde een spoedafspraak bij schuldhulp. Van een afstand leek het misschien een gewoon gesprek tussen twee mensen, maar feitelijk schaakte een van hen op meerdere borden tegelijk.
Lawine aan problemen
Door een onderzoek naar richtlijnen voor sociaal werk, dat ik eerder dit jaar met collega’s deed, werd mij eens temeer duidelijk hoe een goed gesprek pas het begin is. Een sociaal werker vertelde over de oudste van drie zonen van een alleenstaande moeder die steeds agressiever wordt. Na een melding van school gaat de sociaal werker in gesprek en direct tuimelt er een lawine aan problemen over tafel: een huurschuld van vier maanden, dreigende huisuitzetting, een openstaande boete bij de zorgverzekeraar, signalen van depressie bij de moeder en zorgen over de veiligheid van de kinderen.
Het is niet alleen goed luisteren dat telt, maar ook analytisch vermogen, risicotaxatie en strategisch handelen
Terwijl ze luistert, ordent de sociaal werker in haar hoofd de informatie: wat is acuut, wat kan wachten, welke belangen botsen? Zij weegt: als ik nú schuldhulp aanvraag, blijft het gezin in huis, maar krijgt de moeder geen directe psychische hulp. Kies ik eerst voor ggz, dan kan de huisuitzetting versneld worden. Vraag ik een beschermingsonderzoek aan, dan kan dat de moeder breken.
In dat eerste gesprek is het niet alleen goed luisteren dat telt, maar analytisch vermogen, risicotaxatie en strategisch handelen. Dat is het verborgen vakmanschap dat sociaal werk onderscheidt van bijvoorbeeld achter de bar staan ‒ met het blote oog niet altijd waar te nemen.
Bezig met de buitenkant
Maar betekent dat nu dat sociaal werk zich statussymbolen moet aanmeten? Dat het allemaal wat theatraler mag met een uniform, meer mannen, en een kantoor met toeters en bellen? Nee, statussymbolen zouden niet nodig hoeven zijn. Dat deze belangrijk zijn, zegt vooral iets over de maatschappij waarin we leven; te veel bezig met de buitenkant. Meer mannen die voor sociaal werk kiezen, is nodig, maar mag geen voorwaarde zijn voor meer respect.
Kortom: geef niet het beroep een make-over, maar erken het verborgen vakmanschap. Wie sociaal werk afdoet als ‘een praatje maken’, miskent de precisie en de doortastendheid die het vak dagelijks vraagt.
Thomas Kampen is socioloog en hoogleraar Sociaal Werk aan de Universiteit voor Humanistiek