Jurja Steenmeijer bijt zich al jaren vast in het vraagstuk van de autonomie van de sociaal werker. Ze schreef er in 2022 een boek over, met daarin een model voor het dagelijks handelen. De vraag naar hoe autonoom sociaal werkers zijn, speelt al decennia, en wordt volgens Steenmeijer met de dag urgenter. De overheid, maar ook diverse organisaties bemoeien zich steeds meer met het professioneel handelen van sociaal werkers. Goed hulpverlenerschap wordt dan al snel het volgen van beleid en voorschriften in plaats van de professionele standaarden van het beroep zelf.
In het verleden was ze zelf sociaal werker en nu is ze directeur van de Academie van de beroepsvereniging van professionals in sociaal werk (BPSW). Bij de Academie kunnen sociaal werkers terecht voor scholing.
Aanmelden Agenda van het Sociaal Werk‘Sociaal werker aan zet: meer professionele autonomie’ is het thema van de Agenda van het Sociaal Werk die op 24 september 2026 plaatsvindt bij The Colour Kitchen in Utrecht. Jurja Steenmeijer houdt de Marie Kamphuis Lezing. Als sociaal werker, ethica en auteur biedt zij een inspirerende visie op professionele autonomie in het sociaal werk. Diverse workshops gaan in op de positie van sociaal werkers. Je kunt je hier aanmelden. |
Wat is je recentste voorbeeld van de inperking van de autonomie van de sociaal werker?
‘Ik hoorde van een professional in een gemeente dat ze een aanvraag voor jeugdzorg had afgewezen. De moeder van het kind was jurist en ging naar de klachtencommissie van de gemeente en trok ook de wethouder aan haar jas. Uiteindelijk werd de aanvraag alsnog toegekend door de gemeente, terwijl de professional een weloverwogen besluit had genomen, en op professionele gronden geen reden zag om de gevraagde voorziening toe te kennen. De voorziening zou niet gaan werken, in dit gezin was iets anders nodig, oordeelde zij.’
Dus de ingreep van de gemeente ging hier ten koste van de expertise van die professional. Heb je nog een voorbeeld?
‘Wat je in zijn algemeenheid ook vaak hoort, is dat sociaal werkers zeggen dat ze bepaalde informatie niet willen delen omdat dat onder hun geheimhoudingsplicht valt en dat hun organisatie of gemeente dan zegt: ‘Ja, maar we wij werken samen met de politie.’ En vervolgens word je onder druk gezet die informatie toch te delen. Die professional belt dan vertwijfeld met de BPSW en zegt: ‘Maar dit kan toch helemaal niet?’’
Dus er is alle reden voor een Marie Kamphuis Lezing over de autonomie van het beroep. Kun je al iets verklappen over hoe je professionals gaat aanmoedigen om hun professionele autonomie te versterken?
‘Dat kan op drie manieren. De eerste stap is door een sterkere identificatie met je professie. Wat is je identiteit als sociaal werker? De tweede stap is legitimeren; dat betekent dat je actief professionele argumenten inzet voor de onderbouwing van je handelen en de besluiten daarbinnen: je vakkennis, de beroepscode, mensenrechten vanuit de reflectie met je collega’s. En dat je die bronnen in een goede argumentatieve structuur weet te gieten.
‘Weerwerk bieden, kritisch denken over de collectieve oorzaken achter individuele problemen en tegengas geven’
De laatste stap is weerwerk bieden, oftewel kritisch denken over de collectieve oorzaken achter individuele problemen en dat je tegengas kunt geven. En dat als een beleidsmaker zegt dat iets onder ‘zelfredzaamheid’ valt, je daar ook een kritisch en onderbouwd weerwoord op hebt.’
Je eerste stap, de identificatie met het beroep van sociaal werker, daar schort het nu aan?
‘Ja. Je ziet het in De grote raadpleging van het sociaal werk van Movisie vorig jaar. Als je aan 1200 sociaal werkers vraagt naar hun beroepsnaam krijg je vijfhonderd verschillende antwoorden. Ze gebruiken hun functienaam: sociaal makelaar, welzijnscoach, koppelmedewerker... Eigenlijk zou iedereen moeten zeggen: ik ben sociaal werker. En natuurlijk is het dan prima dat op je kaartje je functie staat, zodat mensen weten wat je voor hen kan betekenen.
‘Mensen tot hun recht laten komen. Dat is je belangrijkste missie’
Maar tegelijk moet wel duidelijk zijn dat je professionele kaders en kennis hebt. Dus dat je de legitimering, stap 2 dus, zoekt in professionele bronnen. En niet alleen in het systeem.’
Wat is de belangrijkste bron van het sociaal werk?
‘Artikel 1 van de Beroepscode voor professionals in sociaal werk. Dat draait om ‘mensen tot hun recht laten komen’. Dat is je belangrijkste missie. Mensen tot hun recht laten komen in wisselwerking met hun omgeving, zodat ze zich zo optimaal mogelijk kunnen ontplooien, in lijn met hun eigen aard en behoeften. Vervolgens kijk je naar wat die mens nodig heeft, en: wat kan ík als professional daarin betekenen? Maar wat helaas heel vaak gebeurt is het omgekeerde. Dat je vanuit je werkopdracht op pad wordt gestuurd en tegen een dilemma aanloopt en denkt: hé, wie ben ik om hier wat van te vinden? Dan wordt de beroepscode er pas als laatste bij gepakt, maar dat is je stártpunt. Dan mis je dus de identiteit die je autonoom maakt en de onderbouwing om je handelingsruimte te vergroten.’
‘Mensen tot hun recht laten komen’ is best abstract. Kun je dat meer handen en voeten geven?
‘Ik weet niet of je dat moet doen, want dan ga je alweer het antwoord voor de professional geven. Mensen tot hun recht laten verwijst én naar rechtvaardigheid én naar floreren als mens, de ‘zelf’ worden die je wilt en kunt zijn. Je kunt alleen in de situatie - in een gezamenlijk zoekproces - ontdekken, wat dat betekent. Als je het vooraf invult, perk je de ruimte toch weer in.’
‘Ik hoor werkgevers ook wel zeggen: die autonome professional van jou, Jurja, die bestaat helemaal niet’
Maar als je honderd verschillende mensen vraagt wat het betekent om mensen tot hun recht te laten komen, dan krijg je honderd verschillende antwoorden.
‘Gelukkig maar! Het zijn ook honderd verschillende mensen. Het stoort me mateloos als ik een stuk lees dat begint met ‘iedereen recht heeft op goede zorg’, en het vervolgens dan tientallen pagina’s gaat over hoe dat er voor iedereen hetzelfde uitziet en waarmee dus geprobeerd wordt professionals weer in het gareel te krijgen. Honderd verschillende antwoorden vinden we onverdraaglijk, maar mensen zijn uniek. Is het dan niet logisch dat ze krijgen wat ze nodig hebben op de honderd verschillende antwoorden die ze geven?’
Maar tegelijkertijd wil je ook die gemeenschappelijke identificatie van de sociaal werker krijgen.
‘Wat mij betreft zit die gemeenschappelijkheid in de argumentatie die je gebruikt om beslissingen te nemen. En niet in het besluit dat je neemt, dat mag alle variatie hebben. De redenen waarmee je je besluit onderbouwt, moeten natuurlijk wel uit gedeelde bronnen komen. Wat dus professioneel niet kan is: ‘Ik doe dit omdat het goed voelt’.’
Vragen we dan niet te veel van sociaal werkers?
‘Het is niet makkelijk want het systeem probeert ze steeds weer te in te perken. Ik hoor werkgevers ook wel zeggen: die autonome professional van jou, Jurja, die bestaat helemaal niet. Dan denk ik: ja, logisch als het systeem de hele tijd tegen ze zegt: goed werk is werk in lijn met de afspraken die we als werkgevers hebben gemaakt. Werkgevers suggereren dan dat professionals hun eigen hobby’s zitten te beoefenen. Dan denk ik: hobby’s? Heb je soms een gaatje in je hoofd om in zulke termen over werk in de jeugdbescherming te praten? Maar als antwoord op jullie vraag: ja, professionals moeten dit zeker aankunnen, ze hebben een vierjarige hbo-opleiding op zak, hè.’
Goed, je neemt een overwogen beslissing met hulp van de bronnen die je tot je beschikking hebt, dan moet je ook nog eens de moed hebben om daarvoor te gaan staan, zoals in het voorbeeld waarmee je begon. Dat is niet makkelijk, de wethouder kan je bellen, je kunt de pers over je heen krijgen, je baan kan onder druk komen te staan…
‘Als je de argumenten gebruikt op basis van je professionele standaarden en kennis, dan sta dus al niet alleen, maar op de schouders van je beroepsgroep. Je moet het ook niet alleen doen, maar met collega’s bespreken. En als je er niet uitkomt, haal je de beroepsvereniging erbij. Als je niet alleen staat kun je ook veel moediger zijn, je hebt iets in handen. Als ik professionals hoor zeggen: ‘Maar wie ben ik dan om dit te vinden?’, dan denk: ik kom op joh!
‘Wat professionals volgens mij nodig hebben is de moed om ergens voor te gaan staan’
Wat professionals volgens mij nodig hebben is de moed om ergens voor te gaan staan. En er dan ook rekening mee durven te houden dat ze in al hun kwetsbaarheid durven te falen.’
Je derde stap naar meer autonomie betekent: meer tegengas geven. Een jaar of vijf geleden is er veel discussie geweest over politisering van het sociaal werk. Sindsdien lijken sociaal werkers dat juist niet meer te zijn gaan doen. Waarom is politiseren zo moeilijk?
‘Ik denk omdat sociaal werkers gestimuleerd worden om te beginnen waar ze nog niet zijn. Ik zie het in de trainingen die ik geef aan sociaal werkers. Dan heb ik het voorbeeld van mensen in een sociaal werkbedrijf in Apeldoorn die meer salaris eisen. De gemeente waar dat bedrijf is gevestigd weigert dat. De kop in de krant is: ‘Harry (56) wil meer loon, maar mag een budgetcoach nemen’. Ik denk dan: zijn ze helemaal gek geworden daar in Apeldoorn? Maar dan vraag ik mijn cursisten: ‘Wat roept dit bij jullie op?’ En de meesten zeggen: ‘Wel fijn dat die mensen geholpen worden om beter rond te komen.’ Sommigen vragen zich voorzichtig af of dat geld voor de budgetcoach niet beter direct naar Harry kan, en een enkeling vindt de salariseis terecht. Nu gaat het mij er niet om dat Harry en zijn collega’s meer geld moeten krijgen, maar als NS-medewerkers of docenten meer salaris vragen, krijgen ze niet de reactie dat ze moeten leren budgetteren. Wat is dan het verschil?’
‘Regels kunnen ruk uitpakken. In die gevallen komt het aan op het beoordelingsvermogen van de professional’
We weten uit eerder onderzoek dat professionals het vaak wel fijn vinden om veel houvast te hebben - een stappenplan, een participatieladder, duidelijke regels, noem maar op.
’Kijk, 80 procent van de regels zijn gewoon goed. Maar regels kunnen ook ruk uitpakken. In die gevallen komt het aan op het beoordelingsvermogen van de professional. Die moet dan de ruimte pakken zodat mensen wel tot kun recht kunnen komen. Dan heb je dus andere argumenten nodig dan de regels die gelden om je besluit te onderbouwen. Dat vergt scherpe professionals.’
Je legt de bal voor meer autonomie bij professionals, en ook bij organisaties en werkgevers. Wat hebben burgers of cliënten aan autonome sociaal werkers?
‘Autonomie betekent niet dat je kunt doen waar je zin in hebt. Juist niet! Als professional verklaar je je vrijwillig gebonden aan de vakinhoudelijke en ethische normen van de professie.
Het gaat niet om ‘ik mag het zelf bepalen’. Dat is vaak waar burgers bang voor zijn. Dus zij hebben baat bij autonome sociaal werkers. Zij krijgen betere professionals tegenover zich die hun handelen kunnen onderbouwen en die de messiness van het leven niet wegdrukken maar daar oog voor hebben.’
Marcel Ham is hoofdredacteur van Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken. Dorien Claessen is senior onderzoeker/projectleider Professionalisering van sociaal werk
Foto: Marloes van Doorn