Overheid moet zzp’ers helpen te innoveren

In de afgelopen 20 jaar is het zelfstandig ondernemerschap in Nederland mede dankzij overheidsbeleid enorm gegroeid. De grotere groep zelfstandigen zonder personeel heeft voor flexibeler arbeid gezorgd en fungeert als een buffer tegen nog hogere werkloosheid. De innovatie is er echter bij ingeschoten.

 

De groei van het zelfstandig ondernemerschap in de laatste twee decennia is het gevolg van een aantal factoren zoals technologische ontwikkeling, de groei van de dienstensector, en in het kielzog daarvan de opkomst van nieuwe bedrijfstakken en de verlaging van transactiekosten. Hier wil ik echter vooral ingegaan op een andere factor, namelijk het overheidsbeleid.

Zelfstandig ondernemerschap in 20 jaar spectaculair gegroeid

In de jaren ’90 van de vorige eeuw heeft de overheid vooral via de operatie Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit een aantal beleidswijzigingen doorgevoerd die het zelfstandig ondernemerschap positief hebben beïnvloed. Een van de belangrijkste wijzigingen destijds was het versoepelen van de Vestigingswet (1996). Daarmee verlaagde het kabinet Kok I de toetredingsdrempels voor zelfstandigen en in het bijzonder voor zelfstandigen in specifieke bedrijfstakken aanzienlijk. Daarnaast heeft de overheid veel administratieve lasten voor ondernemers verlaagd; de faillissementswetgeving ten gunste van ondernemers hervormd en werklozen gestimuleerd om (met behoud van uitkering) een eigen onderneming te starten. Ook de groeiende omvang van de fiscale voordelen van zelfstandigen (startersaftrek en zelfstandigenaftrek)  heeft bijgedragen aan de groei van het aantal zelfstandige ondernemers.

Het overheidsbeleid lijkt succesvol te zijn geweest. De cijfers over de periode 1987-2011 laten een enorme groei zien van het aantal nieuwe bedrijven en zelfstandigen in Nederland. Telde ons land in 1987 een slordige 30 duizend nieuwe bedrijven, in 2011 waren dat er volgens de Kamer van Koophandel ongeveer 140 duizend. In dezelfde periode is het aantal zelfstandigen gegroeid van 600 duizend tot ruim een miljoen, ongeveer twee derde van hen is een zelfstandige zonder personeel (zzp).

Meer ondernemers, maar minder innovatie

De overheid, en zij niet alleen, ziet ondernemerschap als een noodzakelijke voorwaarde voor economische ontwikkeling en groei van Nederland. Ondernemers zouden door de commercialisering van nieuwe ideeën nieuwe waarde creëren in een markteconomie. Deze visie is onder anderen gebaseerd op het creatieve destructieconcept van de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter. Dit concept komt erop neer dat relatief productieve nieuwkomers nieuwe banen creëren. Die winst aan werkgelegenheid wordt weliswaar voor een deel teniet gedaan doordat de nieuwkomers de minder productieve bedrijven uit de markt concurreren, maar het netto-effect van creatieve destructie voor de economie als geheel is op de lange termijn positief.

Het is echter maar zeer de vraag of de geconstateerde toename van het aantal zelfstandigen in Nederland hand in hand is gegaan met een toenemende innovatie, zoals in Schumpeters proces van creatieve destructie wordt geïmpliceerd. Er zijn twee belangrijke indicatoren voor innovatie in het bedrijfsleven: uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling (r&d) aan de investeringskant enerzijds en productinnovatie aan de uitkomstenkant anderzijds.

Wat opvalt, is dat de particuliere uitgaven voor r&d als percentage van het Bruto Binnenlands Product in Nederland in de periode 1996-2008 zijn afgenomen.  Ook het percentage innovators in het Nederlandse bedrijfsleven is gedaald, van 40 procent eind jaren ‘90 tot 25 procent in 2008.  Weliswaar levert deze negatieve correlatie geen ultiem bewijs, maar het rechtvaardigt wel enige scepsis over de veronderstelde positieve relatie tussen ondernemerschap en innovatie (op macroniveau) in Nederland.

Dat de innovatie hier te lande niet parallel oploopt met de groei van het zelfstandig ondernemerschap, heeft te maken met het grote aantal (niet ambitieuze) zelfstandige ondernemers zonder personeel. De inmiddels 700 duizend zzp’ers zorgen weliswaar voor veerkracht (flexibele schil in de arbeidsmarkt), maar niet voor vernieuwing. Voor een deel is dat te wijten aan het feit dat zelfstandige ondernemers veel minder toegang hebben tot complementaire middelen om innovaties te realiseren, die binnen grote organisaties wel voorhanden zijn. Daarnaast verdringen zzp’ers de werknemers met een regulier contract van de arbeidsmarkt omdat ze vaak geen pensioen- en sociale zekerheidspremies rekenen. Ten slotte beconcurreren zzp’ers elkaar met (te lage) tarieven.

Het eindresultaat van deze elementen gezamenlijk is dat de collectieve arrangementen voor werknemers worden uitgehold, zzp’ers verarmen, en de innovatiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven vermindert.

Verminder de ontslagbescherming

De uitdaging voor de overheid is om ondernemerschap te bevorderen dat wel gunstig uitpakt voor de vernieuwing van de economie. Dat kan. Namelijk door zelfstandige ondernemers te stimuleren om te vernieuwen en door ondernemend gedrag van werknemers aan te moedigen.

Innovatie door zelfstandige ondernemers

Veel zelfstandige ondernemingen zijn te klein zijn om succesvol op grote schaal te innoveren. Om het innovatieve vermogen van zelfstandige ondernemingen te vergroten, kan de overheid de samenwerking tussen die ondernemingen en andere organisaties stimuleren en middelen voor onderzoek en ontwikkeling toegankelijker maken.

Een andere nuttige maatregel is het verminderen van de ontslagbescherming en het verbieden van concurrentiebeding. De eerste maatregel zorgt ervoor dat innovatieve start-ups minder risico lopen bij het aannemen van personeel en dat ze aantrekkelijker worden voor werknemers in gevestigde bedrijven (vanwege de grote baanonzekerheid). De tweede maatregel verlaagt de drempel voor werknemers met vernieuwende ideeën om voor zichzelf te beginnen.

Ondernemend gedrag van werknemers

Ondernemend gedrag van werknemers is minstens zo belangrijk voor innovatie als zelfstandig ondernemerschap. De overheid zou zich daarom sterker moeten maken om de kwaliteit van arbeid (vooral scholing en ontplooiing) binnen organisaties te verhogen. Daarmee kan zij tegenwicht bieden aan de neiging van werkgevers om, vanwege de vergaande flexibilisering van de arbeidsmarkt, minder in de langetermijn ontwikkeling van hun werknemers te investeren.

Balanceren tussen flexibiliteit en inflexibiliteit

Het stimuleren van ondernemerschap voor innovatie is een heuse balanceer act. Enerzijds moet de flexibiliteit op de arbeidsmarkt worden bevorderd, opdat werknemers en ondernemers van laag- naar hoogproductieve activiteiten stromen en om nieuwe technologieën en organisatievormen de kans te bieden om zich zo snel en effectief mogelijk te ontwikkelen en verspreiden.

Tegelijkertijd is een zekere mate van inflexibiliteit nodig om te kunnen investeren in arbeid, onderzoek en ontwikkeling. Daarnaast is er collectieve actie vereist om schaal- en breedtevoordelen te kunnen behalen. Of de balanceer act tot het gewenste ondernemerschap voor innovatie leidt, is voor een belangrijk deel ook afhankelijk van de bereidheid van bestaande organisaties om te investeren in arbeid, onderzoek en ontwikkeling. En van de mate waarin medewerkers de ruimte hebben om binnen en buiten de organisatie te ondernemen.

Balanceren in de economie komt neer op continu zoeken naar de juiste balans in een context die voor een groot deel al is bepaald door de geschiedenis. Een context waar te veel verandering zorgt voor onzekerheid en investeerders afschrikt, en te weinig verandering de broodnodige innovatie belemmert. Er zijn instituties ofwel spelregels in de samenleving die bepaald gedrag (on-)mogelijk maken. Omdat de overheid als één van de weinige actoren in de samenleving het recht heeft om formele instituties, zoals ontslagbescherming, sociale zekerheid en scholing te creëren, aan te passen en op te heffen, kan zij een directe invloed uitoefenen op de balanceer act en de aanzet geven tot een economisch beleid dat innovatie tot meer dan een kreet maakt.

Erik Stam is hoogleraar Ondernemerschap en Innovatie aan de Utrecht University School of Economics en Academisch directeur van het Utrecht Center for Entrepreneurship.