Decentralisaties kunnen zorgongelijkheid juist verkleinen

De vrees is dat door de zorgdecentralisaties juist de kwetsbaarste groepen minder hulp krijgen. Eerdere ervaringen tonen eerder het tegendeel aan, concluderen Fleur Thomese en Barbara Da Roit op basis van onderzoek naar de oude Wmo.

 ‘Wie een grote mond heeft krijgt de beste zorg’. Zo luidde een tussenkop in een artikel in NRC Handelsblad (6-1-2017), waarin buurtbewoners vertelden over hun ervaringen met de gezondheidszorg. Een terugkerend thema in de gesprekken was mondigheid: wie niet aanhoudt, krijgt soms minder goede zorg. En dat vraagt veel van mensen. Zo zegt een vrouw: ‘Om goede zorg te krijgen moet je door een web van instanties, regels en formulieren ploegen.’

Deze buurtbewoners lijken zorgen te bevestigen die – onder meer op Sociale Vraagstukken ­­- breed werden geuit bij de hervormingen van de langdurige zorg en jeugdzorg in 2015. Sinds 1 januari 2015 hebben gemeenten meer taken gekregen bij de ondersteuning van ouderen en mensen met beperkingen (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Wmo) en de jeugdzorg (Jeugdwet). Tegelijk is er flink bezuinigd op de budgetten, tot wel 25 procent. De intentie is om kwaliteit te verbeteren en zorg en ondersteuning betaalbaar te houden. Gemeenten zouden beter kunnen inspelen op de behoeften van hun inwoners en de lokale situatie. En daardoor zouden middelen op lokaal niveau effectiever en efficiënter ingezet kunnen worden.

Onderhandelen over schaarse zorg

De vrees is dat de toegankelijkheid van de zorg hier onder zal lijden, doordat juist de meest kwetsbare groepen het moeilijkst aan zorg kunnen komen. In het bijzonder de Wmo doet een sterk beroep op eigen regie. Daarbij is zorg van een recht overgegaan in een voorziening – de gemeente bepaalt wat er wordt toegewezen. Dit doet een sterk beroep op de onderhandelingskwaliteiten van de zorgvrager.

Zijn niet juist de zwakkeren vaak het minst bedeeld met zulke kwaliteiten? Zouden niet juist deze groepen het meest te lijden krijgen als ze met professionals moeten onderhandelen over schaarse zorg?

Afgezien van treffende beschrijvingen in de krant is er weinig onderzoek dat uitwijst of het werkelijk zo loopt na een decentralisatie. Er zijn ook redenen om aan te nemen dat de kwetsbare cliënt juist beter geholpen is. Als de beleidstheorie klopt, zouden de professionals die zorg op lokaal niveau toewijzen zich misschien bewust zijn van dreigende ongelijkheid en zich juist concentreren op die meest kwetsbare en minder mondige cliënten. Zij staan dicht bij de cliënt en kunnen bij uitstek zorgen dat deze krijgt wat nodig is, zoals bedoeld in de wet.

Gevolgen invoering oude Wmo

Wij onderzochten wat er feitelijk gebeurt (Da Roit en Thomese, 2016). Er zijn nog niet voldoende gegevens over de zorgherzieningen van 2015. Wel konden we kijken naar een voorloper ervan: in 2007 is met de invoering van de Wmo de huishoudelijke zorg gedecentraliseerd. Wat voor gevolgen hadden de bezuiniging en gemeentelijke toewijzing van zorg voor sociaaleconomische ongelijkheid in het gebruik van huishoudelijk zorg toen?

We maakten gebruik van een langlopend onderzoek onder 55-plussers in verschillende Nederlandse gemeenten, de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA). In deze steekproef onderzochten we zelfstandig wonende ouderen van wie we gegevens hadden in de circa vijf jaar voor en na de invoering van de Wmo in 2007. In totaal waren dat 5689 gevallen (54 procent vrouwen). De gemiddelde leeftijd was bijna 71 jaar en 13 procent ontving formele huishoudelijke hulp.

Over de hele periode stemt het beeld van ontvangers van huishoudelijke hulp overeen met de bedoeling van beleid om de mensen met sterkere behoefte aan hulp en met minder andere bronnen van huishoudelijke hulp te helpen. Mensen die zorg kregen, waren ouder en vaker alleenstaand en hadden een slechtere subjectieve gezondheid en meer depressieve symptomen in vergelijking met de andere ouderen. Verder hadden ze minder vaak hulp van familie of bekenden, en hadden ze ook minder vaak particuliere hulp in de huishouding. Het totale gebruik van zorg in de gemeente maakte geen verschil. Dit is een aanwijzing dat schaarste in het aanbod door bezuinigingen geen rol speelt.

Hogere inkomens kregen eerder zorg

Dat laatste verandert als we kijken naar verschillen voor en na de invoering van de Wmo. Vóór 2007, toen er nog centrale indicatiestelling was voor toewijzing van huishoudelijke zorg, kregen mensen met hogere inkomens eerder zorg als er minder aanbod is. Dit verschil is na 2007 verdwenen. Met andere woorden: er was vóór de invoering van de Wmo ongelijkheid in de toewijzing van huishoudelijke zorg ten gunste van hogere inkomens. Met de decentralisatie en bezuiniging in de zorg is dat verschil opgeheven. De invoering van de gedecentraliseerde Wmo heeft sociaaleconomische gelijkheid in het gebruik dus vergroot.

Decentralisatie huishoudelijke zorg leidde tot meer gelijkheid

Hoe past deze uitkomst bij de mevrouw uit het NRC-artikel die zich door het systeem heen ploegt? Is zij de uitzondering die een regel bevestigt? Of is er in 2015 toch iets anders gebeurd dan in 2007? Op basis van dit onderzoek kunnen wij die vraag niet beantwoorden. We hebben een stukje van de langdurige zorg onderzocht in een periode die vrij dicht aanzit tegen de recente beleidswijziging.

De uitkomsten zijn niet zonder meer te generaliseren naar alles wat in 2015 is gebeurd. Het valt wel op dat de uitkomsten wijzen in tegengestelde richting van wat het meest werd gevreesd: de decentralisatie van huishoudelijke zorg leidde eerder tot meer dan minder gelijkheid. Dit roept om nader onderzoek, ook en juist naar de veranderingen rond 2015. De recente hervormingen zijn breder en ingrijpender dan in 2007: meer decentralisaties, meer bezuiniging. Betekent dat ook meer gelijkheid? Of toch niet?

Fleur Thomese is universitair hoofddocent sociologie aan Vrije Universiteit Amsterdam, Barbara Da Roit is universitair hoofddocent aan de Ca' Foscari University of Venice

Dit artikel is een bewerking van een artikel dat verscheen in Mens en Maatschappij: Maakt lokale thuiszorg zorg (on)gelijker?

Foto: sida dimitric (Flickr Creative Commons)

Reacties op dit artikel (1)

  1. De decentralisatie van huishoudelijke hulp in 2007 was een nieuw fenomeen. De vraag is hoe ingrijpend dat toen was in vergelijking met 2015.
    In 2015 ging het om decentralisatie van langdurige zorg voor mensen met een verstandelijke beperking, met een somatische stoornis of een psychische stoornis. Bij de laatste groep ging het niet alleen om ambulante (extramurale) hulp, maar ook om intramurale langdurige zorg voor ggz cliënten in beschermende woonvormen. Mensen met een chronische psychische ziekte, die niet in staat zijn zich zelfstandig in de samenleving te handhaven, zijn sinds 2015 aangewezen op de maatschappelijke ondersteuning van 1 van de 388 gemeenten in Nederland. Een resultaat van deze wijziging is dat steeds meer mensen uit deze groep dakloos in de maatschappelijke opvang belanden. (http://www.opvang.nl/site/item/onderzoek-naar-nachtopvang-en-crisisopvang-utrecht ) Hun situatie doet denken aan de toestand in de jaren 90, waarin dakloze psychiatrische patiënten geen toegang kregen tot AWBZ zorg. Waar de AWBZ zorgde voor meer gelijkheid voor deze groep vanaf 2003, zorgt de Wmo 2015 voor meer sociale uitsluiting van deze mensen. Gelijkheid bij 388 gemeenten voor ggz cliënten?

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *