Grip op het sociaal domein: prestaties van wijkteams meten

Gemeenten hebben de afgelopen tijd veel energie gestopt in het op de rails krijgen van sociale wijkteams. Inmiddels is bij de meeste de basis op orde: er kan gewerkt worden. Nu komt de vraag op of het ook wat oplevert. Er moet dus gemeten worden, bijvoorbeeld met het ‘bollen-model’.

Gemeenten moeten zich nieuwe taken eigen maken en die tegelijkertijd effectiever en efficiënter uitvoeren dan voorheen gebeurde. Het wijkteam is daarbij de spil. Zo’n tachtig procent van de gemeenten werkt er momenteel mee. De teams moeten tot stand brengen dat burgers met elkaar voor elkaar zorgen. Daar waar aanvullend professionele zorg nodig is, moet dat integraal en liefst ook innovatief zijn. En, niet in het minst, omdat de toekomstige zorgvraag groter is dan de beschikbare middelen, moet er een schaarstevraagstuk opgelost worden. De risico’s die aan deze opgave verbonden zijn, zijn niet mis te verstaan. Zowel verkeerd geleverde zorg, als een budgetoverschrijding zijn reële gevolgen.

Waar in het verleden vaak veel nadruk gelegd werd op de inspanning die ergens voor werd geleverd (het aantal ingezette uren jongerenwerk), moet in de toekomst de focus liggen op het maatschappelijk resultaat (afname aantal voortijdig schoolverlaters) van geleverde zorg en ondersteuning. Op lange termijn is het doel om te kunnen sturen op outcome indicatoren, waardoor er meer ruimte ontstaat voor professionals, er minder administratieve lasten zijn en de focus ligt op de mate waarin iets bijdraagt aan de samenleving als geheel.

‘Bollen-model’ voor sturing op het wijkteam

Momenteel zijn er op verschillende plaatsen in het land initiatieven voor de ontwikkeling van modellen van outcome-sturing. Wij ontwikkelden het zogenaamde ‘bollen-model’ (figuur 1) dat een aantal sturingsdimensies onderscheidt tussen raad en college (strategisch/bestuurlijke niveau) en de werkvloer (operationele niveau). Deze dimensies vormen de leidraad voor de sturing en monitoring. Het is de kapstok waarmee wordt gewerkt.

Bollen-model voor sturing op wijkteam

 Figuur 1. Bollen-model voor sturing op wijkteam

De redenering bij dit ‘bollen-model’ is dat er op uitvoerend niveau sprake moet zijn van een adequaat team dat voor zijn taak is toegerust. Op de kwaliteit, samenstelling en werkwijze van de teams kan worden gestuurd. Een goed functionerend team moet leiden tot:

1. Kwalitatief goede hulp, dat wil zeggen cliënten worden er beter van of gaan er niet op achteruit (dimensie hulp);
2. Efficiëntie en binnen budget werken(dimensie geld);
3. Cliënten zijn tevreden (dimensie klant);
4. Wijkteams zijn goed ingebed in de wijk en samenwerkingspartners (huisarts, school, politie) zijn eveneens tevreden (dimensie team).

Als op deze vier dimensies goede resultaten worden geboekt, dan leidt dit tot een goed resultaat voor de samenleving als geheel, bijvoorbeeld in de vorm van minder werkloosheid, betere schoolprestaties en meer zelfredzame burgers. In het model wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende decentralisaties. Er wordt op ‘hulp’ als integraal begrip gestuurd. Het maakt voor een burger immers niet uit vanuit welk budget of vanuit welke wet hij wordt ondersteund, als hij - op voorwaarde dat hij het niet zelf kan - maar geholpen wordt.

Wijk en kosten zijn nieuwe elementen voor professionals

De dimensies kosten en wijk zijn relatief nieuw. Teams krijgen te maken met een schaarstevraagstuk. Zij moeten de keuze maken tussen meer of minder en duurder of goedkoper. Voor veel professionals is dat een nieuw onvermijdelijk element in de wijze waarop zij hun vak uitoefenen. Ook de dimensie wijk is nieuw. De keuze voor het werken met wijkteams impliceert dat een dergelijke werkwijze beter is dan organisatie op een ander niveau. De inbedding in de wijk moet dus iets opleveren, bijvoorbeeld kortere lijnen, minder reistijd en meer lokale maatwerkoplossingen. Door hier bewust op te gaan sturen, zal de kans groter worden dat ze daadwerkelijk een additioneel voordeel opleveren.

Praktijkervaringen: de dimensie hulp bleef iets achter

Recent hebben vijf gemeenten in de regio Rijnmond met behulp van het ‘bollen-model’ een quickscan laten maken van hun wijk- of gebiedsteams. Met de input van 163 medewerkers werden negentien teams met elkaar vergeleken op de dimensies geld, hulp, klant,wijk en team. Het onderzoek heeft geleid tot rapportcijfers per dimensie, per team en per gemeente die kunnen worden afgezet tegen het gemiddelde van alle teams bij elkaar. [1] Voor een fictief team X levert een dergelijke werkwijze informatie op over hoe het team het doet en hoe het zich kan verbeteren.

Opvallend bij dit onderzoek was dat de gemiddelde totaalscores op de dimensies team en klant het hoogst waren (mede afhankelijk van hoe lang het team al bestond). De dimensie hulp bleef iets achter: veel medewerkers vertelden nog zoekende te zijn in hun rol als generalist, aangezien zij van oorsprong gewend waren meer specialistisch te werken. De grootste uitdagingen zaten op de dimensies wijk en geld. Teams waren nog maar beperkt bekend in en met hun wijk. Ook het kostenbewustzijn van medewerkers bleek nog onder de maat.

Goede organisatie van cijfers en het verhaal zijn belangrijk

Het is verstandig om een monitorinstrument in afstemming met de wijkteams te ontwikkelen. Dit vergroot de praktische uitvoerbaarheid en het draagvlak. Bovendien krijgt daarmee het denken en handelen vanuit de verschillende dimensies een extra impuls. Het meten en rapporteren moet vervolgens verankerd worden in systemen en processen. In sommige gevallen dient er bovendien afgestemd te worden met aanbieders en samenwerkingspartners omdat zij ook input moeten geven voor de sturingsinformatie. De totstandkoming van de cijfers moet dus worden georganiseerd.

Even zo belangrijk is het organiseren van het verhaal achter de cijfers. Het is een kwestie van tellen en vertellen. Er moet een proces van leren en verbeteren in de teams worden georganiseerd, waarbij rapportages het vertrekpunt zijn, gesprekken voor verdieping zorgen en verbeteracties het sluitstuk zijn. Want wat de transformatie ook moge zijn, hij begint met een visie en wordt ondersteund door een goed instrumentarium. Pas als beide goed zijn vorm gegeven, ontstaat er grip op het sociaal domein.

Michel de Visser is zelfstandig organisatie-adviseur. Met dank aan Tom van Yperen voor zijn commentaar op een eerdere versie van dit artikel.

Noot
1. Resultaten zijn geleverd aan de deelnemende gemeenten, maar nog nergens gepubliceerd. Belangstellenden kunnen meer informatie krijgen bij: m.devisser@mdva.nl.

Foto: Pieter Musterd (Flickr Creative Commons)

Reacties op dit artikel (3)

  1. Mooi initiatief! Als je het goed doet helpt dit, denk ik, ook de band en het contact tussen professionals van het wijkteam en ‘de wijk’ vergroten.

    Ik heb wel wat vraagtekens bij de manier waarop je kostenbewustzijn bij de medewerkers wil plaatsen. Hoe gaan zij daar in het dagelijks werk mee om. Ook met in mijn achterhoofd de berichtgeving over het gezin in Zoetermeer waar het al snel ‘wel wat minder kon’ met de ondersteuning.

  2. Prestaties meten, de effecten in de samenleving maar vooral of een burger goed geholpen wordt bij problemen in de sociale en financiële sfeer. We moeten echter niet door slaan in wat filosoof en organisatiedeskundige Tené ten Bos #resultatitis noemt.

    Zie ook het verslag van de studiedag van 12 juni 2014, ‘resultatitis, de zin en onzin van prestatiesturing’, georganiseerd door deNijsHejnen.

  3. Hoi Michel, wat goed dat je er in samenspraak met deze gemeenten in bent geslaagd om tot een handzaam dashboard te komen. Mooi als deze gemeenten dezelfde meetlat een tijdje blijven gebruiken, zodat ze een ontwikkeling kunnen zien.

    En ook op andere niveaus kan je dashboards ontwikkelen. Zo hebben wij vanuit de MOgroep onlangs onze leden, de organisaties voor sociaal werk, gevraagd naar hun voorlopige ervaringen met sociale (wijk)teams. Dat leverde een gevarieerd maar toch ook wel zorgelijk beeld op, zie de bijlagen bij http://tinyurl.com/qbo3eut. Zaken waarop veel gemeenten sterk de nadruk leggen – zoals resultaten, procedures, rechtmatige besluiten zoals indicaties, en financiële kaders – verdienen zeker aandacht, maar tegelijkertijd zou voldoende gelegenheid moeten zijn voor samenwerking met lokale partijen en burgers, en voor ondersteuning van een zoveel mogelijk zelforganiserende civil society. Als deze balans tussen systeemwereld en leefwereld er niet is dan draaien de teams volgens onze leden een stuk minder goed dan wanneer deze balans er wel is. Als dashboard om deze balans te duiden en te volgen hebben wij ons laten inspireren door een model met vier kwadranten uit een uitstekende publicatie van het NSOB: Sedimentatie in Sturing. Zie http://www.nsob.nl/wp-content/uploads/NSOB_Sedimentatie_web_cor-2.pdf.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *