De prachtwijken gaan er niet komen

De wijkaanpak loopt vast op bestuurlijk niveau. In een interview van Piet-Hein Peeters met bestuurskundigen Taco Brandsen en Jan-Kees Helderman wordt duidelijk dat de integrale aanpak gedoemd is te mislukken. ‘Het zou een boeiend experiment zijn om eens alle hulpverlening uit een wijk te halen.’

De wijkaanpak anno 2010 kent grosso modo nog steeds de problemen die vijf jaar geleden ook al bekend waren. Er is onder de partners in de wijkaanpak geen consensus over wat er bereikt moet worden. Werkelijke kennis over wat er in die wijken gaande is, ontbreekt. Er is binnen de betrokken organisaties te weinig draagvlak voor een integrale wijkaanpak. En ten slotte is er een schrijnend gebrek aan continuïteit. Projecten en professionals komen en gaan. Gevolg: de wijkaanpak dreigt vast te lopen in verkokerde structuren en organisaties. Dit zijn de pijnlijke conclusies van de bestuurskundigen Taco Brandsen en Jan-Kees Helderman, beiden verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Jullie beschrijven een desinvestering van vele honderden miljoenen. 
Brandsen: ‘Er is natuurlijk wel wat verbeterd. Dat kan niet anders als je er zo veel geld in pompt. Maar de kosten/-batenafweging valt echt nadelig uit. De grote ambitie, wijken structureel vooruit helpen door ontkokerd samenwerken, is niet van de grond gekomen. En dat gaat ook niet gebeuren.’

Hoe kan dat?
Helderman: ‘Omdat het logisch is. De bestuurlijke en organisatorische structuur van en tussen de bij de wijkaanpak betrokken partijen is niet te doorbreken. Dat zit diep verankerd in de corporaties, de zorg, de gemeente, het onderwijs.’
Brandsen: ‘Als je zo’n groot programma als de wijkaanpak ontwikkelt, als al die partijen gaan zeggen dat ze samen de wijk gaan verbeteren, dan weet je eigenlijk zeker dat het gaat mislukken.’
Helderman: ‘Dat is volstrekt voorspelbaar als je vanuit de beschikbare sociologische en bestuurlijk-organisatorische kennis gaat denken.’

Wat zijn jullie dan aan voorbeelden in die wijken tegengekomen?
Brandsen: ‘In een van die wijken was er een innovatieve vorm van bewonersactivering ontwikkeld. Iedereen enthousiast. Maar vervolgens ging de drijvende kracht achter dat initiatief weg en was de fut eruit. In een andere wijk – ook in principe een mooi project – bleek die professional toch niet zo veel mandaat te hebben als hij had gezegd.’
Helderman: ‘Een van de criteria om een prachtwijk te worden, was het aantal sociale huurwoningen in een wijk. Terwijl we echt wel wisten dat dit een slechte indicator is. Binnen de wijkaanpak denken we heel veel te weten, maar we weten nog steeds niet wat we moeten weten. We weten niet wie die bewoners zijn. Ook de analyse van problemen wordt vaak vanuit het eigenbelang van de organisatie gemaakt.’
Brandsen: ‘Achter de voordeur – in principe een effectieve benadering. Maar dan heeft die professional na twee jaar werk eindelijk goede contacten opgebouwd en vervolgens gaat ze ergens anders werken. Moeten we met dat soort kapitaalvernietiging doorgaan?’

 Maar deze verhalen hoorden we vier, vijf jaar geleden ook al. Er is dus geen verbetering, in jullie ogen?
Helderman: ‘Waarschijnlijk zijn die problemen ook niet op te lossen.’
Brandsen: ‘Die ambitie van integraal werken is via deze weg gewoon niet haalbaar. De verkokering staat het in de weg. De beste manier om initiatief te frustreren is door het naar het bestuurlijk niveau van al die betrokken partijen te tillen.’

Dat is toch onvermijdelijk, je kunt toch niet zonder bestuurders?
Brandsen: ‘Dat is ook zo. Zo gaat het in dit land. Er wordt een probleem benoemd, het komt op de politieke agenda, dan is het een beleidsprobleem, er wordt geld voor vrijgemaakt en als het probleem zich over meerdere sectoren uitstrekt, zoals een wijk, moeten die partijen in die sectoren gaan samenwerken.’
Helderman: ‘En als je zo veel partijen bij elkaar zet, gaat het meestal al snel mis. Maar het hoort er gewoon bij.’
Brandsen: ‘Dan moeten we probleemdefinities en schaalniveaus op elkaar gaan afstemmen, discussiëren over wie de regie heeft: dodelijk.’

 De vraag wat er dan wel moet gebeuren, dringt zich natuurlijk op.
Helderman: ‘Heel origineel zijn we niet. Het gaat erom dat je aansluit bij wat er in die wijk of – beter – die buurt aanwezig is. En dat je het mandaat om dat te faciliteren en te ondersteunen zo laag mogelijk in de betrokken organisatie legt. Vertrouw op de street-level professional.’
Brandsen: ‘Organiseer dat mensen lange tijd in dat gebied werken – en als dat niet kan, zorg er dan voor dat je lijnen hebt met de mensen die er wel al vele jaren verblijven. Bewoners dus, maar denk ook aan leraren op een basisschool, de bestuurders van een sportclub.’
Helderman: ‘Maar ook hier zit weer een valkuil. Dan heb je een mooi project waarmee je dertig mensen activeert, maar dan is dat op bestuurlijk niveau niet genoeg, want we moeten er duizend activeren. Maar dat kan dus niet, je kunt het niet ergens anders herhalen. Wees gewoon blij met dat kleine initiatief. Als je daar veel geld tegenaan gooit, gooi je het dood.
Brandsen: ‘Het zou een boeiend experiment zijn om eens alle hulpverlening uit een wijk te halen en te kijken wat er dan gebeurt. Als mensen zelf niet in beweging komen, is er blijkbaar niet zo veel aan de hand. Je zult die reflex van burgers om naar instanties en overheid te kijken toch moeten doorbreken.’

‘Als de bewoners zelf niet in beweging komen, is er niet zo veel aan de hand’ – echt waar?
Helderman: ‘Natuurlijk zijn daar grenzen aan, maar ons punt is dat je moet aansluiten bij wat er leeft. Kapitaliseer het aanwezige sociale kapitaal – dat is de weg, daar zijn de sociologen inmiddels wel uit. Ondersteun dat op een bescheiden, vruchtbare manier.’
Brandsen: ‘Je hebt in Malburgen in Arnhem een kickbokser, Omar, die perfect de allochtone jeugd wist te bereiken. Dat deed-ie gewoon zelf. Die heeft tien jaar geen poot aan de grond gekregen bij reguliere instellingen. Wat hij deed, paste niet binnen het denkkader van bijvoorbeeld jeugdzorg. Nu heeft hij eindelijk contact gekregen bij de gemeente. Die man is tien jaar lang onder de radar van die wijkaanpak gebleven. Tien jaar!’

Maar als ik jullie goed begrijp, gaat wat jullie bepleiten toch niet gebeuren. Het past niet in het politiek-bestuurlijke kader dat we hebben, al die organisaties, de verkokering.
Brandsen: ‘De simpelheid van de oplossing is tergend, maar we zijn er bang voor. Bang dat burgers het niet aankunnen, dat ze fouten maken die politieke gevolgen hebben, bang voor ongelijkheid, bang voor verzwakking van de positie van de eigen organisatie.’

Piet-Hein Peeters is zelfstandig journalist.

Het volledige onderzoek is te vinden via www.corpovenista.nl.

Dit is een ingekorte versie van het interview. Het volledige interview kunt u lezen in het decembernummer van TSS – Tijdschrift voor sociale vraagstukken. Voor het aanvragen van een abonnement klik hier.

Reacties op dit artikel (5)

  1. De heren Brandsen en Helderman lijken een andere wijkaanpak onderzocht te hebben dan diegene waaraan ik en vele andere professionals met mij de afgelopen jaren hebben gewerkt. Juist op het gebied van integrale samenwerking wordt namelijk veel vooruitgang geboekt, bijvoorbeeld in de wijkaanpak in de Amsterdamse Transvaalbuurt. Het theoretisch kader van de heren, dat voorspelt dat ieder groot programma dat om een integrale aanpak van meerdere partijen vraagt per definitie gedoemd is te mislukken, lijkt nogal determinerend voor hun visie. Ik ben dan ook zeer benieuwd naar het volledige onderzoek, dat helaas nergens online te vinden is.

  2. Jammer dat het volledige rapport nergens is te vinden. Zonder de context is dit nogal een eenzijdige benadering van de terugblik op de wijkenaanpak. WijkAlliantie werkt al jaren bottom-up, vanuit de idee en het initiatief van de mensen zelf. Ik zie een gemiste kans dat ze ons niet hebben benaderd voor deelname aan het onderzoek. Wie het volledige rapport ergens mocht vinden, ik hou me aanbevolen!

  3. Ons onderzoek naar de wijkaanpak, en vooral het interview dat in TSS met Taco Brandsen en mij verscheen, roept veel reacties op. Zelfs bij de creche van mijn dochter word ik er op aangesproken! Velen vragen naar de vindplaats van het rapport en ook kritische reacties als bijvoorbeeld van Saar Francken. Wij hebben inderdaad een andere wijkaanpak onderzocht dan bijvoorbeeld de wijkaanpak in de Amsterdamse Transvaalbuurt. Daar kan ik dus geen uitspraken over doen. Net zo min als ons onderzoek goed kan worden beoordeeld zonder het te lezen. Inmiddels is het onderzoek dat wij samen met Liesbeth Collignon en Mark Rouw van bureau Partners+Pröpper gedaan naar de wijkaanpak te downloaden via http://www.corpovenista.nl.

    Ons onderzoek bestond uit drie delen: (1) een uitgebreide verkenning van wat er al bekend is over de wijkaanpak; (2) een nadere analyse van een aantal casus; (3) een samenvattend en concluderend essay en een methodiek voor gebiedsgericht werken.

    We zijn niet over één nacht ijs gegaan voor dit onderzoek. De conclusies zijn gebaseerd op zowel een uitgebreid literatuuronderzoek als een intensief vergelijkend empirisch onderzoek. Onze bevindingen komen bovendien overeen met andere studies naar de wijkaanpak of integraal gebiedsgericht werken. In hetzelfde nummer van TSS bijvoorbeeld, wordt het boek van Arnold Reijndorp en Leeke Reinders besproken, de conclusies van dat boek (“De alledaagse en de geplande stad”) ondersteunen onze bevindingen. Denk ook aan de studie van Godfried Engbersen waarvan hij verslag doet in zijn boek: Fatale remedies: over de onbedoelde gevolgen van beleid en kennis”. We staan kortom niet alleen in onze op het eerste oog sceptische conclusies.

    We hebben een kritische analyse van factoren en omstandigheden gemaakt die integraal gebiedsgericht werken in de weg staan. Niet zozeer vanuit een deterministisch ‘theoretisch kader’ maar vooral via een empirische analyse. We troffen veel passie en enthousiasme van professionals en andere betrokkenen in de wijkaanpak, maar we constateerden ook dat veel goed bedoelde projecten om allerlei redenen vaak kortstondig zijn. Er is veel organisatorische en bestuurlijke wrijving in de wijkaanpak. Tegelijkertijd schuilen daarin ook mogelijkheden tot interventie.

    Wij zijn niet fatalistisch en deterministisch. Wanneer men ons onderzoek goed leest en wanneer men dit weet vol te houden tot het derde deel, dan gloort er wel degelijk een lonkend perspectief voor de gebiedsgerichte aanpak. Dat perspectief bieden wij aan in de vorm van een methodiek voor gebiedsgericht werken. Vanaf het begin af aan is dat ook een belangrijk doel van het onderzoek geweest. En zonder in de volgende instrumentele valkuil te stappen, zijn we er denk in geslaagd om een inspirerend perspectief te schetsen voor al die bewoners, professionals en bestuurders die zich realiseren dat er eigenlijk niet echt een goed alternatief is voor de gebiedsgerichte aanpak. De discussie wordt ongetwijfeld vervolgd!

  4. Naar mijn mening onderbouwen de onderzoekers van de Radbouduniversiteit Nijmegen en Partners+Pröpper, die samen het onderzoek hebben uitgevoerd, hun conclusies wel en worden ze niet gehinderd door een van te voren gedetermineerde visie. De rapportages, inclusief de casestudies, zijn nu wel te vinden op de website http://www.corpovenista.nl of gelijk klikken op bijgaande link: http://www.kei-centrum.nl/view.cfm?page_id=1893&item_type=nieuws&item_id=3192

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *