Big Society of Big Brother?

Philip Blonds pleidooi voor een Big Society vindt in Nederland gretig aftrek. Het past in de plannen van het huidige kabinet: de geluksmachine gaat uit. Mensen moeten het weer zelf gaan doen. Dan kan de minister-president rustig gaan slapen. Maar de facto wantrouwt de overheid zijn burgers.

Big Society-founder Phillip Blond vindt het liberalisme maar een ‘ideologie van niets’. Het conservatisme van Burke daarentegen is de rock bottom van zijn revitalisering-van-de-samenleving gedachte. Burke hield van het middenveld en het gezin. Ze boden bescherming en een alternatief voor de almaar groeiende overheid. Het liberalisme daarentegen beschermde slechts de vrijheid van het individu. Verder niets. En waar het individu op de troon komt te zitten, ontbindt de samenleving.

Een ideologie van niets dus. Blond constateert dan ook dat de samenleving feitelijk niet meer bestaat. Scheidingen scheurden gezinnen uit elkaar en het middenveld is gedomesticeerd door de ‘Labour’-overheid. Grootschalige bedrijven vernietigden, aangejaagd door de neoliberale Tories, de lokale buurtsuper en daarmee de gemeenschap. En waar middenveld en gezin verdwijnen, ligt er een open zenuw tussen overheid en individu. Meer government gaat dat niet oplossen. Maar meer markt ook niet. Dus moet de samenleving het zelf  doen. Na Big Government en Big Market is de Big Society aan de beurt. Blond in een notendop.

Maar in slaap gesust door markt en overheid staat de proactieve burger niet vanzelf op als overheid en markt zich terugtrekken. Ze moeten daartoe gestimuleerd en gefaciliteerd worden. De vraag wie dat moet doen (Markt? Overheid?) leidt de paradox in die Blond maar moeilijk lijkt te kunnen oplossen. Mensen zouden het idealiter zelf moeten doen, maar ze doen dat niet, of markt en overheid zien dat niet. Dat blijkt vooral in Engeland nu Cameron Blonds Big Society aangrijpt om een palet aan repressieve maatregelen door te voeren: Als mensen niet willen bijdragen aan de samenleving, dan dwingen we ze wel.

Toch vindt Blonds pleidooi ook in Nederland gretig aftrek. Dat komt deels omdat het past in de beleidsplannen van het huidige kabinet. De geluksmachine gaat uit. Mensen moeten het weer zelf gaan doen. Waar de samenleving zijn eigen sores oplost, kan de minister president rustig gaan slapen.

In de praktijk is er een controlerende overheid
Maar naast de politieke boodschap die zelfredzaamheid predikt, is met name in de uitvoering van beleid een andere praktijk dominant. Namelijk de praktijk van de controlerende en toezichthoudende overheid.

Denk aan de Wet Werk en Bijstand waar reïntegratiegelden worden ingewisseld voor een sollicitatieplicht op straffe van een korting op je uitkering. Denk aan de decentralisering van de Jeugdzorg als gevolg waarvan CJG-medewerkers de medicalisering van kinderen moeten stoppen, omdat ouders beter moeten gaan opvoeden, en die door het Rijk tegelijk verplicht worden een ‘preventieve’ Verwijsindex in te vullen om snel te kunnen ontdekken als ouders dat niet lukt. Denk aan de decentralisering van de Wajong waardoor jongeren op grote schaal voor de zoveelste maal gekeurd zullen worden op hun rentabiliteit. Dit keer noemen we dat hun ‘verdienvermogen’. Denk aan staatssecretaris De Krom die kort op de bijstand, maar investeert in de inspectie op het verstrekken van die bijstand. Denk aan medewerkers van het Wmo-loket, die burgers eerst moeten wijzen op hun sociale netwerk als ze – bijvoorbeeld omdat ze geen sociaal netwerk hebben – om zorg komen vragen. Denk aan het ontmantelen van het recht op zorg in de Wmo en de gelijktijdig met 400 fte. toenemende controle van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Denk aan burgerinitiatieven die middels subsidievoorwaarden in een verantwoordingsprotocol worden gedrongen die de creativiteit en energie waaruit ze ontsproten te niet doet.

We zien het volgende patroon: de overheid trekt zich terug in zorg- en dienstverlenende zin en groeit in controlerende en toezichthoudende zin. De bemoeienis van de overheid wordt niet minder maar krijgt een ander karakter: van verzorgingsstaat naar controlestaat in plaats van de gewenste participatiestaat. Sterker nog, begrippen als burgerschap, zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid worden gebruikt ter legitimering van een terugtredende overheid in dienst-, zorg- en hulpverlenende zin en een groeiende overheid in controlerende, toezichthoudende en inspecterende zin. Het duidt er tenminste op dat de overheid wel roept om een weldadige samenleving maar burgers de facto wantrouwt. De overheid wil burgers loslaten, maar wil tegelijk blijven bepalen hoe ze zich moeten gedragen.

Controle verstikt de zelfredzame burger juist
Dit komt de initiatieven uit de samenleving (Big Society) en de zelfredzame burger niet ten goede, maar doet ze eerder verstikken of verlammen. Door dreiging van controle (door de overheid) wordt elk initiatief in de kiem gesmoord. Maar waar de overheid zich als verzorger terugtrekt, blijven slechts controle-instrumenten over.

Het is de vraag of daar aan te ontkomen is. Alexis de Tocqueville (1805-1859) liet al zien zien dat de democratische overheid in een individualistische samenleving geneigd is om publieke opgaven naar zich toe te trekken, omdat individuele burgers niet in staat zijn die samen op te pakken. Daarom verstrekt die overheid bijvoorbeeld wel Persoonsgebonden budgetten, maar vertrouwt tegelijkertijd niet wat de burger daarmee doet. Met als gevolg centralisering en bureaucratie, en met als resultaat een almaar groeiende overheid die zich met steeds meer privé-aangelegenheden bemoeit: persoonlijke capaciteit, sociale relaties, familieverbanden, voordeuren en woonkamers. Het is volgens Tocqueville onvermijdelijk in onze democratie – die zich vooral kenmerkt als een democratische overheid in tegenstelling tot een democratische samenleving – dat de overheid de publieke zaak monopoliseert. Individualisme en bureaucratie zijn ten diepste verbonden. Hoe meer mensen zich alleen maar druk maken om hun eigen belangen, des te meer de overheid het publieke domein beheerst.

Michel Foucault bestudeerde wat instituties feitelijk doen. Hij zag een fijnmazige industrie van instellingen, procedures, rekenmethoden en tactieken die tot doel hadden burgers te disciplineren tot productieve, rendabele mensen. Dit fenomeen noemt Foucault ‘governmentalization’. Daarom wil de overheid bijvoorbeeld graag meekijken en -bepalen hoe en waarvoor iemand zijn informele netwerk raadpleegt. En met name wat dat oplevert.

Centralisering, bureaucratisering en governmentalization beïnvloeden de mores van onze publieke zaak. Neoliberalisering, individualisering en securisering van de samenleving versterken de gevolgen van die mores. Er zal veel meer moeten gebeuren dan het voeren van nieuwe retoriek (Big Society) of het appelleren aan een nieuwe moraal (eigen verantwoordelijkheid), om overheid en samenleving fundamenteel te veranderen. Sterker nog, de nieuwe retoriek klinkt ons vaak zo logisch in de oren dat we niet eens meer zien wat er zich feitelijk onder dat vernis afspeelt: toezicht, repressie en controle.

Markt, overheid en samenleving zijn alledrie nodig
Daarom moeten we onszelf niet in slaap sussen met mooie woorden, maar de revitalisering van de samenleving vanuit de praktijk vormgeven en waarderen. Daar hebben we én de overheid als hoeder van de rechtsstaat, en de burger als hoeder van de samenleving én de markt als aanjager van efficiency en effectiviteit alledrie voor nodig. Niet markt, overheid of samenleving afzonderlijk.

Ruimte is daarvoor een belangrijke voorwaarde. Dat betekent in de eerste plaats dat de overheid initiatieven vanuit de samenleving niet kan beheersen en zelfredzaamheid en productiviteit niet met controlemechanismen kan afdwingen. Maar het ontbreekt vooralsnog aan beleids- en uitvoeringsinstrumenten om de samenleving los te laten. En controle-instrumenten brengen de vitale democratische samenleving niet dichterbij. Daarmee dringt zich met de Big Society de vraag op die we onszelf de komende decennia zullen stellen: kunnen we instrumenten ontwikkelen die een vitale democratische samenleving dichterbij brengen, zonder dat de relatie tussen overheid en samenleving gedomineerd wordt door toezicht, handhaving en controle? Met die vraag leidt Blonds pleidooi niet eens zozeer tot de oplossing voor actuele maatschappelijke problemen, maar vooral tot de start van het debat over de democratische verzorgingsstaat van de toekomst.

Albert Jan Kruiter en Eelke Blokker zijn oprichter van het Instituut voor Publieke Waarden. Eind november verschijnt hun pamflet ‘In ons belang; pleidooi voor publieke waarden’ bij Van Gennep.

 

Dit artikel is 854 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. – “Maar het ontbreekt vooralsnog aan beleids- en uitvoeringsinstrumenten om de samenleving los te laten.”
    – “kunnen we instrumenten ontwikkelen die een vitale democratische samenleving dichterbij brengen, zonder dat de relatie tussen overheid en samenleving gedomineerd wordt door toezicht, handhaving en controle?”

    Een interessant stuk dat mooi de collectieve tekortkoming van de overheid, links of rechts georienteerd, beschrijft.

    Als ik denk aan instrumenten (zie 2 citaten hierboven) dan denk ik vooral aan de controle mechanismen/prestatie indicatoren van ambtenaren zelf. Zolang zij verstikkend bureaucratisch worden afgerekend kunnen we niet verwachten dat ze de samenleving anders behandelen. Zolang ambtenaren verantwoordelijk worden gehouden voor zaken waar ze geen invloed op hebben zullen ze die invloed ten koste van alles willen vergroten.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *