Niet alleen een kloof, ook een sociale rangorde

Opleiding is de nieuwe maatschappelijke scheidslijn, zo betoogt Mark Bovens. Deze stelling moeten we serieus nemen. Want er dreigt een nieuwe sociale rangorde te ontstaan, gebaseerd op verschillen in opleidingsniveau. Dat brengt risico's met zich mee.

Opleiding als de nieuwe maatschappelijke scheidslijn is zichtbaar in gescheiden sociale netwerken, gesegregeerde leefwerelden en sterk gepolariseerde maatschappelijke en politieke opvattingen. Bijna 60 procent van de ondervraagden in een NIPO-onderzoek meent dat hoog- en laagopgeleiden steeds minder contact hebben met elkaar. Andere indicatoren suggereren echter dat het met die kloof wel meevalt: een minderheid van dezelfde ondervraagden zegt zich meer verbonden te voelen met mensen met hetzelfde opleidingsniveau, en het Nationaal Kiezersonderzoek laat juist zien dat sinds 1971 de opleidingskloof, gemeten als verschillen in politieke belangstelling, juist kleiner is geworden.

Morele dimensie van de kloof

Maar wanneer is nu eigenlijk sprake van een ‘kloof’ en wanneer is een kloof reden tot zorg? Verschillen zijn er altijd. Dat mensen verschillen ervaren en benoemen duidt niet noodzakelijk op een scherpe tweedeling, als de verschillende groepen elkaar tegelijkertijd tolereren en respecteren. Een tweedeling wordt pas zorgwekkend als die gepaard gaat met wederzijdse of eenzijdige veroordeling, omdat ‘de anderen’ bijvoorbeeld moreel verwerpelijk gedrag vertonen. Anders gezegd, gevoelens van superioriteit geven een negatieve dimensie aan een kloof: ze brengen een sociale hiërarchie, een rangorde, aan. In hoeverre is in Nederland nu sprake van een sociale hiërarchie, en zijn opleidingsverschillen daarvoor dan de grondslag?

Hoe ervaren we klassenverschillen?

In 2009 interviewde ik 27 hoog- en laagopgeleide mensen en vroeg hen hoe zij klassenverschillen ervaren in hun persoonlijke relaties met vrienden, buren, collega’s en familieleden. Ik vroeg hen in welke klasse – laag, midden of hoog – zij zichzelf en bekenden zouden indelen, en waarom. Natuurlijk kunnen we 27 interviews niet generaliseren naar de Nederlandse samenleving, maar ze geven wel een eerste inzicht in hoe sociale scheidslijnen worden vormgeven. In Nederland wordt veel onderzoek gedaan naar percepties van etnisch-culturele scheidslijnen, maar nauwelijks naar percepties van sociale scheidslijnen. Deze blinde vlek mag opmerkelijk genoemd worden, gezien de groeiende inkomensongelijkheid en toenemende nadruk op participatie en zelfredzaamheid. Daarbij leven we in een maatschappij waarin kennis en consumptie centraal staan: wat je kunt, kiest en koopt is niet alleen bepalend voor je identiteit maar ook voor je maatschappelijke positie.

Sociale klasse is niet hetzelfde als opleidingsniveau, maar opleiding bleek wel een van de belangrijkste grondslagen voor het duiden van klassenverschillen. Klassenverschillen werden in de interviews op verschillende manieren geïnterpreteerd: bijna altijd als sociaaleconomische verschillen (inkomen, bezit), daarnaast ook als verschillen in opleidingsniveau en culturele activiteiten (lezen, tv kijken, concertbezoek), en soms als verschillen in maatschappelijke positie. Wat opvalt is dat als het ging om sociaaleconomische verschillen, geïnterviewden benadrukten dat hier geen sprake was van ‘beter’ en ‘slechter’: iedereen is gelijk, of je nu rijk of arm bent. Praten over inkomensverschillen ging meestal gepaard met verontschuldigende of relativerende opmerkingen in de trant van ‘armoede maakt iemand niet minder waard’ of juist ‘hij is dan wel stinkend rijk, maar maatschappelijk draagt hij niets bij’. Ook het morele gedrag van anderen is bepalend: een asociale rijke staat lager in de sociale rangorde dan een aardige arme. Als het dus ging om moreel gedrag, dan waren geïnterviewden bereid anderen te veroordelen en toonden zij zich superieur, maar deze uitingen van superioriteit werden altijd expliciet losgekoppeld van inkomenspositie.

Niet smaak of inkomen, maar ontwikkeling bepaalt sociale rangorde

Dat is anders waar het gaat om opleidingsverschillen. Hoogopgeleide geïnterviewden duidden klassenverschillen ook, of in de eerste plaats, op basis van de mate waarin iemand ‘ontwikkeld’ is of niet. Een ontwikkeld persoon, zo schetsten zij, is iemand met brede interesses, die betrokken is bij de maatschappij (via werk, gezin, verenigingen) en die zelf verantwoordelijkheid neemt voor zijn of haar leven. Minachtend werd gesproken over mensen die alleen maar naar de Gouden Kooi of SBS6 kijken, die geen krant lezen, zichzelf niet ontplooien en blindelings achter de massa aan te lopen. Niet-ontwikkelde mensen kregen een inferieure positie in de sociale hiërarchie toegewezen. Deze veroordelende houding viel op, juist omdat veroordeling en minachting op andere vlakken achterwege bleven. Over inkomensverschillen waren geïnterviewden mild, maar ook over verschillen in smaak: dat iemand liever naar Frans Bauer gaat dan naar het Rotterdams Filharmonisch Orkest, daarvan werd gezegd dat smaken nu eenmaal verschillen en iedereen dat toch zelf moet weten. Dat wil niet zeggen dat gevoelens van superioriteit op deze vlakken geheel afwezig zijn, maar het suggereert wel dat mensen voldoende noodzaak voelden om deze gevoelens te verbergen en anderen met respect te bejegenen. Als het echter ging om ontwikkeling, dan bleven deze verzachtende kwalificaties achterwege. Op dit vlak werden laagopgeleiden vaker expliciet geminacht.

Mate van ontwikkeling als eigen verantwoordelijkheid

Dat hier dus sprake is van een geëxpliciteerde sociale rangorde, waarin duidelijk superieure en inferieure posities zijn aan te wijzen, is een eerste reden tot zorg. Een tweede reden tot zorg betreft de manier waarop zulke verschillen door hogeropgeleide geïnterviewden werden geduid. Zij beschouwden de mate waarin iemand ontwikkeld is niet zozeer als een gevolg van structurele factoren, maar als een persoonlijke kwaliteit. De sociale hiërarchie is op deze manier geen product van ongelijkheid maar van individuele keuzen. Dat past bij de huidige neoliberale politiek waarin de nadruk ligt op individuele verantwoordelijkheid, zelfredzaamheid en actief burgerschap. Het past ook in een tijd waarin alles draait om keuzevrijheid en we ook sterk geloven dat iedereen alles kan bereiken als hij of zij maar genoeg moeite doet. Zo’n perspectief neemt elke urgentie of mogelijkheid weg om structurele oorzaken van de maatschappelijke kloof aan de kaak te stellen. En het maakt het makkelijk om de klassensamenleving te ontkennen: het is niet klasse maar eigen keuze dat ten grondslag ligt aan de sociale hiërarchie.

De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling stelt dat zich een nieuwe klassensamenleving aftekent, een klassensamenleving die vooral is gebaseerd op verschillen in opleidingsniveau. Deze stelling moeten we serieus nemen. De discussie zou niet (alleen) moeten gaan over de kloof op zich, maar over in hoeverre en op welke manieren de kloof gepaard gaat met een sociale hiërarchie en uitingen van superioriteit. Een maatschappij waarin sociale groepen zich in een sociale rangorde tot elkaar verhouden, is een maatschappij waarin gedrag van ‘lagere’ sociale groepen minder getolereerd en scherper veroordeeld wordt, en juist ‘hogere’ sociale groepen de macht hebben om bepaald gedrag ook daadwerkelijk te veroordelen. Denkt u aan beleid en programma’s op het gebied van opvoeding, integratie en overlastpreventie. In Nederland zijn we lang geobsedeerd geweest met etniciteit, en veel verschillen werden en worden nog steeds toegeschreven aan etnisch-culturele verschillen. Daarmee worden sociaaleconomische verschillen onder het tapijt geschoven. Waarom, bijvoorbeeld, is sociaalculturele integratie een vereiste voor laagopgeleide migranten maar niet voor kennismigranten?

Tijd om onder ogen te zien niet alleen dat er verschillen zijn tussen hoog- en laagopgeleiden, maar ook dat we geneigd zijn die verschillen in een sociale rangorde te plaatsen. Verschillen zullen blijven bestaan. Wat we wel kunnen veranderen, is hoe we naar die verschillen kijken. Daartoe moeten we een verdergaande sociale hiërarchisering langs lijnen van opleiding voorkomen.

Gwen van Eijk is onderzoeker en universitair docent aan het Instituut voor Strafrecht en Criminologie aan de Universiteit Leiden. Het onderzoek naar percepties van klassenverschillen deed zij in het kader van haar promotieonderzoek naar gemengde buurten en overbruggende relaties.

 Zie ook een uitgebreider artikel van de auteur hierover in Sociologie.

Foto: Bas Bogers

Dit artikel is 1593 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (6)

  1. Interessant!

    Jammer alleen dat niet geëxpliciteerd wordt hoe laagopgeleide geïnterviewden tegen genoemde klassenverschillen aankijken. Ik ben benieuwd of zij zichzelf ook een inferieure positie in de sociale hiërarchie toewijzen…

  2. GWEN: ‘In Nederland zijn we lang geobsedeerd geweest met etniciteit, en veel verschillen werden en worden nog steeds toegeschreven aan etnisch-culturele verschillen. Daarmee worden sociaaleconomische verschillen onder het tapijt geschoven.’

    Dit nu lijkt mij een travestie van de waarheid. Onze beleidsmakers schoven en schuiven nog steeds juist 1. sociaaleconomische verschillen naar voren om 2. de etnisch-culturele eronder te verstoppen. Ze weten beter, of moeten dat, maar durven de laatste niet aan. Wat je dan toch nog wel kunt zeggen, is dat ze altijd door ethniciteit geobsedeerd zijn geweest, daarmee getuige GWEN’s bijdrage doorgaan, maar er verder niets nuttigs mee (durven) doen. Hoe komt dat?

    ‘Nederland(ers) dragen hun cultuur niet over.’ Dat is wat de Franse jurist G. H. Bousquet in 1939 schreef. Hij had Nederlands-Indië bezocht en vastgesteld dat de Nederlanders alleen de materiële aspecten van het Westen hadden overgedragen, niet de cultuur. Trachtten de Franse ambtenaren van de inheemse bevolking ontevreden burgers te maken, de Nederlandse bestuursambtenaren poogden de ‘inlanders’ in tevreden koeien te veranderen.

    Nog iets n.a.v. van de dooddoener ‘sociaaleconomisch’. Vandaag 16.07.12 is er melding van hoge jeugdwerkloosheid. Onder allochtone jeugd: 29%, onder autochtone -: 10%. Aan het allochtone cijfer worden ter verklaring de factoren 1. lage opleiding en 2. slechte taalbeheersing aangeboden. Mochten, vraag ik nu, allochtone jongeren niet naar school? en dat is dat een kwestie van sociaaleconomische achterstand? Of een van etnisch cultureel gehalte? En er zit geen schot in.

    Hier nog wat – kies maar – etnisch-culturele of sociaal economisch sociaal.
    CBS internet dd 13.02.06: werkloosheidscijfers allochtonen 2005: 16 %, autochtonen 5%. CBS Jaarrapport Integratie 2010: in 2009: 20% niet-Westerse jongeren werkloos, tegen 9% autochtone jeugd. Een SCP publicatie mei 2007 meldt een jeugdwerkloosheid (in 2005?) voor Marokkanen van 27%, voor autochtonen van 5%.
    Het rapport RUIMTE AAN WERK 1995, van de NL-arbeidsmarkt organisatie OSA noteert: ‘van de Marokkanen en Turken’- de grootste allochtone groepen in NL – ‘heeft 75% à 85% niet meer dan lager onderwijs, terwijl de allochtone beroepsbevolking met 3,5% per jaar, dat is 3 keer harder dan de autochtone groeit4.20. Zijn 1994 en 1995 lang geleden, berichten uit 1999, 2000 en zie boven 2005 geven geen opwekkender informatie. Begin 1999 is slechts 30% van de allochtone beroepsbevolking aan de slag en in 2000 is uitgekomen dat de helft van de Turkse – en Marokkaanse beroepsbevolking in de leeftijdklasse van 40-65 jaar in de WAO ‘zit’.

  3. De belangrijkste kloof in Nederland is financieel economisch van aard en heeft niet met het gevolgde onderwijs te maken. Een kenmerk van de huidige economische depressie is dat hogeropgeleiden ook niet meer aan het werk komen of beneden hun opleidingsnivo moeten gaan werken. De enige echte kloof is die tussen de ‘haves’ en ‘not haves’. Zij die een baan en inkomen hebben en zij die dit niet hebben of kunnen krijgen.
    De huidige diploma inflatie door de opleidingseisen van de opleidingen te verlagen draagt bij aan de sociaal economische verschillen in de bevolking aangezien het verkrijgen van een diploma geen garantie meer biedt op een goede of betere maatschappelijke positie. Uiteindelijk maken de kapitalistische (neo liberale) arbeidsmarktverhoudingen tussen verschillende arbeidsgroepen het verschil. De huidige gevoerde neoliberale politiek faciliteert deze sociaal-economische verschillen in hoge mate.

  4. (vervolg)

    Het aantal hoogopgeleiden is nog nooit zo groot geweest…Natuurlijk is er voor hen niet genoeg werk om op nivo een baan te vervullen….Sociaal economisch gaat de positie van hoogopgeleiden juist steeds meer lijken op die van lageropgeleiden. Een laag inkomen of uitkering zonder zicht op een bevredigende baan. Het neoliberalisme van de arbeidsmarkt zal deze situatie alleen nog maar verergeren. Opleidingsverschil is slechts een truc van de heersende macht om mensen tegen elkaar op te zetten.

  5. Die kloof is er altijd geweest, het enige wat feitelijk verandert is dat de kloof in vroeger tijden aan de maatschappelijke klasse werd opgehangen en nu aan het opleidingsniveau. Maar van oudsher waren het altijd de hogere klassen die de hogere opleidingen volgden en zich cultureel verder ontwikkelden, terwijl de lagere klassen hun opleiding en ontwikkeling richtten op (en beperkten tot) het beoefenen van arbeid. Die kloof is niet nieuw.
    Dat je ‘van bovenaf’ (dus politiek of bestuurlijk) zo’n kloof zou kunnen dichten lijkt me onwaarschijnlijk. Wel zie je ontwikkelingen zoals Ronald van den Hoff die beschrijft in ‘society 3.0’, waarin het niet je diploma, maar je ideeën zijn die je relevantie en dus je status bepalen. Maar in die ontwikkeling vindt tot nu toe volgens mij plaats ONDANKS politieke en bestuurlijke maatregelen… :o)

  6. Zeer interessante discussie, jammer dat er NOOIT IETS verandert aan De Kloof -integendeel, ze verbreedt!- en dat de ‘beleidsmakers’ er zelfs geen oog voor hebben, wellicht ook omdat ze De Kloof niet kunnen/willen oplossen. De Kloof is inderdaad universeel en tijdloos, ze verschuift alleen maar, ze wisselt van gedaante, maar in essentie gaat het inderdaad om een universele kloof tussen ‘haves’ en ‘haves not’ .

    Prof. Bea Cantillon, Vlaams expert (Univ. Antwerpen) in o.a. sociale zekerheid en (kans)armoede, schreef al in 1996 dat er een verschuiving was van de kloof tussen éénverdieners en tweeverdieners eenerzijds naar de kloof tussen laaggeschoolden en hooggeschoolden anderzijds.
    Dat in de volledige EU slechts de helft van de laaggeschoolden betaalde arbeid verricht, is de grootste uitdaging van het arbeidsmarktbeleid: de Onderwijskloof vernauwen door jobs te creëren, niet zozeer (of uitsluitend) door werklozen te activeren maar door het overvloedige kapitaal te activeren en te responsabiliseren.

    Zelfs in über-wonderland Duitsland, met zijn ‘onvolprezen’ hervormingen (?), is slechts 56% van de laaggeschoolden aan het werk. Toch durven internationaal gerenommeerde beleidsmakers, genre de Belg Peter Praet van de ECB, Duitsland roemen om zijn quasi-volledige werkgelegenheid omdat de officiële werkloosheidsgraad ‘slechts’ 6% bedraagt.

    Dit soort ‘statistische myopie’ doet denken aan Griekse begroting-opsmukoperaties: liever de pijnlijke waarheid, van enorme begrotingstekorten of massaal jobtekort (vooral maar niet enkel aan de onderkant van de arbeidsmarkt) niet onder ogen zien om het (kapitalistisch) systeem draaiende te houden, ten koste van schrijnende ongelijkheden. In eerste instantie tussen straatarme overheden, die geen sociaal beleid meer kunnen voeren, en gemiddeld (!) steenrijke burgers en bedrijven die op alle mogelijke manieren de overheid uitzuigen door geen/te weinig belastingen te betalen en/of te weinig te betalen voor de publieke goederen en diensten. Dit is m.i. de basis van de ondergang van het Oude Europa! En we/ze staan erop te kijken zonder in te grijpen…

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *