Canoy baseert zich in zijn column op het werk van Karel van het Reve, wiens kritiek op het marxisme hij aanhaalt. Vervolgens bouwt Canoy hierop voort om zijn eigen vereenvoudigde versie van het marxisme aan te vallen. Hij bewandelt daarbij foutieve mentale olifantenpaadjes. Voor de duidelijkheid: ik ben zelf geen marxist. Maar in de geest van het openbare gesprek dat dit platform wil aanmoedigen, wil ik laten zien waar zijn redenering mank gaat.
Risico en beloning
Canoy stelt dat de ondernemers risico nemen, waardoor zij een hogere beloning verdienen. Hij stelt ook dat Marx dit feit zou hebben genegeerd. Maar Marx heeft dit feit niet genegeerd, hij gaf alleen kritiek op de rechtvaardiging van dit feit. In Das Kapital Deel III erkent Marx dat ondernemers risico lopen op dingen als concurrentie, vraaguitval, technologische mislukkingen, et cetera.
Het punt van Marx is dat de winst niet uit het risico komt, maar dat dit via de machtsverhouding tussen ondernemer en werker gerealiseerd en toegeëigend wordt. De echte bron is en blijft de onbetaalde arbeid van de werknemers. Het risico is een voorwaarde binnen het kapitalistische concurrentiespel, geen rechtvaardiging voor de toe-eigening zelf. Het verklaart waarom sommige kapitalisten meer of minder van de taart krijgen, maar niet waarom er een taart is om te verdelen.
Als de onderneming op de fles gaat, staat de werknemer ook op straat
Zelfs als men het risico-argument accepteert, volgt daar nog niet uit dat de huidige beloningsstructuren ermee te rechtvaardigen zijn. Want als het misgaat, wordt de schade doorgaans afgewenteld op de samenleving of de overheid. Denk maar aan de banken die gered worden met publiek geld tijdens een financiële crisis, terwijl de winst geprivatiseerd blijft. Hier spreek ik dan over grote bedrijven, en niet over de gemiddelde mkb’er die een kleine overheidssubsidie ontvangt tijdens een wereldwijde pandemie.
Verder loopt ook de werknemer risico, wat Canoy voor het gemak vergeet. Als de onderneming op de fles gaat, staat de werknemer immers ook op straat. Ook zijn er zat ondernemers die bewust faillissement aanvragen om zo van hun schulden af te komen. Natuurlijk bestaan er voorzieningen zoals de WW, die bekostigd worden door werknemers zelf. Maar hier zitten stevige beperkingen op vanuit een politiek bewind dat dit soort zekerheden voor werknemers afbreekt, zoals ook in het recent gepubliceerde coalitieakkoord. Een onzekere arbeidersklasse gehoorzaamt volgens Marx immers de kapitaalkrachtige klasse.
De ‘luie ondernemer’
Canoy suggereert verder dat marxisten ondernemers zien als achterover leunende uitbuiters, en denkt dat beeld te ontkrachten door te stellen dat die bedrijven als gevolg van die inactieve ondernemers failliet zouden gaan. Dit is echter een volledige verdraaiing van het punt dat marxisten maken. Het draait bij hen niet om een moreel oordeel over individuele ondernemers, maar om een analyse van een systeem waarin beloning steeds verder los komt te staan van daadwerkelijke waardecreatie. Als je een systematische analyse reduceert tot de werkethiek van individuele ondernemers, ben je geen oprechte kritiek op het marxisme aan het leveren.
Het beeld van kapitalist in leunstoel illustreert dat inspanning en loon niet gelijk oplopen
Het punt dat Marx maakt, uitgaande van de klassieke economische opvatting van Adam Smith en David Ricardo dat menselijke arbeid de bron is van waardecreatie, is dat ondernemers zich deze waarde toe-eigenen (Marx, 1867). Dit noemt Marx een vorm van uitbuiting, en dat is een cruciaal punt in zijn begrip van hoe het kapitalisme functioneert.
Neem bijvoorbeeld het platformkapitalisme. De waarde van een bedrijf zoals Uber of Deliveroo wordt gecreëerd door duizenden chauffeurs en koeriers, via algoritmes die hun prestaties sturen en hun risico’s maximaliseren: een slechte Uber-rating kan immers je baan in gevaar brengen. De aandeelhouders en bestuurders incasseren de vruchten van deze collectieve inspanning, vaak zonder een proportionele bijdrage aan het werk zelf. Dit is geen kwestie van 'luiheid', maar van een verdeling van macht en eigendom. De luie kapitalist in een leunstoel is bedoeld ter illustratie van het feit dat inspanning en loon niet gelijk oplopen.
De macht van de staat
Canoy eindigt met het punt dat de staat niet alles kan, en suggereert dat het marxisme pleit voor een staatsovername van de economie. Hier grijpt hij echter terug op een bekende Koude Oorlog karikatuur. Een karikatuur bovendien die niets met Marx te maken heeft. Marx wilde namelijk dat de economische macht in handen van de arbeidersklasse zelf zou komen. Hij bepleitte het concept van de arbeiderszelfbestuur, een term die in essentie betekent dat de werkende klasse, en niet een kleine bezittende elite, de maatschappelijke macht heeft. Geen pleidooi dus voor een permanente staatsmacht waar de overheid alles te zeggen heeft.
Wie een karikatuur tekent, hoeft immers geen kennis te hebben van anatomie
Marx wil de staat gebruiken als een tijdelijke tussenfase voor het doorbreken van oude machtsverhoudingen. Zijn einddoel is het tot stand komen van het communisme, een staatloze samenleving (Bukharin, 1920; Engels, 1877; Marx, 1848; Marx, 1875). Marx maakte kortom geen blauwdruk voor de staatsmacht. Het gelijkstellen van Marx’ gedachtegoed aan bedenkelijke uitwerkingen in de praktijk, is intellectueel even wankel als Adam Smith verantwoordelijk houden voor Pinochet.
Anekdotes uit Cuba (een van de zwaarst gesanctioneerde landen wereldwijd) en retoriek uit de Koude Oorlog zijn geen goede methodes om een theorie te bekritiseren. Van iemand die economie doceert aan een universiteit mag verwacht worden dat hij theorieën bekritiseert op hun sterkste formulering, en het marxisme biedt daarvoor meer dan genoeg aanknopingspunten. Al met al blijft van Canoys kritiek op het marxisme weinig meer over dan gemakzucht. Wie een karikatuur tekent, hoeft immers geen kennis te hebben van anatomie.
Willem Lancashire is bachelorstudent International Relations aan de Universiteit Leiden.
Foto: Tobias Nordhausen (Flickr Creative Commons)