Ouders zijn onmachtig tegenover de school

De leerplichtwet moet kinderen tegen hun ouders beschermen. Is dat geen achterhaalde aanname? In de praktijk hebben ouders juist te weinig macht tegenover school.

Ons onderwijs is een verworvenheid en de leerplichtwet dient als garantie voor onderwijsdeelname: tegenwoordig gaan kinderen doorgaans rond hun vierde verjaardag naar school en vanaf hun 5e tot hun 18e zijn ze hiertoe verplicht. Op het niet nakomen van de eis tot dagelijks schoolbezoek staan straffen en boetes, tot en met ondertoezichtstelling of ontzetting uit de ouderlijke macht. Op deze manier wil de overheid waarborgen dat kinderen minimaal een startkwalificatie (een diploma op mbo-2, havo of vwo-niveau) hebben, en daarmee minimale kansen op de arbeidsmarkt.

Het waren oorspronkelijk vooral de ouders die het konden betalen die hun kinderen naar school stuurden. De wetgeving was bedoeld om de vaak arme en ongeletterde, ouders en kinderen te bereiken die zich nog aan het systeem onttrokken. De vraag is, en deze wordt bijna niet gesteld, of dit nog wel terecht is.

Waarom sturen ouders hun kinderen naar school?

Aanvankelijk organiseerde de bevoorrechte klasse vooral thuisonderwijs voor hun kinderen. Volksonderwijs was voor zowel de kerk als de hogere burgerij een middel om het volk te beschaven. In de negentiende eeuw stuwden kerk en burgerij elkaar op in een schoolstrijd die leidde tot uitbreiding en professionalisering van het onderwijs. De schoolstrijd mondde ook uit in het inmiddels beruchte Artikel 23, dat ouders recht geeft op het stichten van een school volgens hun eigen overtuigingen, mits ze daarvoor voldoende draagvlak weten te creëren.

Het doel van beschaving en disciplinering is nog steeds diep in het onderwijssysteem en zeker in de leerplichtwet verankerd. Daarnaast heeft het onderwijs vanuit de pedagogiek steeds de nadruk gehad op persoonlijke ontwikkeling. Dit is recent nog belangrijker  geworden: een diploma is nog steeds een basisvoorwaarde voor kansen op de arbeidsmarkt. Vooral  degenen die mondig, kritisch en flexibel én hoger opgeleid zijn, maken nu de beste kansen. Ook op scholen heerst het idee dat ze kinderen opleiden tot mondige, kritische burgers.[1]

Het zijn juist de ouders uit de middenklasse die goed onderwijs voor hun kind eisen, en hoe hoger opgeleid of hoe beter geïnformeerd de ouder, des te groter de ontwikkelingskans voor hun kinderen. Niet alleen door de stimulerende thuiscultuur, maar ook door inzet van geld en netwerk: ouders sturen bijvoorbeeld hun kind naar Cito-training of huiswerkbegeleiding. Dit wordt vaak negatief geduid; ouders zouden op deze manier hun kind op een oneerlijke manier betere kansen geven. Maar deze ouders doen precies wat de samenleving van hen vraagt: eigen verantwoordelijkheid nemen.

Machtige scholen, lastige ouders

Merkwaardig genoeg wordt deze kritische houding bij ouders juist door de school niet gewaardeerd. Zij worden gezien als lastig of juist onverschillig, als ouders die zich opstellen als consumenten, als veeleisend, als agressief.[2] Ook wordt er geklaagd dat het gezag van de school en de docent niet langer vanzelfsprekend is.

Niettemin hebben scholen in de praktijk een veel sterkere machtspositie dan ouders. Bij een meningsverschil of probleem stuiten ouders vaak tegen een muur van onwil en verzet. Hun kans op inspraak is beperkt: hooguit kunnen ze een lid van de medezeggenschapsraad aanspreken. Of ze kunnen ‘met de voeten stemmen’, door hun kind naar een andere school te sturen, wat enorm ingrijpend is.

Bovendien blijken scholen vaak niet happig op het accepteren van een overstappend kind: bijvoorbeeld als de nieuwe school onder hetzelfde bestuur valt of wanneer er tussen scholen geheime afspraken bestaan.[3] Het blijkt vaak ontzettend moeilijk om een nieuwe school te vinden, bijvoorbeeld als een school afhoudend is, zoals in dit geval van pesten: ‘Als jullie dochter hier komt, wordt ze waarschijnlijk weer gepest. Daar kunnen wij niet zoveel aan doen, want wij zijn veel groter.’[4]

Institutioneel verankerde onmacht

De macht van de school is institutioneel verankerd door de leerplichtwet. De macht van ouders is echter zeer beperkt. Daarbij is de overheidssubsidie aan de vier verzuilde ouderorganisaties in 2014 stopgezet. In de plaats is een overheidsstichting gekomen waarvan ouders geen lid kunnen worden, die nauwelijks beschikt over specialistische informatie en kritische ouders juist buiten de deur houdt.[5]

De school heeft ook status en overwicht. De school kan individuele ouders labelen als  ‘agressief’, zonder toelichting over de rol van de school zelf. De sociologe Christien Brinkgreve wijst op deze definitiemacht van instituties: ‘Gedrag van sociaal lager geplaatsten of van minder machtigen wordt eerder als negatief gelabeld dan dat van mensen met meer macht en status.’[6]

Het is precies dit institutionele machtsverschil dat ouders zo machteloos en kwaad maakt: niet het functioneren van de school, maar hun kind wordt als probleem aangeduid. Dan kunnen ouders het niet goed doen: ze móéten voor hun kind opkomen, maar ze mogen het niet. Of, zoals Brinkgreve stelt: ‘Er is een discrepantie in onze cultuur die aanspoort om kritisch te zijn, mondig, assertief en niet afwachtend, en de manier waarop je soms door ambtenaren wordt behandeld.’

Een andere machtsbron voor scholen is dat zij beschikken over kennis, dossiers én het kind zelf. De ouder is tijdens de schooldag niet aanwezig en kan niet zien wat er gebeurt. Dat maakt ouders huiverig: als ze kritiek hebben, wat betekent dat dan voor hun kind? Scholen geven ook nauwelijks informatie over andere ouders en hun kinderen, maar beroepen zich op het argument van privacy.

Zo kan het gebeuren dat een pestende leerkracht jarenlang slachtoffers maakt waarvan de andere ouders niets weten. En dat die persoon nog steeds op dezelfde school voor de klas staat. De individuele ouders staan te boek als lastpakken, zéker als zij pedagoog, psycholoog of jurist zijn.

Wie moet er beschermd worden?

 De leerplichtwet berust op de aanname dat kinderen tegen hun ouders beschermd moeten worden. Dit geldt in ieder geval niet voor de meerderheid van de ouders, die prima blijken te weten wat het belang van hun kinderen is, maar die onmachtig staan tegenover de school en de leerplichtwet. Als je je kind thuishoudt omdat het op school gepest wordt of om andere redenen niet past, ben je als ouder strafbaar. Je moét je kind naar een omgeving sturen waar het beschadigd wordt.

De leerplichtwet beschermt nu maar één kant op: scholen worden beschermd tegen kritiek en niet of nauwelijks aangesproken op falen. De onderwijsinspectie gaat immers niet in op ‘individuele gevallen’.[7] Katinka Slump, de advocate die in Nederland opkomt voor de rechten van ouders ten aanzien van het onderwijs, werd in meerdere gevallen door het ministerie van Onderwijs het zwijgen opgelegd. Volgens haar doet het ministerie er alles aan om ouders monddood te maken.[8]

Dit maakt de basis van de leerplichtwet ongeloofwaardig én wreed. Minimaal zouden de rechten van ouders ook wettelijk gewaarborgd moeten worden. Maar bovenal zijn scholen medeverantwoordelijk om kinderen de ontwikkelingskansen en sociale veiligheid te bieden die zij nodig hebben, en daarbij de signalen van de ouders serieus te nemen. Of zoals Brinkgreve stelt: het nieuwe gezag berust niet langer op macht, maar op geloofwaardigheid en verbinding.

Mieke van Stigt is socioloog en columnist van socialevraagstukken.nl. Dit artikel is een ingekorte en bewerkt versie van het stuk dat in het laatste Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken stond.

Foto: Techniker Krankenkasse (Flickr Creative Commons)