Strenger bijstandsbeleid schiet doel voorbij

Strenger bijstandsbeleid schiet doel voorbij

Voor een bijstandsuitkering moet je aan steeds meer eisen voldoen. Onlangs is voorgesteld mensen te korten op hun uitkering als zij door gedrag, kleding of onvoldoende beheersing van het Nederlands hun arbeidsmarktkansen belemmeren. De vraag is of een strenger beleid daartegen helpt.

Recentelijk is een aantal specifieke voorstellen gedaan om de eisen aan bijstandsontvangers aan te scherpen. In het regeer- en gedoogakkoord van het kabinet Rutte werd in 2010 aangekondigd dat ‘indien gedrag of kleding van iemand feitelijk zijn kansen op de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt beperkt, een weigering, korting of intrekking van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand volgt’. Ook werd een initiatief ingediend om het beheersen van de Nederlandse taal als eis te stellen om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering (TK2010/2011).

Bemoeienis met levensstijl

De beleidswijzigingen over gedrag, uiterlijk en taal in de bijstand zijn tekenend voor een verschuiving in de manier waarop naar de sociale zekerheid wordt gekeken. De maatregel in het regeer- en gedoogakkoord van 2010 illustreert een toenemend wantrouwen tegenover bijstandsontvangers. Te veel mensen zouden onnodig gebruik maken van de sociale zekerheid. Daarnaast staat de maatregel symbool voor een sterk sturende overheid die zich richt op het gedrag en het uiterlijk van bijstandsontvangers. In die zin past ze goed in het zogenaamde ‘New Welfare’-concept. ‘In dit nieuwe zorgparadigma draait alles om de publieke beïnvloeding van persoonlijke levenskeuzen en levenssijlen […]. De burger moet worden toegerust om een verstandig, gezond en vooral productief leven te leiden’ (Trommel 2009).

Met de accentverschuiving in het beleid vanaf de jaren negentig van de 20ste eeuw veranderde ook de rol van de klantmanagers van gemeentelijke sociale diensten. Terwijl zij eerst werden gezien als maatschappelijk werkers, gericht op de dienstverlening aan hulpbehoevenden, bestaat hun taak nu vooral uit ondersteuning bij de re-integratie naar werk. De aangekondigde wetswijzigingen versterken de accentverschuiving in het werk van klantmanagers. Dit biedt een interessante casus om te onderzoeken hoe klantmanagers omgaan met het spanningsveld tussen het respecteren van iemands persoonlijke levensstijl enerzijds en de disciplinering op de arbeidsmarkt anderzijds.

Klantmanagers leggen nauwelijks sancties op 

In een nieuwe verkennende studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) is gesproken met 18 klantmanagers uit 12 gemeenten en 9 werkgevers over hun ervaringen. In hoeverre belemmeren problemen met gedrag, uiterlijk en taal volgens hen de arbeidsmarktkansen van bijstandsontvangers? Hoe gaan klantmanagers om met bijstandsontvangers die zich ongepast gedragen of kleden of het Nederlands onvoldoende beheersen en denken zij dat  sancties effectief zijn?

Problemen met gedrag, uiterlijk en taal komen volgens klantmanagers en werkgevers met enige regelmaat voor bij werkzoekenden in de bijstand. Het gaat bijvoorbeeld om gebrekkige werknemersvaardigheden (te laat komen, zich niet afmelden, snel in conflictsituaties terecht komen) en een onverzorgd of ongepast uiterlijk (tatoeages, slonzige kleding, sterk afwijkend kapsel).

Volgens een ruwe schatting van de klantmanagers heeft circa 20 tot 40 procent van hun cliënten problemen met werknemersvaardigheden, 10 tot 20 procent een ongepast uiterlijk, en 20 à 30 procent problemen met de Nederlandse taal. Werknemersvaardigheden en Nederlands kunnen spreken zijn volgens zowel de werkgevers als de klantmanagers belangrijke voorwaarden om aan de slag te kunnen gaan. Dit geldt ook bij laaggeschoold of eenvoudig werk. Het dragen van een hoofddoek belemmert volgens klantmanagers de arbeidsmarktkansen niet, hoewel niet alle werkgevers een hoofddoek accepteren.

Vaak wordt verondersteld dat het dreigen met een sanctie (korten op de uitkering) ervoor zorgt dat bijstandsontvangers sneller aan het werk zullen gaan. Klantmanagers denken dat sancties soms kunnen helpen, maar ze leggen die maar weinig op. Voor uiterlijk en taal gebeurt het nauwelijks, voor gedrag in beperkte mate. De klantmanagers noemen verscheidene redenen waarom sanctieoplegging vaak achterwege blijft. Ze wijzen erop dat bijstandsontvangers vaak psychische problemen (circa 25 procent) of fysieke belemmeringen (circa 30 procent) hebben. Problemen met gedrag, uiterlijk en taalbeheersing zijn de cliënt daarom niet altijd aan te rekenen. Verder raken sancties soms ook anderen, bijvoorbeeld bij gezinnen met kinderen; dat valt niet altijd te rechtvaardigen.

Adviseren en stimuleren in plaats van bestraffen

Een deel van de bijstandsontvangers merkt bovendien niets van een sanctie, omdat zij in de schuldhulpverlening zitten en een strafkorting niet in mindering wordt gebracht op het leefgeld. Ook is sanctioneren een ingewikkelde juridische procedure die veel tijd en moeite vergt. Ten slotte kan sanctieoplegging soms contraproductief zijn: als de vertrouwensband erdoor wordt geschaad, kan het moeilijker blijken de betrokkene aan werk te helpen. Om deze redenen kiezen klantmanagers vaak voor andere manieren om mensen te stimuleren zich anders te kleden of te gedragen, bijvoorbeeld door een kledingadvies, een sollicitatietraining, of een re-integratietraject.

De beroepsopvatting van klantmanagers richt zich op dienstverlening, op het begeleiden van hun cliënten naar werk. Klantmanagers erkennen dat er problemen kunnen zijn met gedrag, uiterlijk en taal van bijstandsontvangers, maar zien het als hun taak om mensen hierbij te helpen. Een strenger beleid, zonder oog voor de uitvoeringspraktijk, schiet zijn doel voorbij.

Patricia van Echtelt is verbonden aan de onderzoeksgroep Arbeid, Inkomen & Sociale Zekerheid van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Het rapport ‘Verzorgd uit de bijstand. De rol van gedrag, uiterlijk en taal bij de re-integratie van bijstandsontvangers’  (Patricia van Echtelt en Maurice Guiaux) verschijnt vandaag en is te downloaden via www.scp.nl.

Foto: Bas Bogers

Literatuur

Spaans, J. (1997). Armenzorg in Friesland 1500-1800. Hilversum: Uitgeverij Verloren.

TK (2010/2011). Voorstel van wet van het lid van Nieuwenhuizen tot wijziging van de Wet werk en bijstand teneinde de eis tot beheersing van de Nederlandse taal toe te voegen aan de wet. Tweede Kamer, vergaderjaar 2010/2011, 32328, nr. 8.

Trommel, W. (2009). Gulzig bestuur (oratie). Amsterdam: Vrije Universiteit van Amsterdam.

Deel met anderen
Dit artikel behandelt het vraagstuk Arbeidsmarkt, Werkloosheid. Bewaar de permalink. Volg reacties op dit artikel via RSS feed van dit artikel. Reageer of laat een trackback achter.

Eén reactie

  1. Jan van der Kleij
    Geplaatst 31 augustus 2012 om 13:30 Permalink

    Ik veronderstel dat bij de intake door een klantmanager ook wordt gekeken naar scholing en coaching. Iemand die lange tijd uit de roulatie is geweest heeft coaching nodig op genoemde onderwerpen. Dat er sprake zou zijn van een toenemend wantrouwen richting de bijstandsontvanger lijkt mij een interpretatie van de schrijver van dit stuk. Als iemand in een supermarkt werkt verwacht je als klant van de werknemers tenminste een bepaalde uitstraling/representativiteit en de baas van de supermarkt let daar op. Werk je in een magazijn, zonder direct klantcontact, dan zullen de eisen wat minder stringent kunnen zijn. Dit alles valt te schikken onder aangepast gedrag, iets wat sommige bijstandsontvangers kennelijk verleerd zijn en via coaching kan worden bijgebracht.

Reageer!

Uw e-mailadres wordt nooit gepubliceerd of met derden gedeeld. Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *

*
*

×