De terugtocht is de moeilijkste van alle operaties

Een kabinet hoéft niet naar zijn adviseurs te luisteren, dat is nu eenmaal het voorrecht van de machthebber. Maar het zou er wel goed aan doen om het laatste advies van de - opgeheven - Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling ter harte te nemen: treed terug, maar doe het prudent.

De regering is wettelijk verplicht om op rapporten van adviesorganen te reageren. Hoewel er binnen het huidige kabinet een sterke behoefte is om ervan bevrijd te worden, geldt die verplichting nog steeds. In de reacties van kabinetten is overigens een retorische regelmaat te ontwaren. Ze beginnen altijd met het uitdelen van complimenten in de trant van ‘dit is een buitengewoon belangrijk advies over een uiterst prangend sociaal vraagstuk en we danken de raad voor zijn grondige analyse’. Na de pluim volgt steevast de opmerking dat voor zover de aanbevelingen van de raad het kabinet bevallen ‘het al staand beleid is en wij het advies als ondersteuning ervan begrijpen’. In het geval de aanbevelingen van de raad het kabinet niet bevallen, ‘verdienen ze in geen enkele zin opvolging’.

In gebroken wereld helpt waarheid noch moraal

Dit soort reacties heeft bij de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling wel eens tot teleurstelling geleid, vooral bij de raadsleden die geïnspireerd waren door de befaamde uitspraak van de Amerikaanse politicoloog en bestuurskundige Aaron Wildavsky dat de raadgever de waarheid aan de machthebber moet onthullen (‘speaking truth to power’). Anderen, onder wie ikzelf, zijn er echter van doordrongen dat de machthebber het voorrecht heeft om niet naar de waarheid te hoéven luisteren. In samenlevingen als de onze nemen politieke machthebbers nu eenmaal beslissingen over vraagstukken waarover informatie, kennis en waarheid tekort schieten of betwist worden en waarover we als samenleving in morele zin verdeeld zijn. Zoals de Italiaanse filosoof, geschiedschrijver, humanist Niccolò Machiavelli in de 16de eeuw al opmerkte: om te kunnen handelen in het licht van de fundamentele gebrokenheid van de wereld helpt waarheid noch moraal.

En dus vinden wij dat een adviesraad op grond van wetenschappelijke inzichten enerzijds en in het diepe besef dat de politieke machthebber beslissingen moet nemen anderzijds verstandig moet adviseren over de gebrokenheid van de wereld, dat wil zeggen over een wereld van verschil. Een verschil dat de gedaante kan hebben aangenomen van aangename pluriformiteit of van schurende tegenstellingen en soms zelfs van ‘ondraaglijke pluriformiteit’. In die context heeft de RMO jarenlang onderzoek gedaan naar en politici geadviseerd over instituties om met verschil om te gaan. Daarmee doel ik niet op instituties als organisaties, maar als duurzame samenlevingspatronen waarin structurele en culturele aspecten met elkaar worden verenigd en waarmee een verstandige omgang met pluraliteit kan worden gerealiseerd.

Dat heeft tot bijzondere adviezen geleid, die helaas niet zelden werden misverstaan. Natuurlijk, als het advies eenmaal klaar is, dan is het aan de wereld om er mee te doen wat haar goed dunkt, maar toch maak ik graag van de gelegenheid gebruik om nog even iets recht te zetten. Onder de titel ‘De Ontkokering Voorbij’ heeft de RMO in 2008 een rapport uitgebracht dat niet anders geïnterpreteerd kan worden als een lofzang op verkokering. Een ode omdat verkokering in een aantal aspecten de institutionele vertaling is van maatschappelijke pluraliteit en ervoor zorgt dat verschillende waarden en perspectieven met elkaar in botsing kunnen komen en elkaar verrijken. Als wij totaal ‘ontkokerd’ zouden raken, wordt een gezichtspunt dominant en dat is funest voor de democratie.

Overheid moet prudent terugtreden

De raad heeft veel over de democratie geschreven, vanuit de diepe overtuiging dat de belangrijkste waarde in een democratie niet de meerderheid is, maar de minderheid waartoe elk van ons op enig moment, over enig onderwerp behoort. Democratie heeft alleen betekenis als ze verschillen en onenigheid een vreedzaam en institutioneel kader geeft. Niet voor niets, zei de vice-president van de Raad van State dat er tussen democratie en de rechtsstaat een belangrijke relatie bestaat.

De RMO heeft vooral de laatste jaren benadrukt dat wanneer de overheid terugtreedt uit domeinen die van oudsher een verzorgingsstatelijk karakter hebben, dat ze dat prudent moet doen. Het betreft voorzieningen die ooit een particuliere grondslag hadden en waarin burgers, gedreven door een specifieke identiteit, hun opvattingen over solidariteit institutionele vorm gaven. Voorzieningen die zijn verstatelijkt en gecollectiviseerd en in die hoedanigheid uiteindelijk op financiële, beheersmatige en normatieve grenzen zijn gestuit. Het terugtreden van de overheid moet zorgvuldig zijn, in de zin van de-institutionalisering door de overheid en re-institutionalisering door de samenleving. Voor het versoberen van de verzorgingsstaat is een nuancering nodig van de idee van materiële gelijkheid. De rechtsstatelijke vorm van gelijkheid – artikel 1 van de Grondwet – blijft maar wel met dien verstande dat burgers voor de wet gelijk zijn omdat ze verschillen. Als we allemaal gelijk waren, dan zou de juridische en formele gelijkheid van burgerschap immers geen toegevoegde waarde hebben. We hebben de wettelijke gelijkheid nodig om te worden beschermd in onze verschillen. De RMO heeft meermaals gepleit voor uitbreiding, versterking en verdieping van de rechtsstatelijkheid, zeker ook als het gaat om zeggenschap voor burgers.

We hebben helden van de terugtocht nodig

Wat wij nodig hebben – ik keer terug naar de politieke machthebbers - is wat de Duitse essayist Hans Magnus Enzensberger ‘helden van de terugtocht’ heeft genoemd. Enzensberger verwijst daarmee naar het prachtige boek van de Pruisische generaal Carl von Clausewitz uit de 19de eeuw: ‘Vom Kriege’. Von Clauswitz betoogt heel overtuigend dat de terugtocht de moeilijkste van alle militaire operaties is. Dat is verrassend actueel gelet op de militaire conflicten waarin het Westen betrokken is. Maar ook is de vergelijking met de huidige transities, de decentralisaties in het sociale domein , en met het streven naar een participatiesamenleving is natuurlijk evident. Terugtreden is intellectueel, beleidsmatig en juridisch een van de meest complexe operaties van onze staat. Hopelijk zal ook de nieuwe Raad voor Volksgezondheid en Samenleving snel van dat diepe inzicht overtuigd raken.

Bij wijze van afsluiting en eerbetoon aan de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling én zijn geweldige voorzitter een citaat van Enzensberger: ‘Het was Von Clausewitz, de grootmeester van het strategisch denken, die heeft aangetoond dat de terugtocht de moeilijkste van alle operaties is. Dat geldt ook voor de politiek. Het non plus ultra van de kunst van het mogelijke is het opgeven van een onmogelijke positie. Wanneer de grootheid van een held bepaald wordt door de moeilijkheid van de opgave waarvoor hij zich gesteld ziet, dan vloeit daaruit voort dat het heroïsche schema niet alleen gecorrigeerd, maar omgekeerd moet worden. Elke idioot kan een bom gooien, duizend keer zo moeilijk is het om die onschadelijk te maken.’

Paul Frissen is decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur in Den Haag, hoogleraar Bestuurskunde aan Tilburg University en lid van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving.

Dit artikel is een door Jan van Dam bewerkte versie van diens inleiding op het afscheidssymposium van de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling op dinsdag 31 maart 2015.