Bij gemeenten is terecht veel te doen over de financiën in het jaar 2026. Naast de fors lagere uitkering uit het gemeentefonds zijn er nog tal van risico’s en tekorten op taken als Wmo, jeugd en onderwijshuisvesting die onvoldoende afgedekt worden door het Rijk. Er is al sprake van een stevige disbalans tussen taken, middelen en bevoegdheden, en die wordt met deze korting verder vergroot. Dat wil niet zeggen dat gemeenten niet zelf ook in de positie zijn om scherpe keuzes te maken en te kijken naar wat er wél kan.
Geld is niet altijd de oplossing. Soms is geld zelfs het probleem: het blokkeert échte verandering
Soms geldt de financiële stress bij mensen met geldproblemen ook voor lokale bestuurders: het zorgt ervoor dat er niet meer logisch en scherp wordt nagedacht. Bestuurders, adviseurs en zorgprofessionals zouden zich niet moeten laten gijzelen door ‘geldstress’ waar en voor zover dat ook echt niet nodig is. Geld is lang niet altijd de oplossing. Soms is geld zelfs het probleem: het blokkeert échte verandering.
Disbalans
De Raad voor het Openbaar Bestuur heeft recent een rapport uitgebracht onder de titel Afrekenen met disbalans. Er is sprake van een disbalans tussen taken, middelen en bevoegdheden in de medebewindstaken (taken in opdracht van de Rijksoverheid). Deze taken kennen een verschillende mate van beleidsvrijheid. Sommige taken omvatten alleen een opdracht om zich in te zetten voor een bepaald doel (openbaar groen, wegenonderhoud). Bij andere taken ligt vrijwel alles vanuit wetgeving vast en is de speelruimte zeer beperkt (inkomensregelingen of publiekszaken).
Druk op de financiën kan een echte aanjager zijn van verandering, vernieuwing en transformatie
De bekostiging via een algemene uitkering, een specifieke uitkering of lokale heffingen en het risico dat gemeenten daarbij dragen, moet in balans zijn met de mate van beleidsvrijheid. Alleen zo is er sprake van evenwichtige en gezonde bestuurlijke en financiële verhoudingen. Bij een disbalans is er een stevige opschoning nodig van de verrommeling in de bestuurlijke en financiële verhoudingen.
Wat kan er wel?
Hier stopt de verantwoordelijkheid op lokaal niveau echter niet. Hoe terecht lokale bestuurders ook naar Den Haag wijzen. Het is belangrijk dat gemeenten ook op terreinen met een sterke taakopdracht vanuit landelijke wetgeving, zoals werk en inkomen, Wmo en jeugd, scherp kijken naar wat er wél kan. Druk op de financiën kan zo een echte aanjager zijn van verandering, vernieuwing en transformatie.
Een beleidsmatige benadering is het verkrijgen van scherp inzicht in waar de beleidsvrijheid wél zit. Nog te vaak wordt ervan uitgegaan dat de wetgeving uit Den Haag minutieus is voorgeschreven en beredeneerd vanuit wat er allemaal niet kan. Natuurlijk is er ook door jurisprudentie op de gebieden van participatie (werk en inkomen), Wmo (huishoudelijke hulp) en jeugd (algemene voorzieningen, gebruikelijke zorg) nader inkleuring gegeven aan de wetgeving. Maar ook daar is ruimte om scherper naar het doel te kijken en het bestaande beleid minder als vanzelfsprekend te zien. Te dicht bij het bestaande blijven, heeft het risico in zich om ingesloten gewoonten en geijkte patronen ongemoeid te laten.
Er kan vaak meer dan er gebeurt. Door zich te verdiepen in de precieze opdrachtomschrijving blijkt of die ruimte er is en waar die zit. Beleidsvrijheid is vaak ook politieke vrijheid. De decentralisaties naar gemeenten op de gebieden van werk en Inkomen, Wmo en jeugd zijn echter zo snel gegaan dat er door ‘zorgcontinuïteit’ en overhaaste modellen (of modelverordeningen) direct een nieuwe standaard is neergezet die soms maar weer moeizaam van zijn plaats komt.
Welke sociale basisvoorzieningen dragen écht bij aan het hogere doel?
Denken vanuit ‘hoe zou het eruitzien als we opnieuw de taak kunnen ontwerpen?’ creëert alleen al mentale ruimte om de grondslagen van het beleid en de uitvoering te heroverwegen en opnieuw te bepalen. En dat moet dan niet blijven hangen in mantra’s als ‘één gezin, één plan en één regisseur’ en ‘niemand tussen wal en schip’. Daar is iedereen het mee ééns. Die zijn veel te algemeen en die leiden niet tot scherpe keuzes.
Taboes doorbreken
Door naar de grondslagen en fundamenten van het beleid af te dalen, ontstaat ook ruimte om taboes te doorbreken. Wat behoort eigenlijk tot gezond opgroeien en opvoeden en wat behoort tot jeugdhulp? Welke eigen kracht, zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid van ouders, sociaal netwerk, ouderen en anderen mag worden verwacht? Wat verwachten we van de eigen regie van de hulpvrager? Leidt preventie echt wel altijd tot besparing op geïndiceerde zorg? Helpt de hulp die we inzetten eigenlijk wel écht of maken we mensen afhankelijk en/of maken we de problemen erger? Welke sociale basisvoorzieningen dragen écht bij aan het hogere doel? Wat is nu eigenlijk de échte sociale basis in de samenleving? Is ons beleid daar integraal en breed op ingericht? Wat kan de eerste lijn ondervangen en hoever kunnen we bij de geïndiceerde zorg wegblijven? Hoe doorbreken we de kokers tussen onderwijs, jeugdhulp, medische professionals, aanbieders, zorgverzekeraars en andere spelers in de keten? In welke mate kunnen we de toegang ook écht de integrale toegang laten zijn? Hoe effectief en doelgericht is ons subsidiebeleid?
Mensbeeld achter beleid
Bijdragen in een recente essaybundel van de Raad voor het Openbaar Bestuur laten zien dat veel van deze vragen gaan over het mensbeeld achter beleid, de mate van vertrouwen in de hulpvrager, de hulpverleners en tussen beleid en uitvoering, de logica of onlogica van hoe voorzieningen zijn vormgegeven, de versnippering over terreinen heen, de mate van maatwerkgerichtheid van de aanpak. Zo bezien is er veel werk te doen.
Waarom lukt het sommige gemeenten, zoals Leeuwarden en Stede Broec, wel om te besparen op de Wmo? Waarom lukt het weer andere gemeenten wel om uit te komen met het budget voor jeugdhulp? Hoewel de commissie-Van Ark over de Hervormingsagenda Jeugd hiervoor geen eenduidige verklaring heeft kunnen vinden, is het geen reden om fundamentele vragen op lokaal niveau uit de weg te gaan.
Door inzichten te delen met hulpverleners inclusief verwijzers wordt inzicht vergroot en gedrag beïnvloed
Een meer financiële benadering biedt inzicht waar de kosten worden gemaakt en welke patronen en trends zich aftekenen. Hoe verhouden inkomstenstromen zich tot de uitgaven? Alleen mooie Power BI-modellen zeggen niets. Dat komt te vaak neer op presentatie van dezelfde gegevens in een andere vorm. Wanneer worden gegevens écht informatie? Welke inzichten worden eruit gehaald? Welke sturing wordt ermee gegeven vanuit de nagestreefde doelen?
Dichter bij balans
Dit vraagt verdiepend inzicht per regeling, per doelgroep, per aanbieder en waar mogelijk per cliënt. Dit kan als aanknopingspunt dienen om te kijken naar samenhang, stapeling, patronen en of keuzes altijd wel zo logisch zijn. En of de inzet van hulp en voorzieningen wel echt bijdraagt aan het doel. Door op cliëntniveau in relatie tot de cliëntdoelen te kijken, wordt het denken versterkt in wat daaraan bijdraagt en wat niet. Door deze inzichten te delen met hulpverleners inclusief verwijzers wordt inzicht vergroot en gedrag beïnvloed, en ontstaat er een opening voor een gesprek over een andere aanpak of (de duur van) toewijzing van voorzieningen.
Door vanuit zowel een beleidsmatige als een financiële invalshoek fundamentele vragen te stellen bij (de uitvoering van) het beleid op het sociaal domein, komen gemeenten en andere instanties dichter bij een balans tussen taken, middelen en bevoegdheden binnen de invloedssfeer die zij wél hebben.
Peter Verheij Msc RA is associé van Berenschot en lid van de Raad voor het Openbaar Bestuur.
Foto: Cottonbro via Pexels.com