Hans Achterhuis na dertig jaar herlezen: Ongekend radicale kritiek op welzijnswerk

Bijna dertig jaar geleden verscheen het roemruchte boek De markt van welzijn en geluk van Hans Achterhuis. De filosoof maakt daarin korte metten met de welzijnssector, en had daarmee veel invloed op de publieke opinie en het beleid. Hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam Jan Willem Duyvendak herlas de bestseller, en was verrast door de radicaliteit van het boek.

Voordat ik inga op een viertal aspecten van het boek De markt van welzijn en geluk (1980), eerst iets over mijn eigen achtergrond en betrokkenheid bij het onderwerp van dit boek.

Zowel in de tweede helft van de jaren negentig, toen ik bijzonder hoogleraar samenlevingsopbouw aan de Erasmus Universiteit Rotterdam was, als in de eerste helft van dit decennium als directeur van het Verwey-Jonker Instituut, is het mij opgevallen hoe theoretisch en empirisch armoedig het welzijnsveld en het wetenschappelijk onderzoek naar het welzijnswerk ervoor staan. De academische belangstelling voor ‘sociale interventies’ is naar mijn idee nog steeds beperkt – hoezeer hieraan ook wordt gewerkt. Ik zal niet meteen zeggen dat we de andragologie die Achterhuis in zijn boek bekritiseert node missen, want ik weet niet hoe de andragologie er nu zou hebben uitgezien. Maar ik weet zeker dat het welzijnswerk lijdt onder de geringe wetenschappelijke belangstelling, en dat heeft mede te maken met het opheffen van deze academische discipline in 1985.

Wie De markt van welzijn en geluk ter hand neemt, zal denken dat Hans Achterhuis geen traan zal hebben gelaten over het verdwijnen van de andragologie, en wie het boek doorleest kan zich eerlijk gezegd wel enigszins in zijn positie verplaatsen. De onbevangen lezer laat zich wellicht al snel door Achterhuis’ argumentatie overtuigen: wat een pretenties van deze marxistische andragologen, nota bene over de hoofden van betrokkenen heen geformuleerd, en geen of nauwelijks bewijs van effectiviteit van al deze agogische interventies. De keizer heeft geen kleren; nee, het is nog erger, de dokter maakt de patiënt ziek. Als ik het boek herlees, denk ik dat dit tot op zekere hoogte een noodzakelijke kritiek was op een te zelfgenoegzame sector met politiek overspannen verwachtingen. Maar bij herlezing werd ik niet zozeer getroffen door de verschillen tussen de marxisten en Achterhuis, maar door hun gemeenschappelijkheden.

In zijn harde gevecht met de marxistische andragologen heeft Achterhuis zelf een opmerkelijk radicale stelling betrokken. Zijn werkhypothese is vanaf de eerste pagina van het boek dat ‘onwelzijn uit welzijnswerk voortvloeit’, ‘het is er intrinsiek mee verbonden’; ‘er kan geen sprake zijn van hervormingen en verbeteringen’; ‘eerder moet worden gedacht in de richting van vermindering van welzijnswerk’ (p. 12). De stelling is dus niet dat welzijnswerk overbodig of futiel is (zoals in die tijd betrokken door Herman Vuijsje en J.J.A. van Doorn), maar dat het werkelijk schadelijk is en in een omgekeerd evenredige verhouding staat tot welzijn. Welzijnsprofessionals kunnen anderen nooit helpen.

Wat is de basisargumentatie van Achterhuis’ idee dat (welzijns)professionals anderen niet/nooit werkelijk kunnen helpen, aangezien ze hen afhankelijk maken en hen aantasten in hun autonomie? Waarom, zo vraag ik me ten tweede af, vond deze gedachte zo’n weerklank? En ten derde: is een publieke filosoof verantwoordelijk voor de politieke resonantie van zijn ideeën? Tot slot sta ik, in alle bescheidenheid, kort stil bij de vraag hoe dit boek past in het bredere oeuvre van Hans Achterhuis – een oeuvre dat, zo zal ik betogen, in zekere zin gekenschetst kan worden als ‘antihumanistisch’.

Radicale stelling

Ten eerste de aard van Achterhuis’ argumentatie: zoals de filosoof zelf vanaf de eerste pagina van zijn boek aangeeft, wil hij ook een radicale stelling betrekken. Hij heeft zijn geduld verloren met mensen die zeggen dat het welzijnswerk in een bepaalde situatie wellicht niet erg effectief is geweest, maar dat het beter kan. Op basis van een naar mijn idee weliswaar aansprekende maar toch zwakke bewijsvoering – een mengeling van anekdotisch empirisch materiaal en een principiële filosofische kritiek, die zwaar leunt op Illich – luidt zijn conclusie niet alleen dat tot nu toe nooit ‘het goede’ is gedaan, maar dat professionals nooit ‘het goede’ kunnen doen. Professionals maken mensen ziek, zwak, afhankelijk.

In De markt van welzijn en geluk is geen sociale wetenschapper aan het woord die in alle rust onderzoekt – aan de hand van heldere op de situatie toegesneden criteria – of een professional iets nuttigs heeft gedaan, of een beetje, of een beetje wel en een beetje niet. Nee, hier komt de koning-filosoof de principiële onmogelijkheid van goed welzijnswerk vaststellen (althans in het kapitalisme; daarna zou het overigens überhaupt niet meer nodig zijn). Het was in die tijd in de mode om van je geloof te vallen en Hans Achterhuis deed dat ook, in dit geval met betrekking tot het geloof in het verbeteren van de mens door sociale professionals. De kritiek was van het type zoals gebruikelijk in die jaren: het welzijnswerk werd ‘ontmaskerd’; sociale interventies konden totaal niet deugen. De overspannenheid van die tijd weerspiegelt zich in de absoluutheid van de stelling.

Hoewel Achterhuis op onderdelen mogelijk volkomen gelijk had, ben ik bij herlezing verrast door de radicaliteit van zijn boek. Achterhuis is namelijk vele malen radicaler dan de bekendste criticus van welzijnswerk van dit moment, de Engelse psychiater Theodor Dalrymple. Ik ben het heel vaak – empirisch en normatief – oneens met Dalrymple, maar toch vind ik zijn type kritiek verre te prefereren boven het type argumentatie van Achterhuis. Dalrymple gaat namelijk niet uit van de a priori gedachte dat professionals nooit het goede kunnen doen, maar stelt zich de vraag waarom ze in de praktijk in zijn ogen zo vaak niet het goede doen (vervolgens stelt hij voor hoe dat wel zou kunnen: niet met dat softe linkse gedoe, maar door veel straffer optreden). Bij Achterhuis is er geen toekomst voor professionals omdat zij als ‘soort’, qualitate qua, niet kunnen deugen; zijn boek is niet een pleidooi voor andere zorg / ander welzijnswerk maar simpelweg voor minder professionals. Deze ‘ontkenningsthese’ is van een ongekende radicaliteit.

Het dogma van autonomie

Waarom vond deze kritiek zo’n enorme weerklank, en waarom bleef het zo stil vanuit andragologische hoek? Dat valt voor een groot deel te verklaren uit de radicaliteit van Achterhuis’ hoog ideologische boodschap (en wat wellicht begrijpelijk was in die tijd van zijn strijd met de hoog ideologische marxisten). Achterhuis liet haarscherp de inconsequentie en inconsistentie zien van de paternalistische marxisten die opkwamen voor de autonomie van mensen (de paternalismeparadox). Betrapt als paternalisten, kozen de meeste welzijnswerkers en andragologen begin jaren tachtig massaal voor ‘empowerment’, ‘eigen kracht’, ‘het cliëntenperspectief’ en alles wat maar deed denken aan autonomie. De jaren tachtig vormden het decennium waarin iedere vorm van paternalisme zwaar onder druk stond: het was de finale overwinning van de jaren zestig en zeventig, die zich nu als boemerang tegen linkse betweters keerde.

Ik heb in mijn boek De planning van ontplooiing uitgebreid kunnen laten zien hoe de licht romantische en liberale gedachte van autonomie een enorme aantrekkingskracht op ons allemaal heeft gehad. Als er iets succesvol ‘gemarket’ is de afgelopen jaren, dan is het wel de gedachte dat afhankelijkheid iets betreurenswaardigs zou zijn, dat professionele zorg liever vermeden moet worden, dat we niet alleen economisch zelfstandig zouden moeten zijn maar ook zorgzelfstandig. En zeker, er valt veel voor autonomie te zeggen, maar dat betekent niet dat je ‘voor of tegen’ autonomie zou moeten zijn.

Wie naar de alledaagse leefsituatie van kwetsbare burgers kijkt, zal zeggen: ‘Autonomie, tsja, nou mooi, soms, hier en daar, met mate.’ Wat is de zin van een algemene, principiële kritiek op paternalisme? Geen, lijkt me, want of ‘bestwil-interventies’ nuttig en nodig zijn, hangt af van de concrete situatie: is iemand in staat zichzelf te helpen? Is uithuisplaatsing wellicht toch nodig? Moeten we daarvoor ongevraagd achter de voordeur komen, et cetera? Aangezien voor de principiëlen iedere interventie er een te veel is, komen contextuele factoren echter niet eens meer in beeld.

Natuurlijk, de principiëlen hadden gelijk toen ze in de jaren zestig een algemene kritiek op het paternalisme van de jarenvijftigmentaliteit formuleerden. Die kritiek is ook buitengewoon effectief geweest: onze samenleving is vergaand gedemocratiseerd en verhoudingen zijn gehorizontaliseerd. Die kritiek is misschien wel iets te effectief geweest, want mondigheid ontspoorde en ontspoort nogal eens in grotemondigheid (zie bijvoorbeeld de boeken van Jos van der Lans en Evelien Tonkens), en van al te veel respect voor professionals zijn we in een situatie terechtgekomen waarin hun gezag minimaal is geworden en ze regelmatig worden geschoffeerd, zo niet erger (vandaar de publicaties over beroeps(z)eer en beroepstrots). Wat in een bepaalde context – namelijk kritiek op de jaren vijftig – adequate kritiek was, werd door Achterhuis en anderen omgezet in een principiële, radicale kritiek die ieder professioneel handelen verdacht, en ieder paternalistisch optreden onmogelijk maakte.

Het heeft dan ook jaren geduurd voordat een pleidooi voor paternalisme überhaupt weer kon (met veel dank aan Jos van der Lans en Paul Kuypers), en het debat weer kon gaan over de vraag welk type professionals of interventies adequaat is. En, wat mij betreft: welke grenzen daar wellicht niet overschreden moeten worden. Nu kunnen we weer een praktische en profane discussie voeren over hoe professionals anderen kunnen helpen (of niet) in plaats van die religieuze vraag of professionals überhaupt wel kunnen deugen. In die zin zijn we Achterhuis gelukkig ver voorbij, al blijft de professionele status van veel welzijnswerk nog erg kwetsbaar. Bovendien blijven dogmatische opvattingen over autonomie nog volop rondzingen – zie het dogma dat iedereen zo lang mogelijk zo zelfstandig moet blijven wonen – ook al wordt tegenwoordig erkend dat professionals kunnen bijdragen aan de bevordering ervan.

Gemakkelijk te misbruiken

Dat brengt me bij de derde kwestie: de verantwoordelijkheid van de auteur voor deze impact en het gebruik of misbruik door derden. De vraag naar de impact is lastig, want die is nooit goed onderzocht. Natuurlijk, we kunnen wijzen op de enorme oplage die het boek haalde en hoe vaak het is aangehaald in politieke discussies. Maar dat maakt Achterhuis wellicht te groot, alsof hij alleen stond, terwijl Herman Vuijsje, Van Doorn en vele anderen ook kritieken op het welzijnswerk hadden geformuleerd. Daar komt bij dat het boek, zo zwaar leunend op Illich en een bepaalde lezing van Foucault, ook weinig originaliteit claimt. Tegelijkertijd was de kritiek op het welzijnswerk, namelijk dat het onmogelijk het goede kon doen, nog nooit zo radicaal en van binnenuit geformuleerd: door een filosoof die bij de Amsterdamse andragologen werkte (in die zin is er een interessante parallel met Paul Scheffer, die juist als PvdA’er veel zeggingskracht had als criticus van ‘de multiculturele samenleving’).

Ik denk niet dat je als (publieke) wetenschapper verantwoordelijk kunt worden gehouden voor hoe anderen jouw verhaal precies gebruiken; dat zal nooit zo zijn als jijzelf beoogt. Vanzelfsprekend ben je wel verantwoordelijk voor de inhoud van je boodschap en, mijn belangrijkste punt hier met betrekking tot Achterhuis, met name voor de radicaliteit ervan: hoe radicaler, hoe groter het risico dat anderen de boodschap verder zullen versimpelen, met alle mogelijke maatschappelijke gevolgen van dien.

In die zin moeten we bij de impact ook niet alleen of zozeer kijken naar de omvang van bezuinigingen die mede met een beroep op De markt van welzijn en geluk zijn gelegitimeerd, maar met name naar de inhoudelijke doorwerking, namelijk de vermarkting van de wereld van zorg en welzijn die mede hierdoor is gestimuleerd. Annemarie Mol schetst in De logica van het zorgen hoe in plaats van die zorglogica de logica van het kiezen de wereld van zorg en welzijn is gaan overwoekeren, waarin professionals een vanzelfsprekende, soms belangrijke en dan weer bescheiden rol hebben. Is Achterhuis daarmee verantwoordelijk voor de dominantie van de logica-van-het-kiezen in de wereld van zorg en welzijn (met name ook bij cliënten- en patiëntenorganisaties)?

Nee, natuurlijk niet. Maar zijn overaccentuering van het belang van autonomie is – door haar radicaliteit – wel erg behulpzaam geweest in de ontwikkeling en dominantie van een liberaal verhaal over kiezende individuen, professionals die met wantrouwen bejegend moeten worden, ‘afgerekend’ moeten worden. Begrijp me goed: dat de jaren tachtig en negentig zulke liberale decennia zouden worden, voorzag niemand in de jaren zeventig (integendeel). In die zin is het reconstrueren van invloed, van het effect van discursieve verschuivingen, ook iets heel anders dan het toeschrijven van ‘schuld’. Maar ik denk wel dat de radicaliteit van Achterhuis’ these te denken moet geven – niet alleen omdat die wetenschappelijk onhoudbaar was en is, maar ook omdat dat type ideologische stellingname zich maatschappelijk en politiek gemakkelijk laat gebruiken/misbruiken.

Cynisch mensbeeld

De vraag is wat mij betreft niet zozeer of Achterhuis zich verantwoordelijk voelt (dat hoeft van mij niet), maar veeleer of hij gelukkig is met het effect van zijn boek. Gelet op de strekking van zijn latere oeuvre zou mijn guess zijn dat hij nog steeds tamelijk dicht bij de kerngedachten uit De markt van welzijn en geluk staat. Mijn voorlopige en bescheiden observatie is dat, afgezien van Filosofen van de derde wereld, al Achterhuis’ boeken zich laten lezen als geschriften waarin wordt gewaarschuwd voor mensen die ‘goed’ willen doen. Of ze nu oorlog willen voeren vanwege humanitaire redenen, enthousiast zijn over een utopisch ideaal of de intentie hebben anderen te helpen, het zal altijd uitlopen op ellende, het tegendeel wordt bereikt van wat wordt beoogd. Maakbaarheidsambities leiden in de praktijk volgens Achterhuis niet tot een futiel effect, maar tot perverse effecten. Mensen die het goede nastreven, zijn tamelijk gevaarlijk in de ogen van Achterhuis: optimisten stemmen hem pessimistisch, in die zin heeft hij een enigszins cynisch en tragisch mens- en wereldbeeld.

Zonder dat ik ook maar een moment wil ontkennen dat juist ook de recente geschiedenis de gevaren van grote maakbaarheidsambities heeft laten zien, is de gedachte dat mensen die het goede nastreven, via politiek of professie, per definitie het kwade zullen bevorderen, veel te algemeen, te filosofistisch. De ene utopie is de andere niet; de ene humanitaire interventie is de andere niet; de ene vorm van welzijnswerk of zorg is de andere niet. In algemene zin valt over het nut en de legitimiteit van humanitaire interventies – op welke schaal dan ook – weinig te zeggen, lijkt me. Wie De markt van welzijn en geluk herleest, laat zich al snel verleiden door de aansprekende voorbeelden die Achterhuis geeft van onzinnige, lachwekkende en soms zelfs schadelijke vormen van welzijnswerk en zorg. En ook vandaag de dag zijn er daarvan nog voorbeelden. Maar het pijnlijke is dat de geringe professionaliteit van het welzijnswerk mede het gevolg is van de professionaliseringskritiek van Achterhuis en anderen. De radicale kritiek heeft radicale consequenties gehad. Laten we in het vervolg genuanceerde, empirisch gefundeerde kritiek formuleren die kan leiden tot verbetering van welzijnspraktijken. Reformisme is altijd beter dan radicaliteit – juist de anti-utopische Achterhuis zou dat moeten kunnen beamen.

Dit is een ingekorte en enigszins bewerkte versie van een lezing die Jan Willem Duyvendak, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, op 11 juni jl. hield voor een groep andragologen