Onderzoeken zonder uit te sluiten of te stigmatiseren (2)

Hoe beleidsonderzoek kan bijdragen aan gelijke kansen, zonder daarbij onbedoeld te stigmatiseren of uit te sluiten. Dat is de centrale vraag in dit interview met Ruben van Gaalen van het CBS.

Ruben van Gaalen is programmacoördinator demografisch en socio-economisch onderzoek bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en bijzonder CBS-hoogleraar Demografische Dynamiek en Gezondheid aan het UMCG/Rijksuniversiteit Groningen in samenwerking met het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI). Daarnaast is hij voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Demografie (NVD).

‘Het CBS is opgericht om kenmerken van en tussen zogenaamde ‘eenheden’ (bijvoorbeeld personen, bedrijven en groepen) te kwantificeren, wanneer die kenmerken maatschappelijk of beleidsmatig relevante inzichten kunnen opleveren. We brengen die kenmerken niet alleen in kaart, maar we relateren ze ook aan elkaar om verschillen tussen bijvoorbeeld groepen te begrijpen. Vanuit onze rol vinden we het belangrijk dat wanneer ons onderzoek verschillen tussen groepen aan het licht brengt, we ook nuance aanbrengen in waar die verschillen écht over gaan.’

Beleidsonderzoek vanuit egalitaire visie

In het eerste interview in deze reeks spraken Monique Kremer (bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en voorzitter van de Adviesraad Migratie) en Hanneke Felten (projectleider en senior onderzoeker bij Movisie en bij Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS)) over hun ervaringen en dilemma’s met betrekking tot beleidsonderzoek en gelijke kansen.

‘Wanneer onze bevinding is dat bepaalde groepen gemiddeld een lager onderwijsniveau hebben, dan is het niet voldoende om enkel herkomst- of leeftijdsgegevens te presenteren in onze rapportage. In het kader van het bevorderen van inclusieve statistieken willen we uitkomsten presenteren die zowel de bruto- als de nettoverschillen in kaart brengen.’

Veel genuanceerder

‘Bij de Rapportage integratie en samenleven komen we bijvoorbeeld groepen tegen die vaker zonder diploma hun onderwijsloopbaan afbreken dan andere. We weten dat deze statistieken grotendeels samenhangen met het opleidingsniveau van ouders. Dat komt bijvoorbeeld door bepaalde genetische kenmerken en door opvoeding. Wanneer we die gegevens niet vermelden of daar geen rekening mee houden, dan zou dat de indruk kunnen wekken dat herkomst de doorslaggevende oorzaak is voor voortijdig schoolverlaten. Als we er juist meerdere achtergrondgegevens bij betrekken, zien we dat dit idee veel genuanceerder ligt.’

Door nuancering aan te brengen kunnen we voorkomen dat onze statistieken bijdragen aan stigmatisering en vooroordelen

‘Hetzelfde geldt voor criminaliteit, ook een thema dat gevoelig ligt. Je wilt niet voorbijgaan aan de oververtegenwoordiging van bepaalde groepen voor wat betreft delictpleging en het in aanraking komen met politie. Tegelijkertijd weten we dat crimineel gedrag samenhangt met heel veel zaken. Als je daar in je onderzoek rekening mee houdt, valt de meeste oververtegenwoordiging in de statistieken weg. Op die manier nuanceer je de mogelijk onterechte conclusies die je op basis van de bruto-verschillen zou kunnen trekken.’

Cijfers benutten voor beleidsontwikkeling

‘Dat neemt niet weg dat we het belangrijk vinden om die bruto-verschillen ook te vermelden, om niet voorbij te gaan aan het feit dat er in bepaalde groepen wel condities bestaan die eerder leiden tot uitkomsten die in politiek en samenleving als ongewenst worden beschouwd, zoals onderwijsachterstanden of delictpleging, of bijvoorbeeld gezondheidsverschillen of inkomensverschillen. Maar door nuancering aan te brengen kunnen we voorkomen dat onze statistieken bijdragen aan stigmatisering en vooroordelen over een bepaalde herkomstgroep. Bovendien heb je die nuance ook gewoon nodig om de cijfers te kunnen benutten voor beleidsontwikkeling.’

‘Onderwijsniveau is van groot belang bij het verklaren van allerlei sociale vraagstukken’

‘Als het gaat om integratiestatistieken zijn die bijvoorbeeld relevant voor het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, vanuit het beleidsdoel om iedereen evenredige ontwikkelkansen te bieden. Om dat te monitoren onderzoeken we de ontwikkelkansen over de tijd heen van mensen die niet in Nederland geboren zijn, en ook die van hun kinderen. Dat onderzoek onderscheidt specifiek die doelgroepen om eventuele verschillen in ontwikkelkansen in kaart te kunnen brengen - dáár worden vanuit beleidsmakers immers vragen over gesteld.

We brengen de bruto-verschillen in kaart, en nuanceren vervolgens door te controleren voor andere achtergrondkenmerken. Uit vrijwel al ons onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat onderwijsniveau een heel belangrijke verklarende factor is van verschillen in crimineel gedrag bij jongvolwassen mannen of vrouwen. Onderwijs zorgt er immers voor dat mensen langer op school blijven en meer perspectief hebben op een baan.

Dat ons onderzoek het belang van onderwijsniveau laat zien, helpt beleidsmakers dan bijvoorbeeld om beleid te ontwikkelen waarmee groepen met migratieachtergrond hun diploma gemakkelijker kunnen verzilveren. Denk bijvoorbeeld aan extra maatregelen die het bemachtigen van een stageplek voor deze groepen vergemakkelijkt, zoals ondersteuning bij het maken en ontwikkelen van hun CV, gegeven het feit dat hierop wordt gediscrimineerd, zoals uit voorgaand onderzoek is gebleken.’

Ongewenst gedrag

‘Onderwijsniveau is van groot belang bij het verklaren van allerlei sociale vraagstukken die we als samenleving als problematisch beschouwen. De kinderen van Iraanse en Irakese vluchtelingen die in de jaren tachtig naar Nederland migreerden, doen het momenteel beter op school dan mensen zonder migratieachtergrond, terwijl hun ouders in een land zijn opgegroeid dat we als samenleving doorgaans bestempelen als ‘onderontwikkeld’.

Dat bleek een selectieve groep vluchtelingen te zijn met een hoog opleidingsniveau, wat ook de achterliggende reden was voor hun vlucht. De oorzaak van ongewenst gedrag ligt dus veel genuanceerder. Die kunnen we dus niet simpelweg toeschrijven aan de herkomst van mensen, terwijl dat in de praktijk doorgaans wel gebeurt.’

‘Het vertalen van onderzoeksresultaten richting de samenleving is gecompliceerd’

‘Het vertalen van dit soort onderzoeksresultaten richting de samenleving is gecompliceerd. Het is lastig om de kern van onze resultaten bijvoorbeeld in een oogopslag begrijpelijk te maken voor LinkedIn-gebruikers, of om de krantenkoppen daarover te beïnvloeden. Het is erg moeilijk om de pers te interesseren voor graduele, positieve ontwikkelingen. De soundbytes over negatieve ontwikkelingen, zoals incidenten, doen het beter bij kranten en talkshows, die vooral gericht zijn op genereren van zoveel mogelijk lezers en kijkers. Dat is jammer, omdat langzame positieve ontwikkelingen erg belangrijk zijn voor het begrijpen van succesfactoren waar we op door kunnen bouwen.

Daar moeten we als onderzoekers dus energie in blijven steken. We willen de negatieve berichtgeving niet alleen maar bagatelliseren, het is belangrijk om daar oog voor te hebben. Maar we willen die positieve ontwikkelingen evengoed aan het licht brengen.’

Terminologie

‘Taal is daarbij belangrijk. Het CBS is weliswaar niet steeds bezig met het veranderen van de terminologie, maar we hebben daar wel degelijk een ontwikkeling in doorgemaakt, van minderheden naar autochtonen naar ‘kind van een migrant’ naar de term ‘tweede generatie’ of ‘Nederlands-Turks’ – in het geval van een bi-culturele achtergrond. In gesprek met belangengroepen ontdekten we namelijk dat ‘kind van een migrant’ een negatieve beleving opriep, terwijl mensen vaak trots zijn op het hebben van een bi-culturele achtergrond. En zo’n benaming als Nederlands-Turks sluit beter aan bij het benaderen van deze mensen als volwaardig Nederlander.’

‘We hebben externe partijen gesproken over hoe zij keken naar hoe wij migratie- en integratiestatistieken maken’

‘We hebben als instituut bewust een ‘afwegingskader migratie en integratiestatistieken’ opgesteld. Daarvoor hebben we allerlei externe partijen, zoals experts en wetenschappers, gesproken over hoe zij keken naar hoe wij migratie- en integratiestatistieken maken, en welke ideeën zij hadden over hoe we dat eventueel anders konden insteken. We vroegen ze bijvoorbeeld of ze onze onderzoeken zinvol vinden, en of zij vinden dat we deze onderzoeken ook moeten afnemen onder derde en vierde generaties.’

Achterhaald

‘Op basis van dat onderzoek ontdekten we bijvoorbeeld dat onze indeling Westers/niet-Westers als achterhaald en niet-representatief werd beschouwd. In gesprek met hen zijn we vervolgens tot een nieuwe indeling gekomen die onderscheid maakt naar werelddeel en daarnaast de vijf grootste groepen migranten in Nederland uitlicht. Dat afwegingskader heeft er weer toe geleid dat wij nog explicieter intern een expertgroep migratie- en integratiestatistieken hebben ingericht, om kritischer en bewuster te kijken naar het belang van het uitvragen van herkomststatistieken.’

‘Als een onderzoeker herkomstgegevens wil meenemen in een onderzoek, vragen we diegene om dat te onderbouwen’

‘We hebben ook onze indeling veranderd, door het gegeven of mensen zelf in Nederland zijn geboren voorop te stellen. Eerst rapporteerden we het percentage mensen met een niet-Nederlandse herkomst, en daarbinnen rapporteerden we dan het percentage dat in Nederland was geboren. Nu rapporteren we het percentage mensen dat niet in Nederland is geboren, en kijken we binnen de groep mensen die wél in Nederland is geboren naar het percentage mensen met één of twee ouders met niet-Nederlandse herkomst. Dat is een wezenlijke verandering van onderzoeken en rapporteren, omdat we in allerlei statistieken merken dat de geboorteplaats binnen of buiten Nederland belangrijk is voor het verklaren van sociale ontwikkelingen.’

Kritisch bevragen

‘Zo deden we ook een aanpassing in onze onderzoeksomgeving. We hadden voor onderzoekers een persoonsbestand met geanonimiseerde gegevens waar ook herkomstgroepering standaard in was verwerkt. Maar eigenlijk is het niet logisch dat een onderzoeker dat standaard gegeven krijgt, en daarom hebben we dat eruit gehaald.

Als een onderzoeker herkomstgegevens nu van belang acht om mee te nemen in een onderzoek, vragen we diegene om dat te onderbouwen. We zien daardoor dat onderzoekers die herkomstdata minder gebruiken, terwijl het uitsplitsen naar herkomst vroeger nogal eens automatisch werd gekozen – als standaardoptie. Men stond er minder bij stil.

Door deze wijziging wordt onze focus eigenlijk automatisch verlegd naar andere achtergrondgegevens die eveneens relevant kunnen zijn in het verklaren van verschillen tussen groepen, naast of soms in plaats van herkomst. Daarmee onthouden we onderzoekers eigenlijk nooit van de keuze op herkomstgegevens mee te nemen als ze daar een onderbouwing voor kunnen geven. Maar we stimuleren ze wel om beter na te denken en te beargumenteren over waar ze aan de voorkant naar op zoek zijn om aan de achterkant te kunnen analyseren.

Zo nemen we verantwoordelijkheid voor het stimuleren en waarborgen van de kwaliteit van ons onderzoek. Wat mij betreft blijven we elkaar als onderzoekers, statistici en beleidsmakers kritisch bevragen en houden we elkaar scherp.’

Willemijn de Jong van bureau Kessels & Smit / The Learning Company onderzoekt voor het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, samen met Niels Heetvelt en Saskia Tjepkema, hoe beleidsonderzoek kan bijdragen aan gelijke kansen, zonder daarbij onbedoeld te stigmatiseren of uit te sluiten. Daarmee wordt bijgedragen aan het versterken van het vakmanschap rond inclusief beleidsonderzoek.