Nederland doet het zo slecht nog niet

Dossier

Schnabel neemt NL de maat

Nederland kende weliswaar economisch betere tijden, maar op de keper beschouwd doen we het zo slecht nog niet, zegt de Utrechtse hoogleraar sociologie en voormalig SCP-directeur Paul Schnabel. In een drietal artikelen neemt Schnabel Nederland de maat. Vandaag deel 1.

Nederland is te typeren als het zuidelijkste land van Scandinavië. Dat is niet zozeer  vanwege het klimaat, maar omdat ons land economisch, politiek, sociaal  en cultureel veel gemeen heeft met Denemarken, Zweden, Noorwegen, Finland en ook IJsland. Hoewel we op de keper beschouwd weinig weten over deze landen en hun inwoners weten, voelen we een Wahlverwantschaft met onze noordelijke buren, een erkenning dat de samenleving bij ons ook ongeveer zo is geregeld.

Scandinavië is benchmark voor Nederland

Onze referentielanden zijn Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, maar Scandinavië is onze benchmark. Als wij teveel van de Scandinavische landen gaan afwijken, dan blijkt dat bijna steeds als een achteruitgang gezien te moeten worden.. De Scandinavische landen staan vrijwel altijd in de top 5 of top 10 van internationale ranglijsten over welvaart, welzijn, geluk van de bevolking, tevredenheid met het leven, opleidingsniveau, weinig of geen corruptie, niveau gezondheidszorg, levensverwachting, weinig armoede, sociale veiligheid, economische kracht, lage criminaliteit, democratie, bereid tot ontwikkelingssamenwerking en wetenschappelijke prestaties. Op al die gebieden lijkt Nederland  sterk op de Scandinavische landen. Zij en wij dus ook behoren tot de top van de wereld als het gaat om de kwaliteit van samenleving en staat. Als Nederland de aansluiting met Scandinavië zou verliezen dan betekent dat we op achterstand zijn geraakt en dat willen we uiteraard niet.

Aan de internationale ranglijsten waar ik zojuist naar verwees, wordt politiek en maatschappelijk steeds meer belang gehecht. Voor overheden vormen ze een goede graadmeter voor de positie die hun land in de wereld bekleedt en voor de status die het mondiaal geniet. Een belangrijk referentiepunt is het World Economic Forum (WEF). Elk jaar komen in Davos de politieke en economische leiders van de belangrijkste economieën samen om een week lang te praten over de ontwikkelingen op economisch gebied. Een intensief gebeuren waar een heel instituut achter verborgen gaat dat de bijna 150 serieus te nemen economieën in de wereld jaarlijks met elkaar vergelijkt. Die vergelijking biedt niet alleen een totaal beeld van de wereldeconomie, maar geeft ook een t overzicht van de stand van zaken in ieder van de 150  economieën.

Nederland doet het beter dan menigeen durft te denken of geloven

Nederland behoort al geruime tijd tot de 37 economieën die door het WEF worden beschouwd als innovation driven. Dat is de hoogste categorie van economische ontwikkeling. We staan thans op nummer 8. Heel even heeft Nederland op nummer 5 gestaan, voornamelijk omdat andere landen op het hoogtepunt van de crisis het minder goed deden dan wij. Zwitserland is de meest innovatieve en competitieve economie, op de voet gevolgd door Singapore, Finland, Zweden, Duitsland en de Verenigde Staten. Noorwegen en Denemarken bevinden zich direct bij ons in de buurt. Een paar cijfers om ons nationale ego op te poetsen: Nederland is in infrastructurele zin de mondiale nummer 1 in de scheepvaart, nummer 4 in de luchtvaart en, heel veel mensen zullen dit niet geloven, we zijn nummer elf als het gaat om de beste spoorwegen. Nummer 4 qua gezondheidszorg en nummer 7 als het gaat om de financiële omvang (450 miljard) van de export. Heel goed scoren we ook op onderwijs en de kwaliteit van de rechtsstaat. Nederland staat er kortom helemaal niet slecht op, en zelfs veel beter dan menigeen durft te denken of geloven.

