Meer aandacht voor belang van deelnemers aan enquêtes

Is Nederland steeds meer enquête-moe geworden? Of sluit communicatie rond onderzoeken niet meer aan? En wat zijn oplossingsrichtingen? Joost Kappelhof (SCP) en Barry Schouten (CBS) beschouwen de stand van zaken.

Uit een vergelijkende internationale studie enkele jaren terug bleek dat de afgelopen dertig jaar de gemiddelde respons op grote landelijke onderzoeken per jaar zo’n 0,5 tot 1 procent is afgenomen (Luiten e.a. 2020). De psychologische grens van 50 procent wordt vaak niet meer gehaald. Dat terwijl de relevantie en de urgentie van kennis over hoe Nederland denkt en leeft in een schijnbaar steeds meer gepolariseerde samenleving alleen maar toenemen. Wij staan hier stil bij twee mogelijke oorzaken.

Bij teruglopende respons wordt snel gedacht aan minder bereidheid en meer weigering. Dat is gedeeltelijk waar

De wijze van communiceren is sterk veranderd. Afgezet tegen dertig jaar geleden, is communicatie nu online, individueel, op elke plek, op elk tijdstip, multimediaal, sterk gedifferentieerd, snel en goedkoop. De veranderingen hebben dan ook een sterke invloed gehad op hoe enquêtes worden georganiseerd en uitgevoerd.

De daling is niet los te zien van de ontwikkelingen binnen communicatie (digitalisering, internet, social media, mobiele apparaten, AI). Bij een teruglopende respons op onderzoeken wordt echter al snel gedacht aan minder bereidheid en meer weigering. Dat is gedeeltelijk waar, maar wat zijn mogelijke oorzaken van die afnemende bereidheid?

Nadat iemand is geselecteerd voor deelname aan een enquête volgen er grofweg zes stappen die van invloed zijn op de kans op deelname: een persoon moet a) toegang hebben tot het enquête-instrument (bijvoorbeeld internet, (smart)phone), b) een verzoek tot deelname zien, c) de enquête-taal spreken en, als er geen interviewer is, voldoende (digitaal) geletterd zijn, d) er fysiek en geestelijk toe in staat zijn, e) ertoe in de gelegenheid zijn tijdens de enquêteperiode, en f) ertoe bereid zijn. Bereidheid om mee te doen, is dus de laatste stap. Voordat die stap wordt bereikt, kan er al van alles goed of fout gaan. En het is daar waar veranderende communicatie een belangrijke rol speelt.

Zo’n twintig jaar geleden werd duidelijk dat vasthouden aan hoge responscijfers niet houdbaar was

Deze ontwikkelingen hebben ook geleid tot (on)bedoelde en (on)voorziene uitruilen bij het (noodgedwongen) inspringen op de mogelijkheden die technologische ontwikkelingen bieden; niet alleen in de mate waarin iedereen bereikt wordt, maar ook in het gevoel dat kunnen deelnemen en ook echt deelnemen van belang zijn.

Van hoge naar representatieve respons

Zo’n twintig jaar geleden werd duidelijk dat het vasthouden aan (zeer) hoge responscijfers niet houdbaar was. De opkomst van internet wees op goedkope alternatieven, telefoon werd persoonlijker en anoniemer, en budgetten gingen blijvend omlaag. Het besef betekende een paradigmawisseling van zoveel mogelijk respons naar een zo gebalanceerd en representatief mogelijke respons. Wat ‘representatief’ is, diende dan wel expliciet gedefinieerd te worden. Ook nu nog wordt de term te pas en te onpas gebruikt, zonder duidelijk te maken wat het voorstelt.

Personen werden meer gereduceerd tot stereotiepe groepen

In de wereld van methodologisch onderzoek ontstond de zoektocht naar goede maten om representativiteit weer te geven en te meten. Softwaresystemen om veldwerk uit te voeren, werden geavanceerder en flexibeler. En de zogenoemde respondent journey werd tot in de details uitgeplozen.

Maatwerk verving de traditionele one-size-fits-all-tactieken. Maar efficiëntie en kostenbesparing bleven de boventoon voeren. Het was: minder doen daar waar mogelijk, en niet per se meer doen daar waar nodig. De ‘traditionele’ communicatievormen bleven grotendeels onveranderd en personen werden meer gereduceerd tot stereotiepe groepen. Zonder wezenlijke verandering ligt communicatiemoeheid op de loer.

Inclusiviteit onder druk

Ondanks de paradigma-verschuiving naar meer maatwerk zien we dat sommige bevolkingsgroepen gemiddeld genomen toch minder snel (blijven) meedoen aan enquêtes. Enkele voorbeelden hiervan zijn Nederlanders met een migratieachtergrond, jongeren of laaggeletterden.

De redenen voor de lagere deelnamebereidheid aan enquêtes zijn divers

De redenen voor de lagere deelnamebereidheid zijn divers. Zo zullen sommigen niet willen of kunnen deelnemen vanwege de benaderingswijze, anderen zijn enquête-moe vanwege de veelheid aan verzoeken tot het meedoen aan onderzoeken, weer anderen vanwege het toegenomen bewustzijn rond privacy of het besef dat hun informatie geld waard is.

Bij andere personen kan de deelnamebereidheid worden bepaald door wat het onderzoek beoogt en wat dit voor hen betekent of kan betekenen, zeker wanneer die personen tot bepaalde bevolkingsgroepen worden gerekend. Dan kan de reden voor weigering ook komen door de gekozen insteek van de enquête-onderwerpen, of gebaseerd zijn op eerdere ervaringen met de wijze waarop de enquête-gegevens zijn geanalyseerd en de manier waarop erover werd gerapporteerd. Men herkent zich er niet (altijd) in of voelt zich op een bepaalde manier weggezet. Dit gebrek aan herkenning kan weer tot gevolg hebben dat de deelnamebereidheid in algemene zin nog verder afbrokkelt. Dit betekent dat er in toenemende mate onzekerheid kan ontstaan over generaliseerbaarheid van de enquête-resultaten richting deze groepen, en bij implicatie, richting de volledige bevolking.

De sleutelgedachte is dat iedereen meer is dan de categorie waarin diegene valt

Om deze ontwikkeling een halt toe te roepen, is er in de afgelopen jaren nagedacht over hoe meer inclusief te zijn bij het ontwikkelen van enquêtes (Bovens e.a. 2021; Sterckx [te verschijnen]). Hierbij valt te denken aan het meer inclusief zijn in de manier van benaderen en informeren van mogelijke respondenten, maar ook hoe belangrijke thema’s worden bevraagd in de enquête en de wijze waarop over personen wordt geschreven. De sleutelgedachte daarbij is dat iedereen meer is dan de categorie waarin diegene valt.

Hoe verder?

Om een gebrek aan inclusiviteit te onderzoeken, zijn verschillende stappen te zetten. Zo kan kwalitatief (voor)onderzoek onder bepaalde bevolkingsgroepen vaak goed zicht bieden op hoe zij over bepaalde thema’s nadenken, hoe men benaderd wil worden of hoe men wil dat er over hen wordt geschreven. Het is mogelijk zogenoemde sensitivity readers in te schakelen uit de onderzochte groepen om projectvoorstellen, vragenlijsten, analyses en vooral ook rapporten te lezen op gevoelige onderwerpen en blinde vlekken.

Terughoudendheid is geboden bij het maken van onderscheid bij personen in een minderheidspositie. Te denken valt aan mensen die minder mogelijkheden hebben of anders bejegend worden in de maatschappij vanwege kenmerken op het gebied van migratie, culturele, etnische en/of religieuze achtergrond, seksuele oriëntatie, gender, ziekte, leeftijd, een beperking, laaggeletterdheid, een lage sociaal-economische status of een combinatie van kenmerken. En wees reflexief wat betreft je eigen aannames over deze mensen en hoe die mogelijk terugkomen in je onderzoek.

Waarde en inhoud van enquêtes moeten beter aansluiten bij het leven en de behoeften van mensen

De beweging naar meer aandacht voor het belang van de deelnemers aan enquêtes is dus ingezet. Maar is dat voldoende? Waarschijnlijk niet. Communicatie moet eigentijds zijn, maar ook opvallend en niet standaard. Een benadering met interviewers straalt daarbij nog altijd belang en interesse uit. De waarde en inhoud van enquêtes moeten beter aansluiten bij het leven en de behoeften van mensen, en minder bij abstract beleid van overheden die minder vertrouwd worden. Opinies zijn er voldoende; nu nog een wijze om deze doelgericht, neutraal en gedragen te verzamelen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zijn hier volop mee bezig.

Joost Kappelhof is afdelingshoofd Data, Methodologie, IT en Informatiemanagement bij het SCP. Barry Schouten is senior methodoloog bij het CBS.

 

Foto: Antoni Shkraba via Pexels.com