Hoe verlies de blinde vlek werd van de politiek

Door modernisering, technocratisch bestuur en het verdwijnen van publieke voorzieningen neemt de onvrede onder burgers toe. Henk Krijnen beschrijft in dit essay hoe een wijdverbreid maatschappelijk gevoel van verlies structureel over het hoofd werd gezien.

Twee recente studies helpen dat verlies scherper te duiden. De Duitse socioloog Andreas Reckwitz laat in Verlies. Een kernprobleem van de moderniteit zien hoe modernisering niet alleen vrijheid en kansen voortbrengt, maar ook systematisch ontworteling.

De Nederlandse politicoloog Catherine de Vries toont in De symfonie van onvrede hoe die ontworteling politieke brandstof wordt — voor vervreemding, wantrouwen en de electorale opmars van radicaal-rechts. Samen leggen zij bloot waar de schoen wringt: beleid heeft decennialang vooruitgang nagestreefd en heeft daarbij de verbondenheid vergeten die mensen draagt.

Het vooruitgangsgeloof als blinde vlek

Lange tijd gold modernisering als een politiek axioma. Globalisering, digitalisering, Europese integratie en flexibilisering van de arbeidsmarkt werden gepresenteerd als onvermijdelijk én wenselijk. Wie niet meekwam, had onvoldoende geïnvesteerd in zichzelf. Wat ondertussen verloren ging — lokale gemeenschappen, stabiele arbeidsrelaties, herkenbare publieke voorzieningen — werd beschouwd als onvermijdelijk bijproduct van een grotere beweging in de goede richting.

Voor de mensen die er wonen, betekent het dat hun leefomgeving stap voor stap inkrimpt

Dit vooruitgangsoptimisme overheerste niet alleen bij liberalen; ook progressieve stromingen raakten er diep mee verbonden. Vanaf de jaren negentig gingen begrippen als innovatie, kenniseconomie en concurrentiekracht domineren. Politiek werd steeds meer een kwestie van bestuur en optimalisering. Degenen die het tempo van verandering niet bijhielden, kregen sociale hulp aangeboden — hun fundamentele bezwaar tegen de richting van die verandering werd zelden serieus genomen.

Precies hier zit de blinde vlek. Processen die bevrijdend werkten — meer individuele vrijheid, meer kansen voor vrouwen en minderheden, grotere culturele diversiteit — werden tegelijkertijd beleefd als verlies van houvast, vertrouwdheid en zeggenschap. Die verliesbeleving was geen irrationele reactie, geen ongepaste nostalgie. Ze was een reële ervaring van mensen die zagen hoe hun leefwereld langzaam werd uitgehold.

Kleine veranderingen met grote gevolgen

De Vries maakt concreet hoe maatschappelijke onthechting zich opbouwt. Niet door één grote breuk, door een opeenstapeling van alledaagse veranderingen: het bankfiliaal verdwijnt uit het dorp, de bus rijdt minder vaak, het streekziekenhuis fuseert, de school wordt groter en anoniemer. Voor beleidsmakers zijn dit rationele keuzes op basis van efficiëntie en kostenbesparing. Voor de mensen die er wonen, betekent het dat hun leefomgeving stap voor stap inkrimpt.

Moderne samenlevingen [...] zijn ingericht op permanente vernieuwing

Publieke voorzieningen zijn niet alleen functioneel, zo laat De Vries zien — ze drukken ook maatschappelijke aanwezigheid uit. Ze maken zichtbaar dat een gemeenschap ertoe doet. Verdwijnen ze, dan verdwijnt niet alleen een dienst, ook een vorm van erkenning. Een gesloten buurthuis is meer dan een gesloten buurthuis: het is het signaal dat de overheid er niet meer voor je is. Een geschrapte buslijn raakt niet alleen de mobiliteit; het versterkt het gevoel er niet meer toe te doen.

Dat gevoel is maatschappelijk riskant. Niet omdat het per definitie leidt tot steun voor populistische partijen, wel omdat het institutioneel vertrouwen ondermijnt. De culminatie van dit soort verlieservaringen zorgt ervoor dat het vertrouwen in de overheid, en misschien wel in de samenleving als geheel, op de proef wordt gesteld, zo niet ernstig wordt geschaad. De populistische verleiding ligt op de loer.

De taal van verlies

Reckwitz biedt een diepere verklaring voor de kracht van dat populistische verhaal. Moderne samenlevingen, schrijft hij, zijn ingericht op permanente vernieuwing — en bieden steeds minder antwoord op de existentiële vragen die dat oproept. Hoe flexibeler en mobieler het leven wordt, hoe sterker het verlangen naar stabiliteit en nabijheid. Continuïteit en herkenbaarheid zijn geen romantische idealen, het zijn gewone menselijke behoeften.

Wie niet meekwam met de modernisering, had hulp nodig

Populistische partijen zijn erin geslaagd die behoeften politiek te vertalen. Niet door inhoudelijk sterke programma's aan te bieden, maar door een taal te spreken die verlies erkent. Migratie speelt daarin een bijzondere rol: niet omdat alle maatschappelijke onvrede daarvandaan komt, maar omdat het onderwerp fungeert als verzamelpunt voor bredere ongenoegens — over woningnood, druk op de zorg, ervaren veiligheid en het gevoel dat de overheid gewone burgers niet langer beschermt.

Die onvrede is door de politiek te lang opgepakt als een communicatieprobleem: beter uitleggen wat het beleid oplevert, misverstanden rechtzetten. Dat mist de kern. Het gaat niet om uitleg, de crux is: erkenning, waardigheid. Zolang verlieservaringen worden benaderd als een informatietekort dat met de juiste framing kan worden opgelost, wordt de kloof alleen groter.

Maar ook langs een andere weg werd verlies uit het publieke domein geweerd: door het te herformuleren als een sociaal probleem. Wie niet meekwam met de modernisering, had hulp nodig. In de grondgedachte school een oordeel: de samenleving was op koers, de burger moest worden bijgesteld. Verlies werd zo een kwestie van individuele achterstand, niet van collectieve keuzes.

Efficiëntie heeft een prijs

Onder deze ontwikkelingen gaat een bredere politieke verschuiving schuil: de opkomst van technocratisch bestuur. Politiek verschoof van collectieve verbeelding naar bestuurlijke beheersing. De vraag welk samenleven wenselijk is, maakte plaats voor de vraag hoe processen efficiënter konden verlopen. De politicus werd manager, de overheid serviceprovider, de burger klant.

De belofte dat kinderen het beter zouden krijgen dan hun ouders is [...] niet langer vanzelfsprekend

Die omslag bracht onmiskenbare voordelen. Complexe samenlevingen hebben professionele uitvoering en specialistische kennis nodig. Die technocratische wending kostte ook iets wezenlijks: het vermogen om verbondenheid te organiseren. Een overheid die zichzelf als efficiëntiesysteem verstaat, heeft geen taal voor wat mensen bezighoudt. De prijs voor deze omissie verschijnt helaas niet op een begroting.

Verbondenheid als politiek project

Wat Reckwitz en De Vries samen zichtbaar maken, is een politieke opgave die lang buiten beeld bleef: hoe scheppen moderne samenlevingen verbondenheid? Dat is geen nostalgische vraag, maar een praktische. Publieke voorzieningen organiseren niet alleen diensten — ze organiseren ook sociale aanwezigheid. Beslissingen over bibliotheken, buurthuizen en openbaar vervoer mogen daarom niet alleen op efficiëntie-overwegingen worden gebaseerd.

Wie optimaliseert, snijdt ongemerkt in de sociale infrastructuur waarop gemeenschappen drijven. Aan het omgekeerde is behoefte: een herwaardering van het maatschappelijk middenveld. En dat in al denkbare vormen: bewonersinitiatieven, coöperaties, vakbonden en buurthuizen waar mensen niet alleen consument of individu zijn, maar ook burger en buurtgenoot. Juist in die verbanden leren mensen verantwoordelijkheid nemen, verschillen overbruggen en invloed uitoefenen op hun directe omgeving.

Wat deze tijd vraagt, is meer dan herstel van vertrouwen in overheid en instituties

Er is nog een tweede verlies dat zelden expliciet wordt gemaakt: het verlies van toekomstvertrouwen. De belofte dat kinderen het beter zouden krijgen dan hun ouders is voor een groeiend deel van de bevolking niet langer vanzelfsprekend. Betaalbaar wonen is moeilijker geworden, arbeidszekerheid onzekerder, de kans op sociale stijging verminderd. Intussen klinkt de noodzaak van verduurzaming voor velen als een oneerlijke oproep om verworven zekerheden in te leveren. Het vooruitgangsoptimisme heeft zijn geloofwaardigheid verloren — en politiek is daar nog geen overtuigend antwoord op gevonden.

Meer dan vertrouwensherstel

Wat deze tijd vraagt, is meer dan herstel van vertrouwen in overheid en instituties — hoe noodzakelijk dat ook is. Nodig is een maatschappelijk verhaal dat oprecht is over de grenzen van verandering, en tegelijk perspectief biedt. Een verhaal dat ruimte maakt voor bestaanszekerheid, voor zeggenschap over de eigen leefomgeving en voor een toekomst die ook voor volgende generaties de moeite waard is.

Dat betekent in de praktijk: minder nadruk op innovatie en aanpassingsvermogen als politieke kernwaarden, en meer aandacht voor stabiliteit, sociale samenhang en democratische verankering van publieke instellingen. Niet als terugkeer naar een geïdealiseerd verleden. Nee, eenvoudigweg als antwoord op een legitieme behoefte die te lang onvervuld is gebleven.

De werkelijke toets voor de politiek is of zij vooruitgang opnieuw weet te verbinden met gemeenschapszin en daarmee een geloofwaardig antwoord kan bieden op de onzekerheden van deze tijd. Voor de sociale sector is de toets of zij verlies erkent als een maatschappelijk signaal en een serieuze partner wordt in het versterken van verbondenheid.

Henk Krijnen is politicoloog en publicist.

 

Reckwitz, A. (2024). Verlies. Een kernprobleem van de moderniteit. Atlas Contact.

De Vries, C. (2025). De symfonie van onvrede. De opmars van radicaal-rechts in Europa. Prometheus.

 

Foto: Mathias Reding via Pexels.com