Edith Huinck begon haar loopbaan als sociotherapeut in het jeugdwelzijnswerk. Daarna werkte ze jarenlang in de specialistische geestelijke gezondheidszorg (ggz), voordat ze overstapte naar 113. Bij deze stichting is ze projectleider en trainer, onder anderen van zorgprofessionals.
De overstap van ggz naar 113 ervoer Huinck niet als een grote professionele verandering. ‘Ook in mijn vorige baan, in de ggz, ging het vaak over suïcidaliteit. Kregen we een belletje, zo van: wat kunnen jullie met hem of haar doen? Soms zijn er redenen waarom een opname niet voorkomen kan worden ondanks dat het bij suïcidaliteit in het algemeen niet het meest helpend is. Suïcidaliteit is geen psychiatrie; het kan bij iedereen voorkomen. De, onlangs hernieuwde, Richtlijn Suïcidaliteit beveelt niet voor niets aan om ook de onderliggende problematiek aan te pakken.’1
Gezamenlijke opdracht
Vanaf 1 januari 2026 is de Wet integrale suïcidepreventie van kracht. Gemeenten zijn sindsdien verplicht om beleid te ontwikkelen om suïcide te voorkomen.2
‘Het bijzondere van deze wet is dat ze duidelijk maakt dat we met z’n allen een verantwoordelijkheid hebben’
Ze moeten, met andere woorden, structureel investeren in mentale gezondheidszorg en in vroegtijdige signalering van suïcidaliteit. Huinck: ‘Het bijzondere van deze wet is dat ze duidelijk maakt dat we met z’n allen een verantwoordelijkheid hebben. Er is namelijk niet één factor die maakt dat iemand suïcidaal is. Om uit te vinden waarom iemand suïcidale gedachten heeft, heb je meerdere partijen nodig, waaronder gemeenten, huisartsen, onderwijsmedewerkers en sociale hulpverleners.’
Over samenwerking gesproken: praat 113 met gemeenten over hoe zij uitvoering zouden kunnen geven aan hun lokale suïcidepreventiebeleid?
‘Gemeenten krijgen geld om een suïcidepreventiebeleid te ontwikkelen en uit te voeren. Maar hoe moeten ze dat doen? Dat is voor elke gemeente anders, afhankelijk van de lokale omstandigheden en plaatselijke cultuur. Bij de vormgeving en uitvoering van het beleid kunnen gemeenten, als zij dat willen, een beroep doen op ondersteuning van 113.’3
Er zijn vijftig gemeenten die al een suïcidepreventiebeleid hebben ontwikkeld, de andere ‒ 86 procent ‒ nog niet. Om die allemaal te willen ondersteunen, lijkt me tamelijk ambitieus.
‘Op de website van 113 staan een stappenplan en tools vermeld waarmee gemeenten zelf al aan de slag kunnen gaan. Bovendien sluiten gemeenten steeds vaker aan bij onze webinars en nemen ze contact met ons op, al dan niet via de aparte zorglijn. We hoeven dus niet van nul af te beginnen.’
Wat ziet je als belangrijkste effect van de Wet integrale suïcidepreventie?
‘De wet zorgt ervoor dat het opstellen van een suïcidepreventiebeleid niet langer een vrijblijvende bezigheid is. Daarvan zou je kunnen zeggen dat het Rijk de gemeenten met weer een opdracht heeft opgezadeld, maar daar staat tegenover dat een goed suïcidepreventiebeleid het geestelijk welbevinden van alle inwoners van gemeenten ten goede komt. Een beleid dat kan steunen op goede netwerkzorg bereikt ook mensen die misschien niet suïcidaal zijn, maar het wel moeilijk hebben.’
‘Gemeenten moeten zorgen voor voldoende professionals om met mensen uit risicogroepen gesprekken te voeren over suïcide’
Het belangrijkste effect van de wet, zeg je, is dat de vrijblijvendheid eraf gaat bij gemeenten. En de netwerkpartners waarmee gemeenten samenwerken: verdwijnt de vrijblijvendheid daar ook?
‘Wetten kunnen niet voor alles een antwoord bieden. In hoeverre de netwerkpartners doordrongen zijn van hun rol in suïcidepreventiebeleid is vaak afhankelijk van een hele discussie over bevoegdheden en verantwoordelijkheden.’
Iedereen kan suïcidale gedachten hebben, tegelijkertijd identificeert jouw organisatie risicogroepen. Is de wet specifiek genoeg voor gemeenten om hen te bereiken?
‘Tot de risicogroepen rekenen we boeren, mannen van middelbare leeftijd, jonge moeders met een postnatale depressie, jonge vaders, transpersonen, oud-militairen en jonge meisjes die onder sterke druk staan.4 Gemeenten moeten ervoor zorgen dat er straks voldoende professionals zijn om met mensen uit de risicogroepen het gesprek te voeren over suïcide. We weten uit onderzoek en ervaring dat het delen van suïcidale gedachten helpt.’
Vorig jaar overleden er 290 jongeren beneden de 30 jaar aan suïcide, vooral onder jonge vrouwen was er een toename van het aantal suïcides. Is er volgens 113 voldoende kennis bij gemeenten en andere betrokkenen om zelfdoding onder jongeren vroegtijdig te kunnen signaleren?
‘113 heeft onderzoek gedaan naar ruim vierhonderd zelfdodingen in Nederland, in de periode 2020-2024. Ons onderzoek, uitgevoerd via psychosociale autopsie, biedt waardevolle inzichten in de levens en omstandigheden van mensen die door suïcide of zelfdoding overlijden.5
We hebben gesprekken gevoerd met nabestaanden om zicht te krijgen op factoren waarop we invloed zouden kunnen uitoefenen. Op basis van wetenschappelijk onderzoek uit Australië weten we dat we op verschillende gebieden iets te doen hebben, en welke acties we zouden kunnen ondernemen.
‘Als je in een community zit met mensen met wie het allemaal niet goed gaat, dan wordt het ingewikkeld’
Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat sociale media jongeren veel goeds kunnen brengen, maar hen ook kunnen schaden. Een jongere die suïcidale gedachten heeft, kan online mensen vinden die hem begrijpen, mensen die hij in real life wellicht niet ontmoet. Dat is fijn. Maar als je in een community zit met mensen met wie het allemaal niet goed gaat, dan wordt het ingewikkeld. Dan ontstaat er een ongezond spanningsveld. Niet alleen ons onderzoek toont overigens aan dat we nog geen goede hygiëne voor het gebruik van sociale media hebben ontwikkeld. Voor een goed suïcidepreventiebeleid is dat echter wel hard nodig.’
Op de website van het kenniscentrum Phrenos benadrukt een ervaringsdeskundige dat de mens niet vergeten moet worden. Komt de aandacht voor de mens voldoende aan de orde in de wet?6
‘Het uitvaardigen van een wet is vaak het begin van wat je wilt bereiken. In onze trainingen en in onze gesprekken met gemeenten onderstrepen we telkens weer dat het contact met de mens cruciaal is voor een goed functionerend suïcidepreventiebeleid. Structuren, organisaties, samenwerkingsverbanden, financiering: ze zijn allemaal belangrijk voor suïcidepreventie, maar de mens moet te allen tijde worden gezien.’
Een kleine gemeente moet bij de lokale uitvoering van landelijk beleid vaak noodgedwongen met andere gemeenten samenwerken, op regionaal niveau. Dat is bij het suïcidepreventiebeleid waarschijnlijk niet veel anders. Verdwijnen de mens en zijn omgeving daarmee niet alsnog uit het zicht?
‘Dat is zeker iets wat om aandacht vraagt. Er zijn gemeenten die hun suïcidepreventiebeleid regionaal moeten vormgeven om het ambtelijk en bestuurlijk behapbaar te houden, maar elke deelnemende gemeente zou dat beleid altijd moeten vertalen naar haar eigen specifieke gemeenschap.’
Trainingen formele en informele hulpverleners113 biedt trainingen, cursussen en toolkits waar zowel formele als informele hulpverleners en netwerken kunnen leren over suïcide te praten, hoe ze risicogroepen kunnen signaleren en die kunnen helpen bij het vinden van hulp en ten slotte hoe ze veilige zorg kunnen bieden aan mensen met suïcidale gedachten. Ook op ggzecademy kun je terecht voor een cursus gesprekstechnieken bij suïcidepreventie.7 Hier wordt specifiek ingegaan op een wereldwijd gebruikte benadering: de Chronological Assessment of Suicide Events-benadering.8 Belangrijke elementen zijn normaliseren, schaamte verminderen, gericht doorvragen, vriendelijke veronderstelling en zoeken naar openheid. Hoe je dat doet, leer je aan de hand van (gespeelde) videogesprekken. Wat nu volgt, is een deel uit het fictieve gesprek tussen de 32-jarige Merel die lijdt aan depressies en angststoornissen, en haar therapeut. Therapeut: ‘Merel, je hebt net verteld dat je echt somber bent, al langere tijd ook. Dat je relatie uit is en dat je een opdracht niet gekregen hebt. Een pittige tijd. (...).’ De therapeut vertelt Merel vervolgens dat hij vaker spreekt met mensen die verlies hebben geleden en somber zijn. Zijn ervaring is dat die mensen soms suïcidale klachten hebben. Hij vraag Merel of zij die gedachten ook heeft. Merel: ‘Ja, weleens.’ Therapeut: ‘Wat voor gedachten heb je dan gehad, zou je daar iets over willen zeggen?’ Merel: ‘Eh, gewoon wat ik als mezelf, als ik verdwijn, maar goed weet je, ik zou het nooit doen, dat ten eerste, ik zou het nooit doen. Zijn gewoon gedachtes.’ Therapeut: ‘Heb je weleens een gedachte gehad over de manier waarop je een einde aan je leven zou kunnen maken?’ Merel: ‘Ja.’ Therapeut: ‘Aan wat voor manier heb je gedacht?’ Merel: Zucht. ‘Ik vind het heel moeilijk om dat te zeggen. Ik ben weleens bij het spoor gaan staan.’ Therapeut: ‘Oké, wanneer was dat?’ Merel: ‘Vorige week.’ Therapeut: ‘En ben je toen bij het spoor geweest met de gedachte van: nu ga ik er een eind aan maken?’ Merel: ‘Tja, het klinkt echt absurd nu je het zo zegt, maar toen ik daar stond dacht ik gewoon, ik moet hier weg. Dit is niet wat ik wil, maar op zo’n moment voel ik me zo leeg, niets. Ik wil weer iets voelen.’ Therapeut: ‘Het zou me helpen, Merel, om de situatie goed te begrijpen, dat je me erdoorheen praat van wat er gebeurde die dag, vorige week, wat voor dag was het?’ Merel: ‘Vorige week was de filmpremièreavond waar ik eigenlijk ook bij zou zijn geweest als ik aangenomen was voor dat project. Dat was dus niet zo. Ik zat thuis. Thuis met het idee van: o ja, iedereen zit nu daar, en ik hier. Dat soort gejank in mezelf. Was aan het scrollen, zag ik mijn ex voorbijkomen met zijn nieuwe vriendin. Helemaal fantastisch natuurlijk. Ja, toen ben ik gaan drinken. Doe ik vaker.’ Therapeut: ‘En toen, hoe ging het toen verder?’9 |
Jan van Dam is freelancejournalist.
Foto: Daisy Ranoe