Niet iedereen hoeft omhoog

Het idee om grote groepen mensen vooruit te helpen in de maatschappij is natuurlijk prachtig. Maar er komt veel wensdenken kijken bij de ideologie van sociale stijging, vindt Klaas Mulder. ‘Er is veel maatschappelijk en economisch zinvol werk voor mensen die vriendelijk zijn en kunnen koken of timmeren.’

Recentelijk liet Heinz Schiller in zijn boek: ‘De kunst van het stijgen’  weten dat hij desnoods zijn welzijnsorganisatie Doenja wilde opheffen als er betere manieren zouden zijn om de sociale mobiliteit van zijn klanten mogelijk te maken. Schiller heeft hoge verwachtingen van het onderwijs als centrum voor de emancipatie van de arbeider. Maar hoger op de ladder is niet altijd beter. En ‘zomaar omhoog’, zonder garantie dat je stevig op de volgende trede staat, dat is ook riskant.  Het welzijnswerk heeft daarbij wel degelijk een eigen toegevoegde waarde, en zou juist niet teveel op school moeten gaan lijken. In dit stuk zal ik een aanzet doen om daar constructief naar te kijken.

  

Maatschappelijke behoefte
Het is geen toeval, dat ideologen als Heinz Schiller hun doelgroep graag toeleiden naar de kenniseconomie. Ze geloven in intensieve, door professionals geleide trajecten gericht op cognitieve ontwikkeling, waardoor elk dubbeltje binnen één generatie een kwartje moet kunnen worden.  Maar dat zou wel eens een dure denkfout kunnen zijn. Er is een reëel scenario dat de kenniswerkers in 2020 worden ingevlogen uit China of India. Haaks daarop staat het gegeven dat Nederland nog maar een paar jaar geleden kampte met grote tekorten in alle laaggeschoolde sectoren, van logistiek tot toerisme en van zorg tot onderhoud. De Polen zijn hier niet voor niets naartoe gekomen. Er is veel maatschappelijk en economisch zinvol werk voor mensen die vriendelijk zijn en kunnen koken of timmeren. Misschien moeten we het schoonmaakwerk maar eens beter gaan betalen, dat zou pas echt kansen bieden aan de kinderen van de mensen die daar werken.

  

Maximale reikwijdte
Natuurlijk gun je iedereen maximale ontplooiing. Elk stapje omhoog is meegenomen, en daar lijkt weinig tegenin te brengen. Toch zijn daar twee – tegengestelde – soorten van kritiek op mogelijk. Het eerste punt is de vraag of omhoog altijd beter is. Ieder mens heeft een maximaal laadvermogen en een maximale reikwijdte. Wie dat negeert loopt een reëel risico op een burn-out, of moet uiteindelijk een veer laten in andere levenstaken. Sociale wetenschappers hebben het graag over de stad als roltrap, maar voor sommige mensen lijkt sociale stijging meer op de noordwand van de Eiger: loodzwaar en met een reëel risico om neer te storten. Te hoog mikken leidt tot stress en falen. Wij zijn in Nederland niet zo gewend om daar echt rekening mee te houden. In plaats van leerlingen ‘kansen te bieden’ door ze in het systeem te persen, zouden we hun (en onszelf) een veel grotere dienst bewijzen door onze educatieve gewoonten te herzien en het systeem aan te passen.

Zo mogen we niet onderschatten hoe ingewikkeld anderstaligheid (meestal aangeduid als ‘taalachterstand’) het maakt om in Nederland een hogere middelbare schoolopleiding te volgen. Desalniettemin kan 90% van onze scholieren iets dat noch Gorbatschow, noch Reagan, noch het merendeel van de Franse of Spaanse hoger opgeleiden kunnen: een tweede taal spreken. Misschien zou dat gewoon genoeg moeten zijn en moeten we van Duits en Frans maar eens een keuzevak maken. Er zijn nu teveel taalzwakke leerlingen (inclusief dyslectische autochtonen) waarvoor de eerste jaren van het voortgezet onderwijs niet om door te komen zijn. Ook de meer ambachtelijke opleidingen zijn de laatste vijftig jaar (dus sinds Nederland immigratieland werd) alleen maar taliger geworden. Maar helaas, ik zie het nog niet gebeuren dat een organisatie als Forum strijd zou durven voeren over afbouw van het talige onderwijs. Terwijl dit voor de kansen van nieuwkomers veel meer effect zou hebben dan alle vormen van bijscholing die we nu aanbieden.

  

Resultaat telt
Sociale stijging is prachtig, zolang we dus maar erkennen dat ieders reikwijdte beperkt is. Aan de andere kant  -en dat is het tweede punt van kritiek- maken we het onszelf ook te gemakkelijk, als we doen of ‘elk stapje omhoog’ toch mooi meegenomen is. Sociale mobiliteit betekent: van A naar B(eter) gaan. Wie mensen wil helpen om vooruit te komen, moet weten waar ze nu staan, en waar hun kansen liggen. De kennis van de beginsituatie van de doelgroep is de basis voor elke interventie: wat kan een jongere nu wel, wat kan hij niet, wat vindt-ie moeilijk en wat geeft vertrouwen. En juist op dat punt scoort het maatschappelijk middenveld niet zo best. Beleidsmakers mogen graag schemaatjes maken over input, output en outcome, maar ze zouden moeten beginnen met de waarinput: met wie gaan we eigenlijk aan het werk?

Minstens zoveel extra aandacht zou er moeten zijn voor de plek waar stijgers succesvol zouden moeten zijn (je zou dat de waaruitkom kunnen noemen). Wat moet je kunnen voor een succesvol leven? Welzijnswerkers en onderwijzers zijn veel te weinig op de hoogte van de wetten van de arbeidsmarkt en de samenleving als het gaat om het ruimte maken voor stijgers. Het heeft geen zin om ‘alle Rotterdamse kinderen een muziekinstrument te leren bespelen’ als je niet weet of dat voor hun het verschil maakt tussen erop of eronder. Iedere welzijnswerker zou regelmatig met een personeelsfunctionaris van een bedrijf moeten spreken: welke jongere neem je aan, welke stuur je weg? Dan zou het snel afgelopen zijn met al die goedbedoelde projecten rond hip-hop en lekkere hapjes. Dan zouden we jongeren zo kunnen gaan begeleiden dat ze niet alleen een kans krijgen, maar ook een zekere plek in de samenleving.

  

Sociale omgeving
We moeten daarbij erkennen, dat de sociale professional en de onderwijzer niet de enige, en mogelijk zelfs niet de voornaamste ‘producent van stijging’ zijn. Ouders, buren, oudere broers, de imam, de voetbalcoach of de leidinggevende in het bijbaantje zijn op zijn minst even belangrijke co-producenten. Je kunt pas succesvol zijn in de samenleving als je binnen verscheidene systemen overeind kunt blijven met behulp van een breed scala aan sociale vaardigheden. In Rotterdam hebben ze begrepen dat jongeren niet vooruit komen als de zaak van oom Achmed door de school wordt afgewezen als stageplek; dus wordt oom Achmed gecoached als stagebegeleider. In Delft maakt Woonbron letterlijk ‘ruimte’ voor moeders, door te zorgen dat hun huis een opknapbeurt krijgt. We moeten in Nederland oog leren krijgen voor laaggeschoold parttime werk als oplossing, want fulltime werken zit er voor jonge moeders zonder stabiele omgeving niet op en niet werken biedt ook geen toekomst. Zonder ruimte in de agenda wordt opvoeden moeilijk.

Sociale mobiliteit gaat altijd over de mobiliteit van mensen, ondersteund door mensen, op weg naar een gemeenschap van mensen. Wie anderen vooruit wil helpen, moet bovenal een mensenkenner zijn. Statistische informatie over schooluitval of schoolsucces kan daar dienstbaar bij zijn, maar vertelt nooit het hele verhaal over deze jongen, die met hulp van die vrouw een baan wil vinden bij die baas. Schiller vergist zich, als hij denkt dat onderwijs daarbij een grotere rol heeft dan welzijnswerk. Het gaat niet om scholing, maar om matchmaking: zorgen voor de match tussen wat je bent en wat je zijn kan, en voor de match tussen wat je zijn kan en wat de samenleving van je vraagt.

Klaas Mulder is senior adviseur gebiedsgericht sociaal beleid bij Laagland'advies

Reacties op dit artikel (1)

  1. Eindelijk een geluid tegen de witteboordendroom. Niet (alleen) de toestroom van steeds nieuwe analfabete neven en nichten houdt de lagere klasse laag. De slimme mensen lopen er uit weg omdat iedereen economie of communicatie moet studeren. Terwijl er zoveel meer nuttige talenten zijn. Met je handen werken heeft in status afgedaan en dus helpt het niet meer als je ook nog eens heel góed met je handen kunt werken.
    Het bijkomende maar belangrijke nadeel van het verlies van intelligentie (welke dan ook) in de niet-stijgende klasse is, dat er geen verstandige voorhoede meer is die het gemopper van de buren in toom houdt. Nette vakbondsmensen die steeds maar weer kunnen uitleggen hoe de wereld in elkaar zit en wat je daar aan kunt doen. Wijze moeders die kunnen helpen de kwajongens uit de straat iets leukers te doen te geven en kunnen voordoen hoe je familieruzies oplost. Mensen die er juist een eer in stellen dat er in hun buurt een paar asielgezinnen kunnen komen wonen.
    Wie gaat er voor zorgen dat de monteur, de thuiszorgster, de buschauffeur, ed, weer gewaardeerd worden als ze hun werk goed doen en dat ze er ook beter voor betaald krijgen? Ik zie alleen maar verslechtering, maar ik wil wel inleveren als we weer meer soorten talent gaan waarderen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *