EFFECT Buurtpreventie is niet zonder risico

'Buurtpreventieteams' of buurtwachten hebben een enorme vlucht genomen. Vasco Lub onderzocht dit fenomeen, en de risico’s. Ze blijken vooral een tijdelijk effect te hebben.

Een buurtpreventieteam is een groep vrijwilligers die probeert bij te dragen aan de veiligheid en leefbaarheid van hun wijk. Dit doen ze door te patrouilleren, melding te maken van fysieke of sociale overlast onder elkaar, en aan politie en instanties, en door buren voor te lichten over onveilige situaties.

Hoewel het fenomeen buurtpreventie uit de jaren tachtig stamt, is het aantal buurtwachten vooral de afgelopen vijf jaar sterk toegenomen. In 2015 had bijna de helft van de Nederlandse gemeenten (47,3 procent) buurtpreventie, wat neerkomt op 661 actieve teams in Nederland.

Socioloog Vasco Lub (2016) onderzocht, in opdracht van de Kenniswerkplaats Leefbare Wijken en Erasmus Universiteit Rotterdam, het fenomeen buurtpreventie. Dit deed hij door middel van een mixed methods onderzoeksdesign, waarbij kwantitatieve cijfermatige data en kwalitatieve observaties en interviews elkaar aanvullen, voor een compleet beeld van het fenomeen. Lub verzamelde landelijke cijfers over onder andere de oprichting van de wijkteams en deed daarnaast intensief etnografisch onderzoek bij vier wijkteams. Hiermee kon hij tevens een antwoord geven op vragen over de bijdrage aan de wijkveiligheid, de samenwerking met professionele toezichthouders en de morele dimensies van de buurtwacht.

Wat doet buurtpreventie precies?

De kerntaak van de buurtpreventie is 'signaleren en melden'. Maar door verschillen tussen wijken, zijn er ook sterke verschillen tussen buurtpreventieteams. Veel buurtwachten doen veel meer dan alleen signaleren en melden. Eerder onderzoek wijst op vier potentieel werkzame mechanismen, waarmee buurtpreventie bijdraagt aan de veiligheid van een buurt. Het eerste mechanisme, directe interventie, is dat de buurtwacht bij verdachte situaties kan ingrijpen of mensen die overlast veroorzaken kan aanspreken. Het tweede is voorlichting aan buurtbewoners waardoor de gelegenheid tot criminaliteit afneemt. Het derde is criminelen afschrikken door zichtbaar te patrouilleren. Het vierde en laatste mechanisme is informatievoorziening aan de politie en instanties, waardoor die doeltreffender kunnen optreden.

In de praktijk blijkt dat de mechanismen iets ingewikkelder werken of soms helemaal niet ingezet worden. Directe interventie vindt bijvoorbeeld bijna nergens plaats. In sommige wijken is het zelfs expliciet beleid van de teams om burgers, verdachte personen of overlastbezorgers níet aan te spreken.

Het tweede mechanisme, de vermindering van gelegenheid tot criminaliteit, wordt in dit onderzoek niet gevonden zoals de theorie voorspelt. Tijdens de patrouilles spreken de buurtwachten bijna geen overige bewoners, en doen niet aan voorlichting. Bewustwording van de veiligheid van de buurt treedt vaak wel op tijdens en vlak na de opstart van het preventieteam, omdat het nieuwtje discussies uitlokt bij bewoners. Na verloop van tijd kan dit effect echter wegebben.

Ook het mechanisme van afschrikking is vooral bij de opstart effectief. Lub laat zien dat naarmate de teams langer bestaan, criminelen eromheen leren te werken. Opmerkelijk effect is dat in probleemwijken de buurtpreventieteams veelal minder aanzien genieten, waardoor ze door criminelen vaak onderschat worden. Ironisch genoeg ziet de buurtwacht hierdoor meer verdachte situaties en zijn ze effectiever in staat de politie in te lichten. Inlichten van politie en toezichtinstanties is in alle gevallen ontdekt als werkzaam mechanisme. Al is de mate van effectieve informatievoorziening afhankelijk van hoe serieus de instanties de buurtwachten nemen.

De twee gezichten van buurtpreventie

In het huidig politieke klimaat worden dit soort burgerinitiatieven omarmd, maar Lub maakt duidelijk dat het inzetten van deze teams niet zonder risico is. Door de inzet op buurtpreventie wordt de veiligheid van een buurt extra benadrukt, wat mogelijk ten kosten gaat van andere waarden. Zo is er het voorbeeld van bomen die gekapt moesten voor beter zicht van het team. In een andere wijk werd de bewegingsvrijheid van een groep jongeren om veiligheidsredenen sterk ingeperkt.

Ook komt het principe van gelijke behandeling makkelijk in het gedrang. Vanuit de tunnelvisie op veiligheid wordt er vaker gehandeld op basis van beeldvorming dan op basis van feiten, aldus Lub. 'De "jongen met de capuchon", "de nep-collectanten" of "de Oostblok chauffeurs" die iets te maken zouden hebben met inbraken; het zijn allemaal zaken waarvan het dreigingsrisico niet onomstotelijk kan worden vastgesteld. Niet zelden blijken bepaalde meldingen later vals alarm' (p96).

Doordat politie en instanties de buurtwacht in veel gevallen meer informatie geven over veiligheidszaken dan overige bewoners, ligt er nog een risico op de loer: 'Overenthousiaste bewoners die na bepaalde meldingen zonder al te veel reflectie de straat opgaan of onbezonnen acties van ‘cowboys’ zijn reële risico’s' (p96). De kans op ‘eigen rechter spelen’ ligt op de loer.

Buurtpreventie is een hamer en niet elke wijk is een spijker

Al met al kan gesteld worden dat de buurtpreventieteams vooral een tijdelijk effect hebben in het geval van burgers die bewuster zijn van onveilige situaties en het afschrikken van criminelen. Blijvend is de extra informatie die de politie krijgt. Of dit altijd de veiligheid in een buurt bevordert valt te betwisten. Als buurtwachten almaar vanuit beeldvorming melden, levert buurtpreventie de politie vooral méér meldingen en werk op.

Bij het inzetten van buurtpreventie moet er dan ook, zoals Lub concludeert, zeer zorgvuldig afgewogen worden of buurtpreventie de juiste maatregel is tegen de specifieke veiligheidsproblematiek van een buurt.

Sterre ten Houte de Lange is redacteur bij Sociale Vraagstukken en aanstormend talent Effectiviteit bij Movisie. 

Referentie
Lub, V. (2016). De burger op wacht. Het fenomeen ‘buurtpreventie’ onderzocht. Rotterdam: Kenniswerkplaats Leefbare Wijken. (PDF)