Je kunt eindeloos discussiëren over de vraag of die lijstjes allemaal wel kloppen, maar eigenlijk zijn ze behoorlijk consistent in hun uitkomsten. Eén van die uitkomsten is dat Nederland de laatste jaren wel positie verloren heeft, van gemiddeld de eerste vijf naar gemiddeld de eerste tien. Bijvoorbeeld bij de hoogte van het bruto binnenlands product (bbp), in 2008, aan het begin van de crisis, bedroeg dat  600 miljard euro en dat was in 2013 weer zo. Dat betekent dat Nederland de facto armer is geworden. Als we alleen de inflatie zouden meerekenen, dan had het bbp in 2013 ongeveer 660 miljard euro moeten zijn. Tel je daar een heel bescheiden economische groei bij op, dan had het bbp zelfs 690 miljard euro moeten bedragen. Ofwel, de maatregelen die het kabinet nu moet nemen om de tekorten op de rijksbegroting te beperken, zouden dan niet nodig geweest zijn, want de belastingopbrengsten zouden dan ook 30-40 miljard hoger geweest zijn.

Het Nederlandse servet is geen tafellaken geworden

Het bijzondere is dat de Scandinavische landen minder last van de crisis hebben gehad dan Nederland. Hun economieën zijn minder open dan de onze en hun financiële sector, met uitzondering van IJsland, is minder groot en minder internationaal georiënteerd. Hoewel de stijging pas in 2011 inzette, hebben wij nu naar verhouding ook een hoge werkloosheid. Waren we eerst het Europese land met het laagste werkloosheidscijfer, nu maken we deel uit van een middengroep met, officieel, een inactieve beroepsbevolking van 7 á 8 procent. Feitelijk ligt het cijfer waarschijnlijk echter dicht tegen de 10 procent aan. Studenten blijven langer studeren, meer mensen hebben zich als zelfstandige zonder personeel gevestigd en een onbekend grote groep heeft zich feitelijk van de arbeidsmarkt teruggetrokken.

Die hoge werkloosheid heeft primair te maken met onze open economie, waardoor we heel gevoelig zijn voor internationale ontwikkelingen. Het heeft daarom ook te maken met het mislukte streven van grote Nederlandse bedrijven om wereldspelers te worden. De grote ambities van ABN-AMRO, ING, KLM en Albert Heijn zijn geen van allen gerealiseerd. Hun wedervaren in de afgelopen decennia tonen aan dat het nog niet zo eenvoudig is om van servet tot tafellaken te groeien. In veel gevallen is dat dus niet gelukt en dat heeft de Nederlandse overheid en samenleving heel veel geld gekost. Verder kampt Nederland met de naweeën van de huizenbubbel. Er worden aanzienlijk minder huizen gebouwd dan voor 2008 en dat heeft grote gevolgen voor de hele economie.  We hebben bovendien een van de grootste hypotheekschulden per hoofd van de bevolking van de wereld, 650 miljard euro op ongeveer 4 miljoen huizenbezitters. Dat lijkt misschien niet veel, behalve als je je bedenkt dat iedereen die ná 2000 een huis heeft gekocht (ongeveer een miljoen huishoudens) zijn woning, geheel passend in de oer-Nederlandse traditie, ‘onder water’ heeft staan. De hypotheek is hoger dan de waarde van het huis.  Wat de werkgelegenheid evenmin ten goede komt, zijn de kosten van de arbeid; die zijn hoog, in vergelijking met onze belangrijkste handelspartner Duitsland.

Een laatste factor die ik zou willen noemen, is de politieke instabiliteit. Vanaf 2001 hebben we een bijna Italiaans ritme van kabinetswisselingen gehad. Dat klinkt heel muzikaal maar die voortdurende wisseling zorgt er wel voor dat te weinig van de voorgenomen maatregelen ook wet worden en ten uitvoer worden gebracht. Interessant is dat het kabinet Rutte II met wisselende meerderheden en met steun van delen van de oppositie vrijwel al zijn hervormingen wel door de Kamer weet te loodsen. De nieuwe grote rol die convenanten tussen overheid en maatschappelijke partijen op het gebied van de zorg, de pensioenen of de huisvesting spelen kunnen gezien worden als een herleving van het ‘poldermodel’, al wordt het niet meer zo genoemd.

Privé geluk en maatschappelijk ongenoegen

Ondanks alle problemen en tegenslagen is de positie van Nederland nog altijd heel goed. En dat het met henzelf ook goed gaat, is zelfs nog meer het geval  in de beleving van de meeste mensen. Dat geldt zelfs  voor jongeren,- en dat zijn alle mensen jonger dan 40 jaar -, die leven met het besef dat ze waarschijnlijk geen  vaste baan zullen vinden. . Hoewel op de arbeidsmarkt  meer flexibiliteit absoluut gewenst was, is nu het gevoel dat het juist voor jongeren allemaal wel heel erg flexibel is geworden. Meer dan 80 procent van de jongeren werkt op een tijdelijk contract. En toch, als je Nederlanders vraagt:’ hoe gaat het met u?’, zegt 4 van de 5 Nederlanders gelukkig tot zeer gelukkig te zijn in de persoonlijke levenssfeer. Als je vraagt wie er echt ongelukkig is, dan is dat maar 2 á 3 procent. Het maakt overigens wel uit of je dat mondeling of schriftelijk vraagt, in het laatste geval zeggen iets meer mensen ongelukkig te zijn.

‘Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht’: deze zin geeft aan dat privégeluk in Nederland niet per se gepaard gaat met tevredenheid over de samenleving. Het onverwacht grote ongenoegen over en met de samenleving en de politiek komt voor het eerst massaal tot uiting bij de opkomst en nog heftiger bij de ondergang van Pim Fortuyn. De Paarse kabinetten zouden er een ‘puinhoop’ van gemaakt hebben. Plots was vergeten dat Nederland mondiaal als voorbeeld werd gezien van hoe een markteconomie succesvol kon worden gecombineerd met een verzorgingsstaat. Tussen 1990 en 2000 steeg de welvaart met bijna een derde, sindsdien met niet meer dan een tiende. Dachten we begin 2000 nog dat Nederland bijna klaar was, er waren natuurlijk wel degelijk grote problemen die nog niet het begin van een oplossing hadden gevonden. . Vooral het snel gegroeide aantal nog niet aan de gewoonten van de Nederlandse samenleving gewende migranten,  , de onbeheersbaarheid van de arbeidsongeschiktheidsregelingen, de wachtlijsten in de zorg  en de grotestedenproblematiek vroegen dringend om een oplossing. Op de achtergrond speelde bovendien dat we ons nog onvoldoende bewust waren van de ontzuiling en de gevolgen ervan. Was voorheen het standpunt van de kerk, partij, vakbond of krant richtinggevend, nu moesten we het ineens zelf bedenken.

De socioloog Paul Schnabel was van 1998 - 2013 directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau en is nu onder meer universiteitshoogleraar aan de Universiteit  Utrecht en Kroonlid van de SER. Dit artikel is een verkorte weergave van het eerste hoorcollege van Paul Schnabel over de Staat van Nederland. De in totaal drie colleges worden georganiseerd door Home Academy in samenwerking met de Rode Hoed.

Dit artikel is 1195 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Interessant en leuk stuk om te lezen. De stelling “Nederland doet het zo slecht nog niet” klopt als je kijkt naar de benchmarks. De benchmarks zeggen echter alleen iets over de huidige situatie en niets over het verleden of de toekomst.

    Nederland verhard. Er is steeds meer onvrede en de politiek is vooral de laatste 14 jaar door populisme te versplinterd om daarop adequaat te kunnen reageren. In plaats van polderoverleg, worden belangrijke beslissingen tussen twee partijen genomen op basis van uitruil. Taboes als hypotheekaftrek worden daarbij niet geschuwd. Ook afspraken tussen overheid en de bonden zijn niet meer heilig en kunnen bij het aantreden van een nieuwe vakbondsleider Hans de Boer of door een verandering van inzichten van een politicus net zo eenvoudig weer ongedaan worden gemaakt. De politiek en de vakbonden komen steeds onbetrouwbaarder over op de burger, waardoor de burger steeds onzekerder wordt over de toekomst en in de “spaarstand” gaan zitten in plaats van te investeren in de economie.

    Opmerkingen over “het gaat goed met de Nederlandse economie” doen mij verbazen. Blijkbaar zijn de onderliggende gegevens van deze uitspraak niet gebaseerd op het aantal werkelozen en het aantal faillissementen binnen het MKB. Het feit dat de Nederlandse interne markt (dienstverlenende sector) op slot zit doordat banken steeds minder krediet verstrekken, doet mij vermoeden dat deze economische groei hoofdzakelijk is gebaseerd is op de Nederlandse export (industriële en mogelijk agrarische sector). Dit is fijn voor het hoger management en de aandeelhouders die een mooie bonus ontvangen, maar de medewerker op de werkvloer zal hier nauwelijks iets van terugzien. De vraag is wanneer de banken weer gaan investeren in de interne markt, zodat mensen weer aan een baan kunnen komen. Flexibilisering van de markt door inzet van ZZP-ers is ook geen succes gebleken. Door onderlinge concurrentie moeten ze onder de kostprijs leveren. Dit gaat ten koste van pensioen, etc. en alle gevolgen van dien als deze groep met pensioen gaat.

    Met de introductie van de EU zijn er allerlei nieuwe problemen geïntroduceerd. Nederland moet op allerlei gebied inleveren, zoals: geld (afdracht), cultuur (Zwarte Piet), etc. en veranderingen doorvoeren om bijvoorbeeld de schuldenlast te verminderen, de pensioenen aan te passen en wie weet wat nog meer. Hoe kan de Nederlandse politiek een begroting kloppend krijgen als ze niet weet dat ze het komend jaar plots 4 miljard moet reserveren om te voorkomen dat Griekenland omvalt. Op diezelfde begroting is door het Kabinet Rutte I besloten om de gasbaten op te nemen. Wellicht om te voorkomen dat Nederland anders de 3.0% begrotingstekort zou overschrijden. De laatste jaren profiteert de overheid van 10-15 miljard baten uit deze gasinkomsten. Ik vraag me af hoe goed het gaat met de economie van Nederland als over 10-20 jaar deze gasbaten verdampen. Dit betekent dat Nederland structureel ieder jaar naar alternatieve inkomsten ter grootte van 10 miljard moet gaan zoeken. Hiervoor zou nu al een plan klaar moeten liggen, maar gezien het feit dat Kamp vastklampt aan schaliegas en het kabinet heel hard aan het bezuinigen is op de gezondheidszorg, lijkt het er sterk op dat ze deze toekomstige tekorten willen oplossen door middel van bezuinigingen welke ten koste gaan van onze welzijnsstaat. Vandaar dat we de term welzijnsstaat heel slim al hebben omgedoopt tot participatiesamenleving niet wetende wat de overheid voor ons nog meer in petto heeft.

    Ook fraude doet zich steeds vaker voor. Vooral in bedrijfstakken waar heel veel geld in omgaat. Door mismanagement bij banken en woningbouwverenigingen moest de huizenmarkt op de schop .Om het de Nederlandse burger nog moeilijker te maken in tijden van crisis heeft de politiek gekozen voor het verplicht aflossen van de hypotheek in 30 jaar. Dit betekent dat Jan Modaal (33.000 bruto / 18.000 netto) voor een gemiddelde woning van 240.000 Euro tegen 3.5% naast de jaarlijkse verplichte netto aflossing van 8.000 Euro en 4.872 Euro rente (incl. 42% aftrek) totaal 12.872 Euro kwijt is. Dus per maand houdt Jan 427 Euro over om alle kosten van te betalen. Hopelijk werkt de vrouw van Jan ook en hebben ze geen sturende kinderen! Door deze verplichte aflossing zijn veel starters ook niet in staat om een huis te kunnen financieren, laat staan een of meer kinderen te onderhouden. Dit heeft uiteraard weer gevolgen voor pensioenfondsen, namelijk minder premies die het pensioenfonds binnenstromen. Ook het jaarlijks verlagen van de hypotheekaftrek met een 0.5% tot uiteindelijk 38% heeft de nodige gevolgen voor het aanschaffen van een huis, maar vooral ook hele dure woningen. Wie kan straks een huis van > 450.000 Euro betalen als jaarlijks 15.000 euro netto moet worden afgedragen en daarnaast nog eens 9.765 Euro aan rente (incl. 38% aftrek) moet worden afgedragen. Deze huizen worden onbetaalbaar en de huidige bewoners weten nu al dat ze over 20 jaar met de verkoop een heel groot probleem zullen hebben. Nog meer persoonlijke schuld.

    Ook over onze pensioenengelden heeft de hele wereld een mening. De overheid heeft de pensioenleeftijd al verhoogd naar 67 jaar en wil dit compenseren door de pensioenpremie naar beneden te brengen van 2.25% naar 1.85%. Een werknemer draagt 40 jaar lang 2.25% van zijn salaris af en de werkgever trippelt het bedrag. Dus na 40 jaar is een bedrag van 40 jaar * 6.75% = 405% van een jaarsalaris bijeen gespaard. Hiermee kan de werknemer levenslang een pensioen van 70% van zijn jaarsalaris ontvangen. Laten we zeggen dat hij nog 15 jaar leeft is 15 jaar * 70% = 1050%. Dit is een negatief verschil van 645% die door het pensioenfonds moet worden terugverdient via investeringen en beleggingen. Natuurlijk sterven er nog wat mensen en levert gedurende de 15 jaar het pensioengeld ook nog wat rente op (circa 30% bij een rente van 2% per jaar), echter verliezen de pensioenfondsen er toch behoorlijk geld bij. Hierbij komt nog het probleem dat het gemiddelde sterftecijfer stijgt. Als de kinderen die nu geboren worden straks daadwerkelijk 100 jaar worden, betekend dat de pensioenleeftijd opgetrokken moet worden naar minimaal 75-80 jaar om pensioenen nog tot in lengte der dagen uit te kunnen betalen. Over 20 jaar zal blijken dat een langer leven niet perse een gelukkiger leven zal betekenen, ook al ben je volledig gezond. Er zullen dus wellicht in de nabije toekomst ethische kwesties in de politiek moeten worden besproken. Bijvoorbeeld als iemand euthanasie wil plegen maar nog volledig gezond is, staan we dat toe. Of gaan we mensen boven een bepaalde leeftijd nog wel een levensverlengende operatie vergoeden. Dit zal leiden tot enorme klasse verschillen in Nederland, waar nu al een begin van is te zien.

    Ik hoop dat ik een pessimistische kijk heb op de toekomst van Nederland, maar ik ben bang dat de realiteit wel eens verdacht dicht in de buurt van bovenstaande “doemwereld” zal kunnen eindigen. Zijn er mogelijkheden om hier aan te werken. Deels wel.
    1. Geef de Nederlandse burger de mogelijkheid om boetevrij het hele of een deel van de hypotheekschuld af te betalen. Hierdoor daalt ons nationale schuld. Het vermogen van de Nederlanders wordt weer geïnvesteerd in de banken, die vervolgens het geld kunnen investeren in bijvoorbeeld het MKB. Ook de hypotheekrenteaftrek zal behoorlijk verminderen.
    2. Stel op de 650 miljard Euro hypotheekschuld wordt gemiddeld 4% door de bank verdiend. Dit is 26 miljard Euro per jaar. De overheid geeft daarover gemiddeld 45% (42%-52%) renteaftrek terug. Dit is 11,7 miljard Euro per jaar. In feiten praten we hier over verkapte staatssteun aan banken. Waarom zouden we de bank in de komende 10 jaren niet steeds meer van deze renteaftrek terug laten betalen, dan zou de overheid over 10 jaar ieder jaar 10 miljard aan kosten uitsparen.
    3. De hypotheeklasten / huur vormen de grootste lasten voor een gemiddeld huishouden. Waarom moeten huizen stijgen in prijzen. Alle consumptiegoederen die gebruikt zijn, nemen af in waarden behalve als er sprake is van een tekort. Huizenprijzen horen helemaal niet te stijgen doordat woningbouwverenigingen of projectontwikkelaars het aanbod van de huizen reguleren. Een goed huis bouwen voor 100.000 Euro is prima mogelijk. De grond echter wordt vaak weer heel duur verkocht om toch voldoende geld in de gemeentekas binnen te halen. Door de grond niet te verkopen, maar via pacht te verhuren, kan een gemeente op de lange termijn 50-100 jaar veel meer geld opleveren. Daarnaast maakt het ook de aankoop van het huis goedkoper. Stel de pacht op 2% en laat deze over 50 jaar afbetalen. Neem een huis van 350.000 Euro, die voor 150.000 Euro wordt gebouwd, maar voor de grond 200.000 Euro moet worden betaald. Als je nu een hypotheek tegen 3.5% moet afsluiten doe je dat alleen over een bedrag van 150.000 Euro. Over de overige 200.000 Euro betaal je 2% pacht. In plaats van een bruto last van 12.250 Euro is deze gedaald tot 9.250 Euro per jaar. Dit scheelt bijna 25%.
    4. Het direct terugbrengen van de huurprijzen naar bedragen van 10 jaar geleden. De huur worden met opzet verhoogd om zodoende mensen die voldoende geld verdienen uit een huurhuis richting een eigen woning te lokken/pushen. Deze aanpak werkt averechts. Mensen met een laag loon gaan door de hoge huurlasten woonkostentoeslag aanvragen, wat de overheid flink veel geld kost terwijl de woningbouwvereniging de lachende derde is. Door de huren flink omlaag te brengen, zal er veel minder geld uitgekeerd hoeven te worden. Daarnaast kan de wet altijd aangepast worden om mensen met een bepaald inkomen naar rato meer te laten betalen voor de huurwoning.
    5. Een leuk idee maar helaas minder realistisch is om de BTW af te schaffen. Hierdoor kan het salaris van de mensen ook met pakweg 21% (of een ander getal) omlaag worden gebracht. Het bedrijfsleven betaalt de overheid het verschil in salarissen terug via bijvoorbeeld de vennootschapsbelasting. Hierdoor zal de met 20% zakken. Dit heeft grote voordelen: 1. Doordat onze salarissen flink dalen, zijn we voor de buitenwereld plotseling een interessante partner, omdat onze arbeidskosten veel lager liggen dan de overige westerse landen. 2. De afdracht aan de EU is gebaseerd op BTW afdracht en de grote van ons BBP. Helaas heeft een lagere BBP ook weer gevolgen voor de rekenregels die de EU erop na houdt voor het bepalen van de toegestane staatsschuld en begrotingstekort.
    6. Opleidingen en kenniseconomie. Door alle theoretische vakkennis en schoolboeken, etc. gratis op internet beschikbaar te stellen, wordt iedereen letterlijk in staat gesteld om een studie te volgen. Via internet zijn er nog wel docenten beschikbaar om voor specifieke vragen een oplossing aan te kunnen reiken. Zodra je via een examen hebt laten blijken dat je de kennis beheerst, kan je in aanmerking komen voor een opleiding waarin je alsnog via praktijkervaring je diploma kan halen. Veel opleidingen zullen waarschijnlijk zonder praktijkexamen ook kunnen worden behaald. Tevens kan je bij veel opleidingen je afvragen of alle vakken wellicht nodig zijn. In de praktijk blijkt vaak dat veruit de meeste vakken geen of een beperkte toegevoegde waarde hebben. In de praktijk moet je toch vaak via on-the-job werksituaties ervaring opdoen die je verder zullen helpen om die specifieke functie uit te kunnen oefenen. Daarnaast zou het handig zijn om ook het bedrijfsleven bij een dergelijk opgezette informatiebibliotheek te betrekken, zodat aansluiting op het bedrijfsleven veel beter zal verlopen. Dit zou de overheid onzalig veel geld schelen.
    7. Gezondheidszorg. De complexiteit van de zorg terugbrengen naar een systeem waarbij je per persoon kan nagaan wat de gemaakte kosten zijn bij welke behandelingen. Of dit nu kosten zijn van een bezoek aan een huisarts of een ziekenhuis of een overzicht van de kosten die voorkomen uit een zorgbudget of de kosten van een bejaarde die via het CAK wordt doorberekend, etc. Door een versimpeling van de huidige zorgcodering door te voeren, moet het mogelijk worden om te zien hoeveel mensen een bepaald medicijn gebruiken, hoeveel geld er via psychologische ondersteuning is omgezet, hoeveel kosten aan een gemiddelde bejaarde wordt doorberekend. Het systeem hoeft niet ingewikkeld te zijn, echter de partijen afstemmen is een onmogelijke klus, zoals tot nu toe blijkt. Echter wil je serieus bezuinigen op de gezondheidszorg dan zal je terug moeten gaan naar een eenvoudig systeem.
    8. Leger, politie, bewaking. Sommige legereenheden zijn al met Duitsland gefuseerd tot een nieuw legeronderdeel. Een Europees leger zou de kosten nog verder moeten reduceren. Toenemend extremisme kan je met een leger niet voorkomen, daarvoor heb je inlichtingendiensten nodig. Mensen uit het leger zou je naast de huidige activiteiten ook samen met politieagenten en beveiligingsmedewerkers in kunnen inzetten bij grote sportevenementen, in het openbaar vervoer of in wijken waar bepaalde problematiek zich voordoet. Multi inzetbaar stellen en (beperkt) opleiden van deze mensen.

    Ik hoop als de overheid een aantal van deze zaken weet door te voeren, de kosten flink zullen dalen en Nederland er over een aantal jaar een stuk gezonder uit zal zien.

    Met vriendelijke groet,
    Pieter de Lange

  2. Interessant artikel. Ik ben het wel met Pieter eens dat de benchmarks alleen wat zeggen over de huidige situatie en niets over het verleden of de toekomst. Ik ben dan ook erg benieuwd hoe dit zich in de toekomst verder zal ontwikkelen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *