Effect preventieprogramma’s grensoverschrijdend gedrag jongens moeilijk aantoonbaar

Er zijn verschillende programma's en campagnes om seksueel grensoverschrijdend gedrag door jongens te voorkomen of aan te pakken. De effectiviteit van deze programma’s is lastig aan te tonen, concludeert docent en onderzoeker Mirthe Verbeek. Ze geeft tips voor verbetering.

Programma’s als Make a Move en Make a Move+ zijn ontwikkeld voor jongens in de jeugdzorg, op het vmbo/mbo en voor jongens met een licht verstandelijke beperking om te praten over seks, wensen en grenzen. In mijn promotieonderzoek onderzocht ik of die programma’s helpen om de psychoseksuele gezondheid van jongens te verbeteren en om seksueel grensoverschrijdend gedrag te voorkomen. Het blijkt dat de effectiviteit van deze preventieprogramma’s in de praktijk lastig aan te tonen is.

Lastig

Een sensitief thema als seksualiteit is bij jongeren moeilijk te onderzoeken. Bij een antipestprogramma kan je meteen zien of jongeren na afloop ervan beter met elkaar omgaan. Maar je kunt als onderzoeker moeilijk meekijken in de slaapkamer. Bovendien volgen jongeren deze programma’s vaak wanneer ze nog weinig of geen ervaring hebben met seks.

De kracht van preventie is dat het wordt ingezet vóórdat gedrag plaatsvindt. Tegelijkertijd maakt dat het moeilijk om direct na afloop van het programma te kunnen zeggen of jongeren zich echt anders gedragen. De effecten worden vaak niet meteen, maar pas later zichtbaar.

Trainers moeten keuzes maken en daarbij slaan ze soms relevante onderdelen over

Het uitvoeren van preventieprogramma’s voor jongeren over seksualiteit is niet eenvoudig. Vaak bevat de handleiding voor trainers meer oefeningen dan binnen de voorgeschreven of beschikbare tijd past. De Make a Move (+) sessies zijn bijvoorbeeld gemaakt voor 90 minuten, terwijl een schoollesuur meestal 45 minuten duurt.

Ook kan de concentratieboog, zeker bij jongens met een lichte verstandelijke beperking korter zijn dan de programma’s veronderstellen. Trainers moeten dan keuzes maken en daarbij slaan ze soms relevante onderdelen over, zo bleek uit mijn onderzoek.

Doordat programma’s vaak niet geheel worden uitgevoerd zoals door de ontwikkelaars bedoeld, is het extra lastig om de effectiviteit goed te kunnen evalueren.

Dader-slachtoffer

De manier waarop jongens worden benaderd in preventieprogramma’s verdient ook aandacht. Jongens worden nu vooral aangesproken op hun verantwoordelijkheid als mogelijke pleger van grensoverschrijdend gedrag. Doordat jongens vaak zelf ook slachtoffer zijn van grensoverschrijdend gedrag – bijvoorbeeld online, of door andere jongens of mannen - herkennen zij zich niet altijd in de huidige insteek van de programma’s.

Jongeren ontwikkelen hun ideeën over seksualiteit en grenzen niet in een vacuüm

Door hun eigen ervaringen met grensoverschrijding en mannelijkheid voorop te stellen, worden gesprekken over wensen, grenzen en respect herkenbaarder en zinvoller voor de jongens zelf, wat de effectiviteit van de programma’s ten goede zou kunnen komen. ‘Als we een groep jongens bij elkaar zetten en het gaan hebben over seks en grenzen, zal dat toch op z’n minst geen kwaad kunnen?’ Deze aanname klopt niet.

Zeker in een groep jongens kan dit soort gesprekken al snel overgaan in machogedrag en seksistische grappen. Als zulke opmerkingen er steeds doorheen glippen omdat trainers bezig zijn met het afdraaien van de handleiding of ze als onschuldige grapjes zien, kan dit de sociale norm van het accepteren van grensoverschrijding juist versterken in plaats van verkleinen.

Ook ontwikkelen jongeren hun ideeën over seksualiteit en grenzen niet in een vacuüm. Ze nemen opvattingen over uit hun omgeving: van ouders, leeftijdsgenoten en (sociale) media. Een preventieprogramma kan waardevol zijn als startpunt, maar een blijvende verandering in opvattingen en gedrag bereik je niet zomaar. Effect ontstaat eerder als een norm van gelijkwaardigheid en respect actief en breed wordt uitgedragen.

Kansen

Hoewel het uitvoeren en onderzoeken van preventieprogramma’s niet eenvoudig is, zie ik vanuit mijn promotietraject en de ontwikkelingen in het onderzoeksveld vijf kansen voor verbetering.

  • Richt je op haalbare doelen

Er ligt een grote kans in het toespitsen van de programma’s op een beperkt aantal, haalbare en theoretisch relevante doelen. Daarbij is het belangrijk om keuzes te maken. Wat kunnen en willen we écht bereiken, en wat is daarvoor nodig?

  • Veranker programma’s structureel

Trainers geven vaak aan dat steun vanuit hun organisatie en collega’s een duidelijke rol speelt in hoe succesvol zij het programma kunnen uitvoeren. Structurele inbedding in een organisatie kan de kans van slagen aanzienlijk bevorderen.

Door de kernboodschap regelmatig te herhalen, kan die echt blijven plakken

  • Herhaal, herhaal, herhaal

Denk niet: ‘Ik heb nu één keer verteld dat meisjes het niet fijn vinden als je zomaar op hun billen slaat, dus nu weten ze het wel.’ Hoewel jongens na afloop van de programma’s vonden dat ze veel hebben geleerd, konden ze weinig concrete dingen noemen. Door de kernboodschap regelmatig te herhalen, kan die echt blijven plakken.

  • Investeer in de trainer

Een kwalitatief goede programma-uitvoer is minstens zo belangrijk als de opzet en inhoud. Hierin ligt een belangrijke kans om het programma nog effectiever te maken. Trainers hebben daarvoor extra handvatten nodig om goed om te gaan met dit sensitieve thema. Er wordt gelukkig steeds meer gewerkt aan praktijkgerichte en wetenschappelijk onderbouwde tools die hierbij kunnen ondersteunen. Bijvoorbeeld deze handreiking over de piramide van (gendergerelateerd) geweld

  • Samen verder bouwen aan preventie

Tot slot ligt de belangrijkste kans in een betere samenwerking tussen programmaontwikkelaars, trainers, jongeren en onderzoekers waarin iedereen zijn eigen kennis, kunde en ervaring inbrengt.

Als alle partijen goed samenwerken, kunnen ze alle jongeren een solide basis verschaffen om aan hun psychoseksuele ontwikkeling te beginnen. Dat is niet alleen goed voor de jongeren zelf maar ook voor hun toekomstige partners, en de samenleving als geheel.

Mirthe Verbeek is docent Interdisciplinaire Sociale Wetenschap aan de Universiteit Utrecht. Ze promoveerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op het Move Up! project, een multimethode onderzoek naar het bevorderen van de psychoseksuele gezondheid en preventie van seksueel grensoverschrijdend gedrag onder jongens en jonge mannen, waaronder jongens met een licht verstandelijke beperking. Dit onderzoek was een samenwerking tussen de Erasmus Universiteit Rotterdam, Atria en Rutgers, en werd gefinancierd door ZonMW.

 

Foto: CharlesFred (Flickr Creative Commons)

Reacties 1

  1. Maar is het überhaupt al niet stereotyperend en klassenjustitie om dit alleen maar met jongeren te doen met VMBO/MBO of jeugdzorg? Ook hoogopgeleiden hebben soms geen emotionele intelligentie om aan te voelen of missen de informatie van anderen en gaan de grens over. Ditzelfde geldt voor pesten en bepaalde persoonlijkheidstypen die vroeg al dominerend kunnen overkomen (leiderschapsrol elementen maar onderontwikkeld en nog doorschieten), en dat dus niet alleen weggelegd is voor VMBO/MBO, vaak worden deze typen niet naar een sociale cursus gestuurd maar alleen maar de gepeste terwijl de gepeste juist misschien wel eerst in gesprek ging en murw is gemaakt en het creëren van fawn-reactie heeft ontwikkeld. Dit beleidsprogramma smaakt juist naar een indirecte verdeel & heers tactiek en vooroordelen op de lagere klasse.

    Het is weer jammer dat u anders alleen weer deze groep eruit pakt. Al geef je al iets aan met deze zin “omdat trainers bezig zijn met het afdraaien van de handleiding (missen van dus die informatie buitenaf wat er gebeurd) of ze als onschuldige grapjes zien” – ook deze mensen kunnen in dagelijkse leven ook datzelfde doen en dus onschuldig vinden terwijl het niet onschuldig is en dus indirect ook (seksueel) grensoverschrijdend zijn (met dus een hogere opleiding)

    Het is een algemeen probleem en niet alleen een probleem van een bepaalde klasse. Maar helaas (vind ik) zijn we hieraan gewend. De lagere klasse/kwetsbare wordt vaak als risicoprofiel gezien en niet de hoogopgeleide, terwijl die juist de aanstichter kan zijn maar goed in de maatschappij camoufleren, kan meekomen en niet aan de buitenkant wordt gezien want heeft het goed verborgen kunnen weten te houden en/of het manipuleren van omgeving, juist deze mensen ook geen hulp zoeken en ook niet bij jeugdzorg zijn geweest, niet nog in beeld zijn geweest. Laat staan dat juist die kwetsbare op volwasseneleeftijd van diezelfde hoogopgeleiden ook opnieuw slachtoffer kunnen worden en weer niet wordt gezien want incidenteel opgepakt en niet patronen en al als risicoprofiel is aangewezen en dus ook al als verdacht wordt bestempeld.

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *