‘De menselijke maat moet terug.’ Het klinkt als een nieuw begin, maar ook als een hang naar het verleden. Het is de veelgehoorde wens tot correctie op een systeem dat te kil, te bureaucratisch en te wantrouwend is geworden. In beleidsstukken duikt het al geruime tijd op als weerklank van een verlangen dat op de werkvloer leeft: de tijd hebben om te luisteren naar het verhaal van de ander, geleid worden door interesse in plaats van regels. Hoewel het breed leeft, bespeur ik steeds vaker een lichte vermoeidheid: hoelang hebben we het hier nu al over?
Efficiëntie en responsiviteit
Pim Fortuyn pleitte bijvoorbeeld eind jaren negentig al met veel gevoel voor drama voor herstel van de menselijke maat. Toen stond het begrip vooral tegenover administratieve last in het onderwijs en de zorg die Fortuyn het Paarse kabinet verweet. Vandaag wordt de menselijke maat vooral gepresenteerd als synoniem van de leefwereld en alternatief voor de systeemwereld; vaak gekoppeld aan doorgeschoten wantrouwen van instituties tegenover burgers. De tegenpolen verschillen – toen draaide het om wantrouwen tegenover professionals, nu om wantrouwen tegenover burgers – maar beide worden uitgedrukt als een verlangen naar de terugkeer van de menselijke maat.
Dat verlangens steeds terugkeren, is een belangrijke realisatie voor sociaal werkers
En wie verder teruggaat in de tijd komt andere woorden tegen met een vergelijkbare lading. Marga Klompé sprak in de jaren zestig niet over de menselijke maat, maar over menselijke waardigheid. Daarmee zette zij zich af tegen vormen van liefdadigheid waarin hulp afhankelijk was van aanpassing aan de geldende norm. De terminologie veranderde, maar het verlangen bleef hetzelfde: zie de mens die je voor je hebt, niet een categorie uit het systeem.
Dat verlangens steeds terugkeren, is een belangrijke realisatie voor sociaal werkers. Want wie dat ziet, herkent dat de morele kaders rond het werk voortdurend verschuiven. In sommige periodes was sociaal werk vooral ingebed in een logica van beheersing en voorspelbaarheid, waarin mensen vooral werden gezien als risico’s die gecorrigeerd moesten worden. In andere periodes keerde er daarom een verlangen terug om de burger weer als autonoom te zien, met een uniek verhaal, gevolgd door een tijd waarin de mens als relationeel wezen centraal staat.
Als problemen in een andere gedaante terugkeren, is er wellicht ook eerder een oplossing gevonden
Zonder historisch bewustzijn zouden sociaal werkers deze verschuivingen ervaren als een eindeloze reeks nieuwe opdrachten: eerst normaliseren, dan activeren, vervolgens empoweren, daarna de menselijke maat herstellen, en nu aansluiten bij de leefwereld. Met historisch besef wordt zichtbaar dat het bewegingen zijn binnen steeds terugkerende spanningsvelden, zoals tussen efficiëntie en responsiviteit. Soms wint het efficiëntiestreven en dan volgt er een roep om meer menselijkheid. Daarna blijkt die herwonnen menselijkheid duur en traag, wat leidt tot nieuwe regels en bureaucratie, gevolgd door opnieuw de roep om ruimte en vertrouwen. Enzovoorts.
Dat inzicht mag niet moedeloos maken; het moet kritisch maken. Wie de geschiedenis kent, ziet patronen in plaats van een opeenstapeling van vernieuwingen. Dan blijkt: de roep om de menselijke maat komt niet voor het eerst. Die klinkt luider als het systeem te hard wordt. Dat is geen reden tot cynisme, eerder een uitnodiging om te leren van het verleden. Want als problemen in een andere gedaante terugkeren, dan is er wellicht ook eerder een oplossing gevonden. En dat inzicht werkt weer relativerend, maar mag niet tot onverschilligheid leiden.
Doorgeschoten
Wie herkent dat het beroep al vaker in deze spagaat heeft gestaan, kan met relativeringsvermogen omgaan met verwachtingen van beleid die schuren met de alledaagse praktijk. Het maakt meer reflectief dan reactief. Maar wie de geschiedenis kent, weet ook dat de menselijke maat niet zomaar een modewoord is, maar een signaal dat we ergens in doorgeschoten zijn. Daarom is het zaak om je als sociaal werker te blijven verbazen over hoe krom systemen in de praktijk kunnen werken en om je druk te blijven maken over de problemen waar mensen in terechtkomen.
Thomas Kampen is socioloog en hoogleraar Sociaal Werk aan de Universiteit voor Humanistiek