Gesloten jeugdzorg stopt niet bij dichte deuren

Gesloten jeugdzorg wordt afgebouwd als beleid, maar niet in de levens van wie erdoor zijn beschadigd. Erkenning en excuses zijn pas geloofwaardig als ook de blijvende schade wordt erkend en verantwoordelijkheid voor herstel wordt genomen, schrijft Hannah Hollestelle.

De afgelopen jaren is veel gezegd over misstanden in de gesloten jeugdzorg. Er kwamen onderzoeken, politieke toezeggingen en een groeiende roep om erkenning van wat jongeren op afdelingen als ZIKOS is aangedaan. Maar erkenning van misstanden is nog geen erkenning van schade. Het eerste gaat over wat er gebeurde; het tweede over wat dat met mensenlevens deed.

Wie werkelijk erkent wat er is gebeurd, moet ook erkennen wat het jongeren heeft gekost

Dat onderscheid is beslissend. Wie werkelijk erkent wat er is gebeurd, moet ook erkennen wat het jongeren heeft gekost, tijdens hun plaatsing én in de jaren daarna. Uit Eenzaam gesloten van Jason Bhugwandass en de visie Oprecht & Doorleefd komt een consistent beeld naar voren: veel jongeren hielden aan hun verblijf trauma, wantrouwen en een beschadigd gevoel van veiligheid over (Bhugwandass, 2024; Schaafsma et al., 2026). Het vervolg daarop is minstens zo belangrijk. Niet alleen: wat ging er mis? Maar ook: wat blijft er over als de deuren eenmaal dicht zijn?

Als zorg onveilig wordt

De discussie over gesloten jeugdzorg gaat vaak over afzonderlijke incidenten, maatregelen of instellingen. Dat is begrijpelijk, maar onvoldoende. De fundamentelere vraag is of deze vorm van zorg voor jongeren daadwerkelijk veilig was. Juist voor jongeren met trauma, verwaarlozing of mishandeling zouden veiligheid, vertrouwen en herstel centraal moeten staan. Toch beschrijven jongeren een systeem waarin beheersing, machtsongelijkheid en repressie vaak zwaarder wogen dan bescherming en herstel (Bhugwandass, 2024; Schaafsma et al., 2026).

Als zorg vernederend, angstaanjagend of beschadigend uitpakt, kun je niet volhouden dat zij van kwaliteit is

Zorg is niet veilig omdat zij binnen wettelijke kaders plaatsvindt. Zorg is veilig wanneer iemand zich beschermd voelt, wanneer diens menswaardigheid wordt gerespecteerd en wanneer hulp bijdraagt aan herstel in plaats van nieuwe schade veroorzaakt. Veiligheid is dus geen extra kwaliteitseis, maar een voorwaarde voor goede zorg. Als zorg vernederend, angstaanjagend of beschadigend uitpakt, kun je niet volhouden dat zij van kwaliteit is.

Dat maakt ook de actualiteit rond Bhugwandass' verschenen vervolgrapport Eenzaam Gestorven urgent (Bhugwandass, 2026b). Waar Eenzaam gesloten blootlegde wat jongeren op ZIKOS meemaakten, verschuift de aandacht in Eenzaam Gestorven nu naar de vraag wat er gebeurt als de schade blijft doorwerken en passende hulp uitblijft. De kern is pijnlijk eenvoudig: slechte jeugdzorg stopt niet op het moment dat de plaatsing eindigt. De gevolgen reizen mee.

De schade stopt niet bij 18 jaar

In het debat over gesloten jeugdzorg ontbreekt nog te vaak een simpele waarheid: de jongeren uit deze instellingen zijn niet verdwenen. Zij zijn volwassen geworden. Sommige zijn gestorven. De schade, de trauma’s en het verlies van vertrouwen gingen met hen mee. Toch behandelen we gesloten jeugdzorg en de zorg daarna vaak alsof het gescheiden werelden zijn, alsof de problemen ophouden zodra iemand achttien wordt. Maar een verjaardag verandert niets aan trauma, psychische kwetsbaarheid of de behoefte aan veiligheid. Alleen de positie binnen het systeem verandert.

Mensen met hoogcomplexe psychische problemen krijgen nog te vaak niet of te laat passende hulp

Daarin schuilt een wrange paradox. Voor hun achttiende werden deze jongeren gezien als zo kwetsbaar dat hun vrijheid beperkt mocht worden. Na hun achttiende belanden velen in een systeem dat uitgaat van zelfredzaamheid, terwijl de problemen waarvoor ooit zo ingrijpend werd opgetreden vaak nog onverminderd aanwezig zijn. En soms juist zijn verergerd door wat zij in de gesloten jeugdzorg meemaakten. Vervolgens kijken we opnieuw weg wanneer dezelfde mensen in hun volwassen leven wéér geen passende zorg ontvangen.

Gesloten jeugdzorg en de zorg daarna kun je daarom niet als losse dossiers behandelen. Voor een deel van dezelfde groep lopen schade, zorgbehoefte en afhankelijkheid door. Als je echt wilt dat gesloten jeugdzorg ophoudt, moet er daarna zorg zijn die veilig is, aansluit bij wat iemand nodig heeft en gericht is op herstel.

Vorm verandert, het probleem niet

De zorg na gesloten jeugdzorg is niet altijd hetzelfde als opsluiting of directe dwang. Maar voor een deel van dezelfde doelgroep is zij nog steeds niet veilig of passend. Dan gaat het niet meer alleen om een celdeur, maar om ontoegankelijke hulp, eindeloos doorverwijzen, wachttijden, afwijzingen en het gevoel dat niemand blijft wanneer het moeilijk wordt. Ook dat is schadelijk.

In de ggz en het sociaal domein krijgt dit een andere taal en vorm. Mensen met hoogcomplexe psychische problemen krijgen nog te vaak niet of te laat passende hulp. Tekorten aan gespecialiseerd aanbod, personeelstekorten, slechte door- en uitstroom en onvoldoende regie zorgen ervoor dat juist de groep met de grootste kwetsbaarheid tussen wal en schip raakt (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, z.d.; Nederlandse Zorgautoriteit, 2025; Zorginstituut Nederland, 2025, 2026). Ook signalen over schadelijke uitvoering van zogenoemd autonomie bevorderend beleid laten zien dat ‘vrijheid’ of ‘autonomie’ in de praktijk onveilig kan uitpakken wanneer bescherming, behandeling en nabijheid ontbreken (MIND Platform, 2024).

Eerst werd autonomie afgenomen in naam van bescherming, later wordt autonomie opgelegd in naam van vrijheid

De parallel is ongemakkelijk maar duidelijk: eerst werd autonomie afgenomen in naam van bescherming, later wordt autonomie opgelegd in naam van vrijheid. Juist dat is paradoxaal. Want autonomie zou over keuzevrijheid en menswaardigheid moeten gaan, maar als het systeem bepaalt hoe die autonomie eruit moet zien, wordt vrijheid opnieuw begrensd. Het probleem is dus niet autonomie op zichzelf, maar dat autonomie soms wordt gebruikt als argument om verantwoordelijkheid op afstand te houden.

Wie is verantwoordelijk voor een leven?

De echte opdracht ligt daarom niet alleen in het veroordelen van het verleden. Zij ligt in het organiseren van zorg die veilig is, aansluit bij wat mensen nodig hebben en helpt om schade te herstellen. Dat geldt voor jongeren die gesloten jeugdzorg hebben meegemaakt, maar net zo goed voor de volwassenen die vandaag vastlopen in de ggz.

Uiteindelijk gaat deze discussie niet over systemen, financiering of losse instellingen, maar over mensenlevens. Over jongeren die bescherming nodig hadden en beschadigd raakten. Over volwassenen die hulp nodig hebben en vastlopen. En over een samenleving die inmiddels weet wat er is misgegaan, maar nog steeds worstelt met de vraag wat zij verschuldigd is aan degenen die daarvan de gevolgen dragen.

Zolang schade wel wordt benoemd, maar verantwoordelijkheid voor herstel niet werkelijk wordt genomen, blijft die vraag terugkomen: als iedereen verantwoordelijk is voor een stukje, wie is er dan verantwoordelijk voor een leven?

Hannah Hollestelle schrijft dit artikel op persoonlijke titel. Zij is voorzitter van Stichting ExpEx, bestuurslid van MIND en ervaringsdeskundige. Zij zet zich in voor een jeugdzorg en geestelijke gezondheidszorg waarin veiligheid, gelijkwaardigheid en herstel centraal staan.

 

Foto: Mart Production via Pexels.com