Als de hulpverlener cliënt wordt

Begrijpen we elkaar als hulpverleners en cliënten echt wel zo goed, of denken we dat alleen? Hoe groot is het verschil tussen luisteren en echt begrijpen? Verslavingsdeskundige Marieke Bourgonje trekt lessen uit haar eigen ADHD-behandeling.

Ik heb het systeem uitgespeeld. Of beter gezegd: het systeem heeft mij uitgespeeld. Opgegeven. Nou nee, dat ook niet. Maar wat wel? Lamgeslagen dan. Hulpverlenend Nederland heeft me een beetje in de steek gelaten. Tenminste, zo voelt het. Bare with me, aan de hand van een voorbeeld uit mijn eigen leven kom ik daarna op de bredere context.

Anderhalf jaar heb ik op de wachtlijst gestaan voor diagnostiek. Dat is kort vergeleken met anderen en toch ook wel erg lang als het jezelf overkomt. Op van de zenuwen ben ik in mijn eentje naar de diagnostiekdag geweest. Dikke vette ADHD, gecombineerde type en zo’n groot verschil in een Qb-test met en zonder medicatie dat ook de verpleegkundig specialist er even van ondersteboven leek te zijn. Hadden we het nou maar eerder geweten, hè? Iets met uitstelgedrag en een overbelast zorgsysteem.

Allright, all good. Zodra die bevestiging er eenmaal is, ga je de mallemolen in. Instellen op medicatie. Is cognitieve gedragstherapie iets voor je? Niet per se, maar laten we het toch maar doen. Professionals die aangeven dat ze cognitieve gedragstherapie niet zo zien zitten bij mensen die de hele godganse dag al ‘in hun hoofd zitten’ en toch niets anders kunnen voorschrijven omdat dit hét middel is dat de organisatie aanbiedt. Hey ho let’s go. Ik kan je vertellen dat de drempel uitermate groot was om als hulpverlener aan die gevreesde andere kant van het bureau te gaan zitten. Maar. Het. Moet.

Mismatch

De eerste afspraak met mijn nieuwe psycholoog was een confronterende. Het komt erop neer dat ook zij vond dat er behoorlijk wat bagage in mijn eigen rugzak zit. Als we meer sessies nodig zouden hebben, dan konden we dat gaandeweg wel aanvragen met een goede reden. Ondertussen had ik ook afspraken met degene die over de medicatie ging.

Waar de mismatch precies in zit, begrijp ik nog steeds niet helemaal, maar drie sessies later was ik ‘ineens’ klaar. Waarom? Ze wilden vooral niet problematiseren en bleven beiden vasthouden dat ik mezelf kleiner maakte, terwijl ik eigenlijk een heel dominante gezonde kant heb. Zo zelfbewust, zoveel zelfinzicht. Ja duh, maar ik zit hier alsnog niet voor niks. Je kunt jezelf niet behandelen. En daarmee was de rest dus ook afgedaan.

Mijn dopamine is stuk, als ik niet een beetje (te) veel druk ervaar, gebeurt er niks

Ik heb me erbij neergelegd en heb gedacht: misschien moet ik inderdaad focussen op alles wat gewoon goed gaat. Tot ik de afsluitbrief naar de huisarts las en die zit me nog steeds dwars.

Stukje daaruit: ‘Patiënt heeft de vier sessies cognitieve gedragstherapie met goed gevolg doorlopen. Aan het begin van de behandeling heeft zij doelen opgesteld, gericht op: acceptatie van de diagnose ADHD, organiseren en plannen, het verminderen van uitstelgedrag, beter geconcentreerd werken en meer ontspannen. Patiënt heeft gewerkt aan het verkrijgen van overzicht door middel van onder andere een agenda en takenlijst. Tevens heeft zij tools ontvangen om met uitstelgedrag om te gaan. Vervolgens is er aandacht besteed aan positiever leren denken met behulp van gedachteschema’s, het uitdagen van negatieve gedachten en het opstellen van helpende gedachten.’

Hou op met me hoor. Acceptatie? Deze bevestiging zocht ik juist. Een agenda? Had ik al. Plannen kan ik overigens als de beste, mijn planning nakomen schort het aan. Daarvoor heb ik inderdaad een vet handige tool gekregen, maar zonder iemand die over mijn schoudertje meekijkt, heb ik daar letterlijk nooit meer wat mee gedaan. Uitstelgedrag verminderen? Ik zit dit artikel in geleende tijd te schrijven, want het is een deadline (net niet) halen of op tijd naar bed. Mijn dopamine is stuk, als ik niet een beetje (te) veel druk ervaar, gebeurt er niks. En die gedachteschema’s? Welk gedachteschema heb ik ooit gemaakt dan?

Hoe kan het in hemelsnaam?

En dát is de kern van wat me zorgen baart. Hoe kan het in hemelsnaam zo zijn dat onze percepties vaak zo van elkaar verschillen? Degenen die mij behandelden zijn hartstikke kundige, fijne mensen die weten waar ze het over hebben en waar ik ook veel van heb geleerd. En toch ben ik teleurgesteld achtergebleven. Voelt het bijna als een op-de-borst-klopperij van ‘wat hebben we dat toch weer goed gedaan’ als ik die brief lees, terwijl ik er niet uit heb gehaald wat ik wilde.

Ik spreek te veel mensen die zich niet gehoord voelen

Dit is de derde keer dat ik een poging waag. Ik weet niet of ik het nog een vierde keer ga proberen. En dat terwijl mijn diagnose prima lijkt te kloppen. Margreet Vermeulen (2021) schrijft in een artikel voor de Volkskrant over misdiagnosen in de psychiatrie. Naar schatting zou een kwart (!) van de mensen die langdurig in de ggz rondlopen een verkeerd label hebben. En vaak dus een verkeerde aanpak en behandelaanbod. In hetzelfde artikel wordt klinisch psycholoog, psychotherapeut en wetenschappelijk onderzoeker Paul van der Heijden geciteerd dat hij bij dezelfde patiënt een andere diagnose zou kunnen stellen dan zijn collega omdat hij andere vragen stelt. Eigenlijk te bizar voor woorden, als je hele traject daarvan moet afhangen.

Schrijnend

Begrijpen we elkaar als hulpverleners en cliënten echt wel zo goed, of denken we dat alleen?

Hoe groot is het verschil tussen luisteren en echt begrijpen? Ik spreek te veel mensen die zich niet gehoord voelen. Cliënten die hun traumatische verhalen weggewuifd zien worden omdat de ander dat te lastig vindt. Begeleiders die iemand niet alleen in een woning durven zetten uit angst dat het misgaat, terwijl diegene dat heel erg graag wil vanuit de hoop dat een kindje dan kan terugkomen. Patiënten die een therapie niet opnieuw mochten volgen omdat ze daar jaren geleden al gebruik van hadden gemaakt en voldoende handvatten zouden moeten hebben. Het Vergeten Kind schreef in 2024 over jongeren in de jeugdzorg het onderzoeksrapport Ze luisteren wel, maar ik voel me niet gehoord. Schrijnend.

Wat zouden mijn cliënten ervan vinden als ze de inhoud van hun dossiers zouden lezen?

Ik stel mezelf vaak de vraag wat mijn cliënten ervan zouden vinden als ze de inhoud van hun dossiers zouden lezen. Ik heb weleens rapportages gezien waarvan mijn nekharen overeind gaan staan. Vol met aannames, of zo geschreven dat ik direct kan zien of de schrijver deze persoon wel of niet zo aardig vindt. Hoe we iemand zien, is altijd gekleurd door tal van factoren, positief of negatief. Ik schrijf ook weleens dingen op waarvan ik denk: dat is niet leuk om over jezelf te lezen, maar wel waardevol voor degene die jou begeleidt.

Laatst nog schreef ik een brief voor een Wlz-aanvraag. Ik heb mijn cliënt daar flink op voorbereid en toch kwam de inhoud hard binnen. Wat ik van hem zo mooi vind, is dat hij wel herkende wat daar stond beschreven, hoe naar hij het ook vond om dat op papier te zien staan, ook al was het uiteindelijk in zijn belang. Bij anderen zal dat lastiger zijn. Toch hoop ik dat we dan in gesprek kunnen over wat maakt dat we allebei een ander beeld hebben.

Ik mis de echte dialoog

We dénken te weten wat iemand nodig heeft. Of wat iemand niet kan. Of wat diegene juist al veel beter lukt dan-ie zelf denkt. Op basis daarvan nemen we beslissingen, voor en over de persoon. Ik mis daarin soms de echte dialoog. Tel daarbij op dat we nog steeds veel te veel aanbodgericht werken. Therapie X heeft zoveel sessies. Daarna moet je stoppen of doorverwijzen. Weer een wachtlijst. Contra-indicaties en onmogelijkheden. We genezen je binnen acht tot twaalf afspraken, dan gaat het deurtje weer dicht. Of het deurtje voor je opengaat, beslist een ander. En we vinden het best wel vervelend als je daar gefrustreerd over bent.

Tuurlijk doen we ons werk goed. In elk geval doen we naar eer en geweten ons uiterste best. En toch denk ik dat het beter kan. Want als zelfs ik, als bekwame, goedgebekte en blijkbaar uiterst zelfbewuste hulpverlener als patiënt niet verder kom, dan gaat er toch iets mis?

Marieke Bourgonje is verslavingsdeskundige.

 

Foto: Nataliya Vaitkevich via Pexels.com

Bronnen:

Stichting Het Vergeten Kind (2024). Ze luisteren wel, maar ik voel me niet gehoord.

Vermeulen, M. (2021). Last van het verkeerde label: waarom er in de ggz veel foute diagnosen zijn, Volkskrant, 22 januari 2021.

Reacties 2

  1. “Tuurlijk doen we ons werk goed. In elk geval doen we naar eer en geweten ons uiterste best”

    En hiermee haal je jouw eigen betoog onderuit vind ik. Want is dit zo? Ik heb begeleiding gehad die alleen maar leuke dingen wilden doen. Begeleiding die geen wederzijds respect toonden in dat je iets wil aangeven dat je iets niet fijn vind en passieve agressie toonden (schuld legt hoe jij denkt, i.p.v echt antwoorden). En toen ik het had over mijn kindermishandeling, alleen maar zei ‘dat is gebeurd, dat is in het verleden, dat kun je niet meer veranderen’ terwijl het nog steeds gaande was, het was zelfs iemand die in de jeugdzorg aan het werk was.

    In 2020 kreeg ik nog steeds als eerste een antidepressiva aangeboden zonder een gesprek. Ik had Bladzijdes geschreven over narcistisch misbruik, nachtmerries, fysiek geweld etc, en kreeg alleen sociale fobie. Dit is niet je uiterste best doen, dit is een keuze, dit is genoeg om al te weten dat het sowieso (C)PTSS kan zijn. Nu heb ik dus niets, en dat heeft gevolgen voor “aanvraag hulp” maar ook in de rechtspraak en hoe je algemeen benaderd wordt, triggers worden niet meegenomen, laat staan omgevingsfactoren. We onderschatten de ernst van onderkenning en hoe omgeving bewust en onbewust secundaire victimisatie tonen, negeren, dingen niet opschrijven en er een gekleurd dossier van maakt waardoor je verder in problemen komt, en geïsoleerd komt te zitten, bestraft en zelfs tot dader bent benoemd. Langdurige mishandeling geeft eenmaal uiteindelijk een ‘reactieve zelfverdedigingsreacties’, dat kan ook verbaal gebeuren. Dat wordt dan ineens wel opgepakt, en voelt als klassenjustitie, de hulpverlener wordt gehoord, en jij bent maar labiel omdat dat zo geschetst is en patronen nog steeds niet wordt opgepakt.

    Nog steeds ben ik aan het vechten om duidelijk te zijn dat ‘emotionele mishandeling’ bestaat. Inmiddels is er genoeg wetenschappelijk bewezen dat emotioneel geweld veel doet, dat gaslighting bestaat, maar als je de patronen benoemd, ze het nog steeds benoemen als onenigheid, of “geen klik hebben” Inmiddels is dit een keuze, alleen omdat mensen niet willen weten dat er rotte appels in hulpverlening zitten (die uit macht en controle handelen, afhankelijkheidsrelaties kiezen, ja ook vrouwen, de altruïstische vorm), alleen van het goede willen uitgaan, ook al heb je de patronen benoemd.

    Vooral met CPTSS, is positief denken ook schadelijk. Het omarmen van nog steeds “toxische positiviteit”, vooral als je je hele leven al hebt aangepast veroorzaakt dan alleen maar weer teruggaan in ‘aanpassen en schaamte en niet gehoord voelen, onderdrukken van emoties’ en dus “alleen staan, isolatie” , gebrek aan waarheidsvinding, breed want emoties kunnen juist blijk geven van ‘mishandeling, hyperalert zijn, reactieve zelfverdedigingsreacties, ‘

  2. Dank voor je scherpe en broodnodige openhartigheid. Je legt met chirurgische precisie de vinger op de open zenuw van het huidige zorgstelsel: de gapende afgrond tussen de papieren systeemwerkelijkheid en de doorleefde menselijke realiteit.

    ​Die afsluitbrief die je beschrijft—vol administratieve fictie over “behaalde doelen” en “gedachteschema’s” die in werkelijkheid nooit zijn gemaakt—is het schoolvoorbeeld van wat ik bureaucratische schijnveiligheid noem. Het dossier dient niet meer de mens, maar de verantwoording naar de zorgverzekeraar en het managementdashboard. Het protocol dicteert vier sessies en een standaardinterventie, dus wordt de werkelijkheid net zo lang gemodelleerd tot het vinkje gezet kan worden.

    ​Je stelt aan het einde van je stuk de terechte, alarmerende vraag:
    “Want als zelfs ik, als bekwame, goedgebekte en blijkbaar uiterst zelfbewuste hulpverlener als patiënt niet verder kom, dan gaat er toch iets mis?”

    ​Het antwoord is een volmondig ja. Maar de wezenlijke verandering ontstaat niet wanneer de hulpverlener ontdekt hoe koud en ontoereikend het aan de overkant van het bureau is. De échte transformatie begint pas wanneer we de beweging radicaal omdraaien: wanneer de cliënt de hulpverlener, de adviseur en de systeemarchitect wordt.

    ​Hier is waarom die omkering de enige uitweg is uit deze collectieve kramp:

    ​1. Het doorbreken van de intellectuele valkuil
    ​Jouw behandelaars wisten zich geen raad met je omdat je “te zelfbewust” was en een “dominante gezonde kant” liet zien. Dat is de klassieke denkfout van een puur theoretisch geschoold systeem: men verwart verstandelijke rationalisatie met wezenlijke emotieregulatie en executieve rust.
    ​Een hulpverlener die zélf door de modder van verslaving, frictie, overlevingsmechanismen of neurodivergente chaos is gegaan, trapt daar niet in. Die prikt binnen dertig seconden door een welbespraakte façade heen en weet: iemand kan verbaal op niveau tien functioneren, terwijl het zenuwstelsel en het dopaminesysteem tegelijkertijd op standje overleven staan. Je hoeft een cliënt niet ‘klein’ te maken om te erkennen dat de executieve motor hapert.

    ​2. Congruentie en co-regulatie in plaats van ‘aanbodgericht afvinken’
    ​Veel traditionele hulpverlening is gevangen in haar eigen formats: cognitieve gedragstherapie en geprotocolleerde schema’s. Maar een ontregeld brein reguleert niet op een A4’tje met helpende gedachten; het reageert op relationele veiligheid, nuchterheid en zuivere resonantie.
    ​Wanneer iemand tegenover je zit die niet opereert vanuit aangeleerde methodieken, maar vanuit doorleefde autoriteit, ontstaat er direct contact zonder ruis. Er is geen noodzaak om sociaal wenselijk mee te bewegen of een dossier op te leuken. Er is alleen de vraag: wat is er op dít moment nodig om de ruis weg te nemen en de regie terug te pakken?

    ​3. De noodzaak van de ‘Systeem-Tolk’
    ​Ervaringskennis wordt in Nederland nog te vaak weggezet als een decoratief bijverschijnsel: een ervaringsdeskundige die mag aanschuiven voor het ‘cliëntperspectief’, maar buiten de inhoudelijke en financiële besluitvorming wordt gehouden.
    ​Wat we nodig hebben zijn mensen die fungeren als Systeem-Tolk: professionals die de rauwe overlevingsdynamiek van de straat en de gesloten voorziening tot in hun botten kennen, maar tegelijkertijd vloeiend de taal spreken van beleid, financiën en directies. Mensen die het lef hebben om de dossier-illusie aan te wijzen en de eenvoud terug te brengen: een mens die een mens helpt, zonder institutionele omwegen.

    ​Tot slot
    ​Jouw ervaring bewijst dat het systeem zichzelf van binnenuit niet meer kan corrigeren met nóg meer richtlijnen, langere intakeprocedures of betere verslagleggingssoftware. De oplossing ligt in het slechten van de ivoren toren.
    ​Pas wanneer we de mensen die het systeem aan den lijve hebben overleefd en ontleed niet langer louter als ‘dossier’ behandelen, maar hen de sleutels geven om de zorg- en beleidskaders opnieuw in te richten, verdwijnt de schijnveiligheid en keert de nuchtere menselijke maat terug.

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *