Minister Bussemaker trekt hoger opgeleiden voor

Minister Bussemaker zegt dat elk opleidingsniveau zijn eigen waarde heeft, maar vindt tegelijkertijd dat de hoger opgeleiden de leiders en waardendragers van de samenleving zijn. Waarom zouden lager opgeleiden niet kunnen meedenken over de toekomst van ons land?

Minister Jet Bussemaker (OCW) lokte onlangs veel verontwaardiging uit met haar opmerking dat ze zich eraan stoorde dat iedereen altijd maar hogerop wil. Op beschuldigingen dat zij het verheffingsideaal verloochende, reageerde ze in de Vrij Nederland:  ‘Waar ik op doelde, is dat je opleidingen niet alleen op grond van status moet bekijken en dat je elk onderwijsniveau op z’n eigen merites moet beoordelen. Ik constateer dat te veel mensen met dedain naar het beroepsonderwijs kijken, alsof alleen een universitaire opleiding volwaardig is’.

Ze veroordeelde terecht de minachting voor lagere opleidingen, maar hoe geloofwaardig is haar eigen verontwaardiging hierover? Bussemaker lijkt zich niet te realiseren dat zij als minister ook een groot aandeel heeft in het aanwakkeren van het door haar gesignaleerde dedain. Dat werd weer eens duidelijk met de publicatie van een magazine over de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs en Onderzoek (HO2025), waarvan Bussemaker het voorwoord schreef:

‘Hoger onderwijs leidt immers de leiders van de toekomst op. Leiders niet in de zin van machthebbers, maar in de zin van waardendragers. Mensen als leraren, rechters, verpleegkundigen en architecten. Een democratie zoals we die in ons land hebben, bestaat bij de gratie van mensen die nadenken over wat voor gemeenschap we willen zijn. Mensen die de toon aangeven in hoe we in deze samenleving met elkaar omgaan, wat we belangrijk vinden en welke keuzes daaruit voortvloeien. Hoger onderwijs moet niet alleen opleiden tot het maken van die keuzes, maar ook voor het leiden en op scherp stellen van het debat hierover.’

In een diplomademocratie is geen stem voor lager opgeleiden

Deze omschrijving van de rol van hoger opgeleiden past bij de diplomademocratie, die Bussemaker volgens dit voorwoord lijkt te onderschrijven. De opkomst van de diplomademocratie is in 2010 beschreven door Mark Bovens en Anchrit Wille als een land dat bestuurd wordt door de burgers met de hoogste diploma’s. Hebben laaggeschoolden nog wel iets te vertellen in Nederland, vroegen zij zich af.

Bussemaker ziet dit probleem van de diplomademocratie blijkbaar niet en bepleit dat de hoger opgeleiden de leiders van ons land moeten worden. Bovens en Anchrit stellen echter vast dat hoger opgeleiden andere zorgen en belangen hebben dan lager opgeleiden en dat zij maar in beperkte mate de zorgen en belangen van de lager opgeleiden behartigen. Het is dus maar zeer de vraag of hoger opgeleiden in staat zijn na te denken over wat ‘wij’ belangrijk vinden. Verpleegkundigen zijn vast beter in het verlenen van gezondheidszorg en architecten in het ontwerpen van gebouwen, maar waarom zouden hoger opgeleiden beter zijn het in het bepalen van ‘waarden’? Waarom zouden lager opgeleiden niet kunnen en moeten nadenken over wat voor gemeenschap wij willen zijn, hoe wij met elkaar omgaan en wat wij belangrijk vinden? Hebben we daar niet allemaal een rol in?

Lager opgeleiden zijn goed voor het maken van dingen, maar moeten zich niet bezig houden met wat belangrijk is in de samenleving

Nu is het niets nieuws dat hoger opgeleiden meer gewaardeerd worden dan lager opgeleiden. Anderzijds is er vanuit de overheid wel degelijk waardering voor lagere onderwijsniveaus. Zo is 2012 nog de campagne ‘Dit is mbo’ ingezet om duidelijk te maken hoe belangrijk beroepsonderwijs en vakmanschap zijn voor onze samenleving. Posters met daarop de tekst ‘Jouw boeket was er niet zonder mbo’ers’ of ‘Je winterbanden waren er niet zonder mbo’ers (en deze poster ook niet)’ laten zien dat mbo’ers onmisbaar zijn: zij zijn de ruggengraat van onze samenleving.

Je zou kunnen zeggen dat ieders bijdrage wordt erkend: mbo’ers zijn de ruggengraat en hbo’ers en wo’ers zijn de hersenen van onze samenleving. Maar gelijkwaardig zijn die rollen niet: de hersenen leiden immers de ruggengraat. Zonder ruggengraat zakt de samenleving in, maar de lager opgeleiden die de ruggengraat vormen zijn niet de 'waardendragers': die rol is voorbehouden aan de hersenen, de hoger opgeleiden. Spreekt hieruit niet ook minachting voor lager opgeleiden? Lager opgeleiden zijn goed voor het maken van dingen (smoothies, tuinen, scholen en broodjes bal, aldus de genoemde posters) maar moeten zich niet bezig houden met het nadenken over wat belangrijk is in de samenleving.

Diplomademocratie is aristocratie met hoog opgeleiden als ‘besten’

Dat hoger opgeleiden ‘waardendragers’ zijn lijkt mij op zeer gespannen voet staan met ‘een democratie zoals we die in ons land hebben’. We hebben toch ook algemeen kiesrecht omdat we vinden dat iedereen iets te zeggen mag hebben, ongeacht afkomst, IQ, salaris, maar ook gender of kleur? Wetenschappers zoals Bovens en Anchrit stellen dat een aristocratie (regering door de adel) heeft plaatsgemaakt voor een meritocratie (regering door de best opgeleiden). Maar die meritocratie is volgens anderen, zoals bijvoorbeeld Paul de Beer, slechts schijn, omdat opleidingsniveau nog altijd voor een groot deel wordt bepaald door iemands afkomst, vooral het opleidingsniveau van de ouders.
Misschien kunnen we zelfs stellen dat we weer een goed eind richting een aristocratie zijn opgeschoven. Letterlijk betekent aristocratie namelijk dat het volk geregeerd wordt door de ‘besten’ en wie de besten zijn kan op verschillende manieren worden ingevuld. Vroeger was dat de adel, in onze huidige samenleving zijn dat de hoger opgeleiden. Zij zijn niet alleen ‘beter’ opgeleid, maar blijkbaar ook ‘betere mensen’ aan wie het bepalen van gemeenschappelijke waarden kan worden uitbesteed.

Door ongelijke waardering sneuvelen gelijkheidsideaal én democratische principes

De scherpere sociale ongelijkheid langs lijnen van opleiding heeft processen van democratisering in inspraak en besluitvorming doorkruist en omgekeerd. Dat Bussemaker een diplomademocratie of zelfs een aristocratie voorstaat, maakt eens te meer duidelijk dat het toegankelijk maken van het hoger onderwijs geen oplossing is voor sociale ongelijkheid. Democratisering van het onderwijs heeft zeker geleid tot het verminderen van onrechtvaardige verhoudingen, maar het verplaatsen van een groep mensen van de ene categorie (laag opgeleid) naar de andere categorie (hoog opgeleid) verandert niets aan verschillen in waardering voor die categorieën.

Overheidsbeleid versterkt die waarderingsongelijkheid wanneer steeds wordt herhaald dat hoger onderwijs belangrijker is, bijvoorbeeld met oog op de kenniseconomie. Als we vinden dat lager en hoger opgeleiden op hun eigen manier bijdragen en op hun eigen merites beoordeeld moeten worden, dan is (toenemende) ongelijkheid in financiële waardering al discutabel. Daar komt nu bij dat de overheid hoger opgeleiden ziet als ‘waardendragers’ die de rest van de samenleving moeten leiden. Dat na het gelijk(waardig)heidsideaal nu ook het democratisch ideaal sneuvelt, is ronduit onacceptabel.

Gwen van Eijk is universitair docent en onderzoeker aan het Instituut voor Strafrecht en Criminologie, Universiteit Leiden. Zij doet onderzoek naar klassenongelijkheid en criminaliteitsbeleid.

Reacties op dit artikel (2)

  1. De beroemde filosoof Plato, was tegen democratie en bepleitte heerschappij door de wijsten in de samenleving, de filosoof-koningen (hoe handig van je, Plato). Hij betoogde dat het de meeste mensen niet aangaat om deel uit te maken van het politieke proces, omdat ze niet beschikken over de vereiste kennis, inzicht of begrip ervoor.

    Hoewel niet expliciet, zijn we ons toch op de filosofie van Plato af aan het stemmen geweest door niet langer ​​elke burger toe te staan in hun eigen recht te stemmen over wetgeving en wetsvoorstellen, maar in plaats daarvan te werken met een systeem van representatieve democratie, waar we mensen kiezen die schijnbaar meer uitgerust zijn om dergelijke beslissingen te nemen namens ons.

    Door een dergelijk representatief systeem van politiek toe te staan, hebben we een ‘kloof’ tussen demos en kratia gecreëerd – tussen het volk en de regering – waar we in feite niet langer kunnen beweren dat het de mensen zijn die regeren, omdat het de gekozen overheidsfunctionarissen in de uitvoerende en wetgevende takken van de overheid zijn die regeren en dit de meeste burgers uitsluit. Deze kloof heeft permissie gegeven aan heimelijkheid en profiteurschap. In plaats dat politiek een één-partij-systeem is – in de zin dat er slechts één partij bij betrokken is: de mensen/het volk – werken we met een drie-partijen-stelsel – er is het volk, er zijn de verkozen ambtenaren en er zijn diegenen met de financiële middelen die deelnemen in profiteurschap om het beleid in hun eigen voordeel te beïnvloeden, ongeacht wat de publieke opinie is.

    Om de kloof tussen het volk en de regering te overbruggen, dienen er twee specifieke problemen aangepakt te worden:

    1. Onderwijs
    2. Eigendomsrecht van economische invloed

    Lees verder: http://bigpolitiek.blogspot.nl/2014/07/democratisering-de-daad-bij-het-woord_30.html

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *