VERSLAG Gescheiden werelden in opgeknapte wijken

De middenklasse vestigt zich in toenemende mate in de wijken rondom het centrum van Rotterdam, mede dankzij een stimulerend beleid van de gemeente. Maar de oude en nieuwe bewoners gaan nauwelijks met elkaar om. Dat komt mede doordat er weinig publieke voorzieningen zijn waar mensen elkaar gemakkelijk tegenkomen. Die zijn de laatste decennia wegbezuinigd. 

Kan een stad zijn oude wijken aantrekkelijk maken voor de middenklasse? Over die vraag discussieerden ambtenaren en onderzoekers onlangs op de 21ste verdieping van gebouw De Rotterdam aan de Maas - met een fantastisch zicht op de stad aan de rivier. Aanleiding was het onderzoek door de Kenniswerkplaats Leefbare Wijken en de Gemeente Rotterdam naar het Rotterdamse beleid. Het onderzoek bestond uit een cijfermatig (kwantitatief) deel en een kwalitatief: interviews met bewoners.

Wijkaanpak is cijfermatig succes

De gemeente beoogt de negen stadswijken rondom het centrum van Rotterdam zodanig op te waarderen dat de hoger opgeleide en beter verdienende gezinnen met kinderen er zouden willen wonen.[1] Om de wijken voor ‘kansrijke’ gezinnen aantrekkelijk te maken, zette de gemeente zich in voor passende huisvesting, betere leefbaarheid en goed onderwijs.

Gelet op de cijfers, zegt Matthieu Permentier, een van de onderzoekers, lijkt het beleid zijn vruchten af te werpen. ‘Het primaire doel was dat het aantal kansrijke gezinnen ten opzichte van het aantal bewoonde woningen tussen 2014 en 2017 met 10 procent zou stijgen. Werd in 2014 gemiddeld 6,8 procent van de bewoonde woningen in de negen stadswijken bewoond door een kansrijk gezin, in 2017 bedroeg dat cijfer 8,5 procent, oftewel in drie jaar een stijging van 25 procent.’

Maar nuancering is op zijn plaats

Alle reden voor een feestje dus. ‘Nou’, relativeert Permentier, ‘het succes behoeft wel enige nuancering, want niet alle wijken gaan even snel vooruit. Ten eerste verschilt het aantal kansrijke gezinnen sterk per wijk - van 4 procent in het Oude Noorden tot 18 procent in Katendrecht. En ten tweede ligt het aantal kansrijke gezinnen in de genoemde wijken nog steeds onder het gemiddelde van Rotterdam als geheel.’

De beleidsmakers verwachtten dat de instroom van nieuwe, financieel krachtigere bewoners een positief effect zou hebben op de economie, het voorzieningenniveau en de werkgelegenheid.

Permentier: ‘Wat je ziet, is dat het gemiddelde inkomen en de woningprijzen fors zijn gestegen in de afgelopen drie jaar. De wijken zijn duidelijk in trek. Ook het aantal bedrijfsvestigingen nam toe, maar de werkgelegenheid daarentegen is gedaald.’

Een verklaring voor deze tegenstrijdige ontwikkeling kan de onderzoeker nog niet geven, omdat nog niet alle relevante cijfers binnen zijn. Hij vermoedt evenwel dat die tegenstrijdige ontwikkeling is te herleiden tot de aanwas van eenmanszaken en zzp’ers. ‘Een groei die ook elders vaak gepaard gaat met verlies van werk in loondienst.’

Het onderzoek toont aan dat het aantal winkel- en horecavoorzieningen in de wijken min of meer stabiel is gebleven. Daar hoort wel de kanttekening bij dat het aantal voorzieningen, afgezet tegen de groei van de bevolking, dus in feite is gedaald. ‘Bovendien is het aanbod ingrijpend veranderd: in plaats van kaas-, groente- en fruitwinkels zijn er steeds meer vestigingen van grootgrutters als AH gekomen, en hebben oud-Hollandse koffiehuizen en cafés plaatsgemaakt voor restaurants en hippe koffietentjes.’

Weinig contact tussen groepen bewoners

Door alle veranderingen is het gezicht van de wijken veranderd, iets wat de beleidsmakers ook hoopten. Maar hoe ervaren de bewoners de transformatie van hun wijk? Om daar achter te komen, hebben andere onderzoekers, Afke Weltevrede en collega’s, gesprekken gevoerd met bewoners in drie wijken, het Nieuwe Westen, het Oude Noorden en Kralingen West, zowel met mensen die er langer wonen als met nieuwkomers.

Uit de gesprekken blijkt dat de nieuwkomers zich veel minder inzetten voor de buurt dan de beleidsmakers hadden gehoopt. Weltevrede veronderstelt dat dit komt doordat veel nieuwkomers een baan moeten combineren met een druk gezinsleven. ‘En dan houd je weinig tijd over voor iets anders.’

Wat Weltevrede c.s ook is opgevallen, is dat de oude wijkbewoners en de nieuwkomers nauwelijks contact met elkaar hebben. De belangrijkste oorzaak daarvan is twintig jaar geleden al geduid door de sociologe Talja Blokland. Zij wees er op dat publieke voorzieningen dé plekken zijn waar mensen elkaar kunnen ontmoeten.[2] Als een gemeente op zulke voorzieningen zoals buurthuizen, zwembaden en bibliotheken bezuinigt, verklein je navenant de kans dat verschillende mensen met elkaar in contact komen. Weltevrede: ‘En dat merk je in de wijken waar we onderzoek hebben gedaan.’

Onbedoeld bemoeilijkt ook de architectuur in de wijken het leggen van contacten. ‘Op meerdere plekken zijn huizenblokken met binnentuinen neergezet. Wat je vervolgens ziet, is dat de actieradius van de nieuwkomers zich veelal beperkt tot die binnentuinen. Ze verkeren daardoor vooral onder gelijkgestemden en komen niet of nauwelijks in contact met andere bewoners in de buurt.’

Pas op voor overhaaste conclusies

In het Nieuwe Westen, het Oude Noorden en Kralingen West zijn er meerdere signalen die lijken te wijzen op terugtrekgedrag: nieuwkomers die vooral in binnentuinen onder gelijkgestemden vertoeven en nauwelijks contact hebben met de andere bewoners en kinderen die buiten de wijk naar school gaan.

Weltevrede waarschuwt echter voor overhaaste conclusies. ‘Dat de kinderen van de nieuwkomers buiten de wijk naar school gaan, kan er ook mee te maken te hebben dat een bepaald type onderwijs niet in de buurt wordt aangeboden of dat de kinderen het op hun oude school goed naar de zin hebben en niet willen overstappen. Kortom, wat terugtrekgedrag lijkt, hoeft dat niet per se te zijn.’

Opmerkelijk in dit verband is, vindt Weltevrede, dat er ondanks het beperkte onderlinge contact in geen van de wijken grote spanningen tussen groepen bewoners zijn. ‘Er is soms wel enige trammelant tussen individuele buren omdat iemand verward gedrag vertoont, vogels voert, vuilnis op verkeerde dagen buitenzet, of zijn kinderen tot laat buiten laat spelen, maar dat heeft nergens geleid tot conflicten tussen groepen bewoners.’

Antwoorden, maar ook vele nieuwe vragen

Hoofd van de afdeling Ruimte & Wonen van de gemeente Rotterdam Marjolein Keverling stelt vast dat het onderzoek door Permentier en Weltevrede c.s. ‘veel vragen beantwoordt, maar minstens zo veel nieuwe oproept.’ Neem de bewonersparticipatie. ‘Uit het onderzoek blijkt dat bewoners niet vanzelfsprekend mee doen. Dat roept dan meteen de vraag op hoe je mensen ertoe kan bewegen wel mee te doen. En als blijkt dat steeds dezelfde mensen opstaan, hoe kun je er dan voor zorgen dat desondanks álle belangen in de wijk op een evenwichtige en transparante manier worden gewogen?’

Keverling zegt dat de nieuwkomers er voor hebben gekozen om in een wijk met veel verschillende mensen te gaan wonen. ‘Waarom kiezen ze er dan voor om niet met maar langs de oude bewoners te leven?’

De nieuwe vragen nopen haast tot vervolgonderzoek, vindt Keverling. Vooral uitgangspunten en doelen van integraal beleid zouden daarbij wat haar betreft onder de loep moeten worden gelegd.

Scholen kunnen het verschil maken

Een voorstel dat op instemming kan rekenen van de zaal. Ook de toehoorders hebben vragen over het diffuse beeld dat door het onderzoek is opgeroepen. Een verslaggever van het Algemeen Dagblad bijvoorbeeld vraagt hoe representatief het onderzoek is, nu blijkt dat er amper gesproken is met mensen met een migratieachtergrond.

Het antwoord van de onderzoekers dat migranten niet gezien worden als een derde groep, naast die van oude bewoners en nieuwkomers, bevredigt niet echt. Om te weten of mensen met een migratieachtergrond zichzelf als aparte groep beschouwen of zich als zodanig behandeld voelen, zal je toch minstens met hen moeten spreken, in ieder geval meer dan nu is gedaan, vindt de journalist.

De zaal – voornamelijk gevuld met gemeenteambtenaren en onderzoekers van hogescholen en universiteit uit de havenstad - had ook vragen over de rol van de gemeente zelf. Met name of het een taak van de gemeente is om samenleven te bevorderen, of ze menging van groepen onder anderen via ‘matching’ kan afdwingen

Het voorlopige antwoord op die vragen kwam van de opdrachtgever van het onderzoek zelf. Keverling: ‘We geloven er niet in dat de gemeente de samenleving kan maken, maar ze kan wel aan een aantal knoppen draaien, om tegemoet te komen aan de behoeften van gezinnen in  een bepaalde fase. Vooral scholen kunnen het verschil maken of mensen langs of met elkaar samenleven.’

Jan van Dam is redacteur van www.socialevraagstukken.nl

Om verder te lezen:

* De Kenniswerkplaats Leefbare wijken en de gemeente Rotterdam lieten afgelopen jaren diverse studies uitvoeren over het Rotterdamse beleid om te stimuleren dat meer “kansrijke gezinnen” in de wijken rond de Rotterdamse binnenstad wonen. Alle onderzoeken zijn te vinden op: http://kenniswerkplaats-leefbarewijken.nl/

* Matthieu Permentier (2018), Dynamiek in de kansrijke wijken 

* Matthieu Permentier (2018), Ontwikkelingen in de kansrijke wijken: een synthese

* Afke Weltevrede, e.a. (2018), Nieuwe Buren. Een onderzoek naar de veranderende sociale compositie van drie Rotterdamse wijken

* Wenda Doff en Mariska van der Sluis (2017) De invloed van Sterke Schouders (een literatuurstudie). Zie ook:  https://www.socialevraagstukken.nl/stad-kan-gevolgen-gentrificatie-verzachten/

 

Noten:

[1] Het beleid is gericht op negen wijken rondom het centrum: Oude Noorden, Nieuwe Westen, Middelland, Liskwartier, Nieuw-Crooswijk, KralingenWest, Lloydkwartier, Katendrecht en Kop van Zuid-Entrepot. Het kwalitatieve deel van het onderzoek

[2] Talja Blokland, 'Wat stadsbewoners bindt, Sociale relaties in een achterstandswijk’ (Kok, 1998)

 

Foto: Michel Curi (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 1672 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (3)

  1. Is dit onderzoek diepgravend genoeg? Dat lijkt me niet. Teveel statistiek op afstand, te weinig veldwerk. Uit (veel) eerder onderzoek van Duyvendak CS (b)leek dat de ene groep kopers in arme wijken meer actief is op terrein van sociale samenhang, dan de andere. Bv sociale professionals, mensen uit (semi) overheidsorganisaties, kunstenaars, etc waren actiever. Als dat ook in Rotterdam klopt: Waarom krijgen deze groepen dan geen streepje voor bij ontwerp, koop en huur in deze wijken? Je zou er zelfs naar kunnen vragen bij alle gegadigden. Je moet toch ergens op selecteren en dan lijkt me dit relevanter dan “wie zich het eerst meldt”.

  2. ‘Kansrijk’ of ‘kansarm’ is vooral sociaal economisch bepaald. De beste voorwaarde om kansrijk te zijn is het hebben en kunnen vinden van werk. In Rotterdam zijn nu net die wijken gesloopt waar veel kansarmen wonen of gewoond hebben zoals Nieuw-Crooswijk. De oude en vaak weinig financieel draagkrachtigen zijn uit deze wijk verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor de meer gefortuneerden met huizenprijzen vanaf €250.000 en huurwoningen boven de huurtoeslag grens.
    Kenmerkend voor het ‘nieuwe’ Nieuw-Crooswijk is dat er weinig sociale cohesie bestaat en dat in het ‘oude’ Nieuw-Crooswijk juist deze sociale-cohesie zeer sterk bestond.
    Door de sloop en het noodzakelijke vertrek van de ‘autochtone’ bewoners is een belangrijk stuk sociale samenhang verdwenen en nooit meer teruggekomen.
    Zoals geformuleerd in de kop van dit artikel: ‘gescheiden werelden in opgeknapte wijken’

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *