Alledaagse attentheid in een superdiverse wijk

In een superdiverse wijk spreekt het niet voor zichzelf dat buren dagelijks voor elkaar zorgen. In de Amsterdamse wijk Overtoomse Veld – meer dan de helft van de mensen met een niet-westerse migratieachtergrond - blijkt wel sprake van ‘alledaagse attentheid’: even de boodschappen naar boven tillen in het portiek of eten brengen bij een zieke buurvrouw.

In een superdiverse wijk spreekt het niet voor zichzelf dat buren dagelijks voor elkaar zorgen, al streeft het huidige overheidsbeleid met haar roep om de ‘participatiesamenleving’ dat wel na. Dat blijkt uit gesprekken met ongeveer 50 bewoners, 32 mensen die in de wijk werken en maandenlange observatie in Overtoomse Veld in Amsterdam, een wijk waar mensen met een migratieachtergrond in de meerderheid zijn, ook door de komst van Europese migranten (‘expats’). De voordeur is een behoorlijk harde grens. In de buurt, op de stoep of in het portiek is wel contact maar buren komen zelden achter elkaars voordeur.

Wel is er soms sprake van wat we ‘alledaagse attentheid’ kunnen noemen: een oogje in het zeil houden en als het nodig is, even helpen. Zoals de boodschappen naar boven tillen in het portiek of eten brengen bij een zieke buurvrouw. Vooral kwetsbare mensen (ouderen en mensen met een verstandelijke beperking die op zichzelf wonen) vinden het fijn als iemand af en toe vraagt: ‘Alles goed?’, en als ze in geval van nood bij een buur kunnen aankloppen.

Voorbeelden van dit soort alledaagse attentheid zagen we bijvoorbeeld in het trappenhuis van de portiekflat. Een 80-jarige Nederlandse portiekbewoonster vertelt bijvoorbeeld over haar Marokkaanse bovenbuurvrouw:

‘Ze had me laatst een tijdje niet gezien en daarom had ze ’s avonds even aangeklopt om te vragen hoe het met me ging. Maar ik doe ’s avonds nooit open. Een dag later kwam ik haar tegen in het trappenhuis en toen zei ze van: “Goh, ik zie u weer. Als er wat is, kom dan maar gewoon naar me toe hoor.” Dus dat zal ik dan ook wel gaan doen. Dat vind ik wel lief van haar. Een boerka hè, je ziet enkel haar ogen. Maar ze spreekt gelukkig wel Nederlands.’

Over Overtoomse Veld

Overtoomse Veld maakt deel uit van de westelijke tuinsteden van Amsterdam. De wijk is in 1958 gebouwd als een nieuw type stadsdeel waarbij niets meer om de hoek was, maar men aangewezen was op gemotoriseerd vervoer. Dit concept is nog steeds te zien in de strikte verdeling tussen woonstroken, de groene publieke ruimtes tussen deze stroken en de verschillende commerciële en maatschappelijke organisaties die zich in de onderste bouwlaag van de woonblokken op de hoofdwegen bevinden.

Het zijn deze brede straten en gescheiden functies die nu door bewoners vaak als probleem worden ervaren door de lange looproutes met weinig bankjes en weinig winkels dicht bij huis. In het hart van de wijk ligt het August Allebéplein. Hier zijn naast de Lidl, Albert Heijn en Kruidvat ook winkels als een Marokkaanse bakker, een halal-slager en een Turkse groentewinkel en enkele horeca gelegenheden te vinden. Aan het plein staat ook het politiebureau pal naast de moskee. Daartegenover is een school en aan de achterkant van het plein bevindt zich het Huis van de Wijk ‘De Buurtzaak’.

Overtoomse Veld, dat een van de zogenoemde ‘Vogelaarwijken’ was, is een typische superdiverse wijk van een grote stad, zoals er meer zijn in Nederland, bijvoorbeeld in Den Haag of Rotterdam, maar ook in Zwolle of Eindhoven. Tegenwoordig zijn mensen met een Nederlands achtergrond in de minderheid in de wijk; zij maken minder dan een derde (29 procent) van de bevolking uit. De zogenoemde minderheden maken de meerderheid uit.

Meer dan de helft van de inwoners (53 procent) heeft een niet-westerse migratieachtergrond. Dat zijn vaak mensen van Marokkaanse en in mindere mate Turkse huize. Ook heeft 17 procent een westerse migratieachtergrond. Die laatste groep stijgt: er komen geleidelijk meer mensen uit landen als Duitsland, Engeland en andere Europese landen in de wijk wonen, net als in heel Amsterdam.

Mensen met een migratieachtergrond lijken attenter

Ook anderen vertellen over kleine hand- en spandiensten van bewoners in het trappenhuis voor elkaar. Het gaat om dingen als een boodschap doen, zware boodschappen naar boven brengen, vuilnis mee naar beneden nemen, een maaltijd langsbrengen, iemand naar het ziekenhuis brengen, een slot smeren, en een praatje maken of oogje in het zeil houden.

Hoewel diversiteit door migratie het onderling contact tussen bewoners ingewikkelder kan maken omdat mensen elkaar niet (her)kennen, komt uit het onderzoek naar voren dat vooral mensen met een migratieachtergrond vaker attent lijken te zijn voor iemand met een Nederlandse achtergrond, dan andersom.

Attente plekken hebben in de eerste plaats een commerciële functie

Ook buiten de portiekflats vonden we in Overtoomse Veld plekken waar mensen die kwetsbaar zijn attentheid kunnen ervaren. Drie condities zijn daarbij van belang: fysiek laagdrempelig, open naar iedereen, ongeacht migratieachtergrond of leeftijd, en vooral attent personeel: de caissière die geld voor je pint wanneer je het even niet snapt, de tabakswinkel waar twee stoeltjes staan zodat mensen kunnen uitrusten en babbelen, de winkelier die in de gaten houdt of je vandaag wel bent geweest, de patatboer die zorgt dat mensen in gesprek raken en zo nodig de friet thuisbezorgt omdat je vandaag niet uit huis kunt, de medewerker van de kringloopwinkel die de tijd neemt om te luisteren en je de volgende keer weer vraagt hoe het gaat.

Opvallend is dat de attente plekken in de wijk in de eerste plaats een commerciële functie hebben. Burgers, ook kwetsbare, zien zich liever niet als iemand die op zoek is naar een ontmoeting, maar worden liever aangesproken als consumenten. Het Huis van de Wijk dat juist gericht is op het bij elkaar brengen van wijkbewoners, ervaren de gesproken bewoners niet als een plek waar zij graag komen.

Er zijn te weinig plekken waar mensen elkaar kunnen tegenkomen

Zowel bewoners als professionals vinden dat er in Overtoomse Veld te weinig plekken zijn waar mensen elkaar ongedwongen kunnen tegenkomen en waar iedereen, ongeacht achtergrond, religie of leeftijd zich thuis voelt. Bankjes langs de lange looproutes, buurtwinkels en horecagelegenheden met een gemengd publiek (niet alleen wat betreft herkomst maar ook leeftijd) lijken te ontbreken.

Ook is er weinig contact tussen de commerciële en professionele infrastructuur (de winkel en de wijkverpleegkundige) en weten buurtbewoners niet waar je naar toe kunt stappen als de gordijnen van de buurman niet opengaan.

Alledaagse attendheid: aardigheid en betrokkenheid

Alledaagse attentheid is de korte samenvatting van wat buren in een superdiverse wijk zoals het Overtoomse Veld voor elkaar kunnen, willen en wensen te betekenen. Het betekent niet alleen dat mensen elkaar daadwerkelijk zien, maar ook actie ondernemen als dat nodig is.

Alledaagse attentheid houdt in dat mensen signaleren of een ander een helpende hand nodig heeft, ‘beleefde oplettendheid’, maar die dan ook bieden of ten minste zorgen dat iemand anders die biedt. Alledaagse attentheid is vaak incidenteel. Het gaat niet om grote gebaren maar om aardigheid en betrokkenheid die het dagelijks leven verlichten en veraangenamen.

Een luchtige variant van zorg

Alledaagse attentheid is meer dan wat Talja Blokland (2005) ‘publieke familiariteit’ noemde, vertrouwde gezichten in de buurt zodat mensen zich veiliger voelen. Het is ook meer dan wat Suzanne Wessendorf (2014) common place diversity noemt, vanzelfsprekende omgang tussen mensen die van elkaar verschillen.

Dergelijke omgangsvormen zijn in buurten noodzakelijk maar onvoldoende, gegeven de toenemende kwetsbaarheid van mensen in stadsbuurten én verlangens van mensen zelf. Ook in een grote stad als Amsterdam wensen mensen van hun buren meer dan onverschilligheid en anonimiteit.

Tegelijkertijd is alledaagse attentheid een luchtige variant van zorg, die vaak onder de radar blijft in onderzoek naar zorg, waar het meestal gaat over allerlei zorgtaken en de uren die eraan worden besteed. Mensen die kwetsbaar zijn willen, zoals ook uit eerder onderzoek overtuigend blijkt, niet allerlei vormen van intieme zorg van buren - zoals wassen of helpen bij toiletbezoek - maar zijn wel blij als iemand een oogje in het zeil houdt en eens vraagt hoe het gaat. Niemand wil graag onopgemerkt in zijn of haar flat liggen na een val of erger.

Ook vinden mensen het fijn als ze een geïnteresseerd praatje kunnen maken dat iets verder gaat dan een snelle groet, in het geval dat ze ooit hulp nodig hebben, of zelf willen geven.

Monique Kremer is bijzonder hoogleraar Actief burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam en verbonden aan de WRR. Astrid Parys is antropoloog en verbonden aan Tao of Care. Loes Verplanke is onderzoeker bij de afdeling Sociologie van  de Universiteit van Amsterdam.

Het rapport werd 10 juli 2019 gepresenteerd in De Buurtzaak, Overtoomse Veld. Het rapport is te downloaden van www.moniquekremer.nl en www.bensajetcentrum.nl.

 

Foto: Karen Eliot (Flickr Creative Commons)