Over jeugdwerkloosheid is het in Nederland te stil

Miljoenen Europese jongeren zijn werkloos. Ook al doet Nederland het relatief goed, ook hier verslechtert het perspectief. Daarover is het veel te stil in Nederland. In het huidige overheidsbeleid is er geen aandacht voor om jongeren aan kwalitatief goede banen te helpen.

Onlangs heeft de Europese Commissie de noodklok geluid over de torenhoge jeugdwerkloosheid. Maar liefst vijf miljoen Europese jongeren onder de 25 jaar zijn op zoek naar werk. De Europese jeugdwerkloosheid is daarmee 22 procent, maar kent uitschieters naar 48,9 procent in Spanje, 45,1 procent in Griekenland en 30,2 procent in Ierland (cijfers van Eurostat oktober 2011). Er zijn dus landen waar bijna de helft van de jongeren geen werk kan vinden. Niet alleen voor de Europese Commissie is dit onacceptabel, ook de Europese Raad heeft eind januari een verklaring uitgegeven om tot groeivriendelijke consolidatie en baanvriendelijke groei te komen, waarin meer banen voor jongeren een kernthema is.

Hoewel de EU deze baangroei wel iets kan stimuleren, komt het vooral op de sociale partners en de lidstaten aan om jongeren een beter perspectief te bieden. In Nederland wordt de arbeidsmarktpositie van jongeren intussen nauwelijks aan de orde gesteld. Enerzijds doet Nederland het relatief goed met een jeugdwerkloosheidscijfer van ‘slechts’ 8,2 procent. Anderzijds zijn er arbeidsmarkttrends die ook voor de Nederlandse jeugd het arbeidsmarktperspectief verslechteren. De vraag is of het huidige beleid de juiste prioriteiten stelt.

Aandacht voor jongeren in Europees beleid
De Europese aandacht voor jeugdproblematiek is niet nieuw. Al voor het uitbreken van de financiële en economische crisis zijn er initiatieven ontplooid om de positie van jongeren te verbeteren, bijvoorbeeld in het Europees pact voor de jeugd (2005) waarin arbeid, onderwijs en de combinatie van arbeid en zorg centraal stonden. Ook binnen de ‘Europa 2020 strategie’ is ‘jeugd in beweging’ een speerpunt. Het recente besluit van de Raad vergroot wel de druk op lidstaten om snel tot actie over te gaan. Het verlangt dat lidstaten in hun komende Nationale Hervormingsprogramma concrete maatregelen presenteren in de vorm van een nationaal banenplan.

Schoolverlaters moeten onder meer binnen enkele maanden een kwalitatief goede baan aangeboden krijgen, een plek in het voortgezet onderwijs, een plaats in het leerlingstelsel of een stageplek. Het besluit van de Raad gaat evenwel verder dan het benoemen van beleidsprioriteiten. Lidstaten met de hoogste jeugdwerkloosheid krijgen toegang tot Europese fondsen om jongeren aan een baan of opleiding te helpen en ook het Europees Sociaal Fonds wordt aangewend voor leerlingprojecten en ondersteuning voor jonge startende ondernemers. Daarnaast zal de EU de mobiliteit van studenten beter ondersteunen. Het vergroot het aantal plaatsingen in bedrijven in het kader van het Leonardo da Vinci-programma en is van plan grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit aan te moedigen door betere wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties en pensioenrechten voor migrerende werknemers.

Blinde vlekken in beleidsinitiatieven
De grote aandacht van de EU voor de positie van jongeren is, mede gezien de werkloosheidscijfers, meer dan noodzakelijk. Voorkomen moet worden dat er een verloren generatie ontstaat die ongewild langdurig buiten de arbeidsmarkt verkeert. Zeker met het oog op de vergrijzing is het zaak om alle jongeren die willen werken een duurzame plek op de arbeidsmarkt te bieden. Daarbij is een baan met toekomstperspectief minstens zo belangrijk als goede scholing.

Maar ondanks de recente aandacht voor kwaliteitsbanen, wordt er in EU-beleid nog te vaak de nadruk gelegd op nog meer scholing, terwijl de duurzame inclusie van jongeren in de arbeidsmarkt veel minder aandacht krijgt. Hoewel scholing en het behalen van een diploma de kansen op de arbeidsmarkt vergroten, is scholing alléén niet de oplossing. Ook de stap van school naar werk en de stap van tijdelijk naar vast werk moet goed verlopen. Wat heb je immers aan een hoge opleiding als het je geen of een slechte baan oplevert? Zelfs voor hoogopgeleide jongeren is werkloosheid en tijdelijke arbeid een probleem. In Spanje is bijvoorbeeld 27,4 procent van de hoogopgeleide jongeren (15-24 jaar oud) werkloos en zelfs in de leeftijdsgroep van 25-29 jaar kan 17,8 procent van de hoogopgeleide Spaanse jongeren geen werk vinden (Eurostat data 2010).

Ook in Nederland, waar de jeugdwerkloosheid relatief laag is, blijft het perspectief voor veel jongeren wankel door een aaneenschakeling van tijdelijke contracten. De laatste cijfers in het rapport Employment and Social Developments in Europe 2011 van de Europese Commissie tonen aan dat in 2010 meer dan 60 procent van de Nederlandse jongeren tot 35 jaar bij het aangaan van een contract een tijdelijke aanstelling kreeg. Daarnaast geeft een derde van de Nederlanders met een tijdelijk contract aan geen vaste aanstelling te kunnen vinden. Het wordt steeds moeilijker om een vast contract te bemachtigen. Daarmee wordt ook de toegang tot rechten en voordelen die met een vast contract samenhangen, steeds verder uitgesteld. Dit leidt met name tot problemen wanneer ‘jongeren’ dergelijke zekerheden wel nodig hebben, bijvoorbeeld omdat ze een gezin willen stichten. In 2010 had 20 procent van de Nederlandse werkende jongeren van 30 jaar een tijdelijke aanstelling.

Hiermee komen we op nog een blinde vlek in het EU-beleid. Aandacht voor jongeren betreft meestal de fase van het volgen van onderwijs en de stap naar de eerste baan, grofweg de leeftijd van 15 tot 25 jaar. Veel minder aandacht is er voor de ‘oudere jongere’ die op weg is een zelfstandig bestaan op te bouwen en een gezin te stichten, zeg: de leeftijd tussen 25 en 35 jaar. Juist deze groep zit in een levensfase waarin inkomenszekerheid en baan- of werkzekerheid belangrijk zijn.

Nederlandse uitdagingen
Tot nu toe is het in Nederland akelig stil wat betreft de arbeidsmarktpositie van jongeren. De ad hoc SER-commissie ‘Toekomstige Arbeidsmarktpositie Jongeren’, opgericht in het najaar van 2009, heeft nog steeds geen advies uitgebracht. Het Actieplan Jeugdwerkloos is in 2011 afgelopen en wordt voorlopig niet verlengd. Daarnaast lijkt ook in Nederland het beleid hoofdzakelijk gericht te zijn op scholing, zoals het terugdringen van voortijdig schoolverlaten en het creëren van stageplekken.

Aandacht voor de inclusie in kwalitatief goede banen, zoals hierboven bepleit, is een discussie die de overheid aan de sociale partners lijkt over te laten. Daarnaast wil de overheid flexwerk eerder stimuleren dan indammen, en oppert ze bijvoorbeeld om een tijdelijk contract langer dan drie jaar te laten duren. Ook voor de overstap van tijdelijk naar vast werk lijkt geen aandacht te zijn. Er wordt stilzwijgend vanuit gegaan dat de meeste mensen uiteindelijk vanzelf een goede positie weten te bemachtigen op de arbeidsmarkt. Wat de effecten zijn van het langdurig verkeren in tijdelijk werk blijft onbesproken.

Ook is het oprichten van voorzieningen voor langdurig flexwerkers nauwelijks een onderwerp van discussie, bijvoorbeeld om te garanderen dat ook flexwerkers kunnen investeren in een leven lang leren. Of in het dichten van hun gaten in pensioenopbouw, om ze te steunen bij baan-naar-baan-transities, ze toegang te verschaffen tot sociale zekerheid, en bij te staan met het afsluiten van hypotheken.

Het wordt tijd dat in Nederland de discussie geopend wordt over het wankele arbeidsmarktperspectief van jongeren. Daarmee doet Nederland niet alleen jongeren een plezier, maar zorgt het ook voor een nieuwe generatie die op eigen benen kan staan en daarmee een bijdrage kan leveren aan samenleving en economie.

Sonja Bekker is onderzoeker bij ReflecT van de Tilburg University.

Foto: Bas Bogers

Deel met anderen
Dit artikel behandelt het vraagstuk Arbeidsmarkt, Europese Unie, Jongeren. Bewaar de permalink. Volg reacties op dit artikel via RSS feed van dit artikel. Reageer of laat een trackback achter.

Eén reactie

  1. Ruben Fokkema
    Geplaatst 22 februari 2012 om 11:02 Permalink

    Een interessante discussie. Ik ben het eens dat we moeten voorkomen dat er een verloren generatie ontstaat. Ik vraag me alleen af of een discussie over inkomens- werk- en baanzekerheid in de huidige economische realiteit een prioriteit is. Het is naar mijn mening niet een discussie die op deze manier oor zal vinden bij diegenen die redeneren vanuit een financieel-economisch perspectief. Vooral als ik kijk naar de politieke aandacht van de Europese Unie moet ik constateren dat dit perspectief de boventoon voert. De verklaring waarin nadruk werd gelegd op jeugdwerkloosheid is niets in vergelijking tot de politieke aandacht die er is voor bezuinigingen en economische groei. Ik refereer ook naar de EUROPLUSPACT en de SIXPACK waarin sanctiemechanismen zijn opgenomen. Dit zijn mechanismen die meer invloed zullen uitoefenen op werkgelegenheid dan de andere genoemde projecten die jeugdwerkloosheid moeten verminderen.

    Een discussie voeren over baan-zekerheid staat haaks op de oplossing die beleidsmakers met een financieel-economisch perspectief voor ogen hebben. Zij zien meer heil in oplossingen die meer flexibiliteit bieden. Uiteindelijk voeren de beleidsmakers met een financieel-economisch perspectief de boventoon. Daarom pleit ik voor het discussiëren over innovatieve oplossingen die wel aansluiten bij dit perspectief. Op die manier zal de effectiviteit van de discussie groter en wellicht worden meegenomen in de besluitvorming.

Reageer!

Uw e-mailadres wordt nooit gepubliceerd of met derden gedeeld. Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *

*
*

×