Het doorbreken van genderstereotypen onder jongeren is moeilijker dan verwacht, volgens Carolien Terhorst en haar medeauteurs onlangs op socialevraagstukken.nl. Hun conclusie wordt onderschreven door ander onderzoek. Stereotiepe beelden van hoe jongens en meiden zich zouden moeten gedragen, blijken hardnekkig.
Kortweg komen die beelden erop neer dat meiden vaker dan jongens aangemoedigd worden tot bescheidenheid, relationele afstemming en zorgzaamheid. En dat andersom jongens eerder dan meiden worden gestimuleerd tot assertief of dominant gedrag.
Stereotiepe beelden en verwachtingen omtrent gewenst gedrag krijgen een maatschappelijke vertaling in het feitelijke gedrag van jongeren zelf en worden weerspiegeld in de manier waarop de sociale ruimte wordt ingenomen en verdeeld. Meiden bewegen zich aantoonbaar anders door publieke en digitale ruimtes dan jongens, niet omdat zij zo zijn, maar omdat ze anders worden aangesproken, bekeken en beoordeeld.
Gender manifesteert zich met andere woorden als een relationeel georganiseerd verschil dat dagelijks vorm krijgt in interacties, verwachtingen en professionele inschattingen.
Aparte aandacht
Voor jongerenwerkers betekent dit dat zij nooit alleen mogen reageren op individueel gedrag, maar altijd moeten handelen binnen structuren die ongelijkheid mede produceren.
Relationeel handelen hangt voor alle jongeren samen met verbondenheid, steun en het ontwikkelen van talenten. Tegelijkertijd halen meiden uit diezelfde relatie gemiddeld meer groei in zelfvertrouwen dan jongens.
Het negeren van de door meiden ervaren onveiligheid is allesbehalve neutraal
In het jongerenwerk zijn gemengde groepen niet voor alle jongeren vanzelfsprekend veilig. Vooral meiden voelen zich geremd of bekeken en hebben het gevoel dat zij zich voortdurend moeten aanpassen aan de dominante groepsdynamiek. Het negeren van de door meiden ervaren onveiligheid is allesbehalve neutraal. Het sluit namelijk impliciet aan bij een norm die beter past bij jongens: zichtbaar zijn, ruimte innemen en tegen een stootje kunnen.
Genderspecifiek werken is een tijdelijke pedagogische strategie om veiligheid, stem en handelingsruimte van meiden te vergroten. De vraag is dan ook niet of aparte aandacht goed of fout is, maar onder welke voorwaarden zij bijdraagt aan meer participatie en zelfvertrouwen.
Soms stereotyperend
Bevestigt de aparte aandacht van het jongerenwerk voor meiden genderstereotypen? Die vraag is niet gemakkelijk te beantwoorden. Zo zien we verschillen als we kijken naar het verleden en naar het huidige genderspecifieke jongerenwerk. Tijdens de tweede feministische golf werd van meidenwerkers verwacht dat zij meiden emancipeerden. Er werd minder sterk gekeken naar wat meiden zelf wilden. Met als gevolg een kloof tussen de feministische meidenwerkers en de meiden aan de andere kant.
Veiligheid en het werken met de omgeving zijn cruciaal in het meidenwerk
Nu proberen jongerenwerkers meer aan te sluiten bij de behoeften van meiden zelf. Zo organiseert het meidenwerk nu meer activiteiten waar meiden zelf behoefte aan hebben. Activiteiten die bovendien gendernormen doorbreken, zoals voetbal of kickboksen of nail art in het reguliere jongerenwerk. Veiligheid en het werken met de omgeving zijn cruciaal in het meidenwerk.
Jongerenwerkers realiseren daarnaast ook een aanbod waardoor meiden van hun ouders naar het buurthuis of jongerencentrum mógen gaan. En ja, soms is dit aanbod genderstereotyperend, met activiteiten gericht op bestaande maatschappelijke normen en rollen, zoals koken voor meiden.
Kritische pedagogiek
Jongerenwerkers bouwen een relationele band op met jongeren om ze vanuit de pedagogische opdracht en brede taakopvatting van het jongerenwerk zo goed mogelijk te ondersteunen bij het volwassen worden. Dit kan ingewikkeld en ongemakkelijk zijn, vooral wanneer jongerenwerkers een spanning ervaren tussen de professionele waarden van het jongerenwerk, hun eigen normen en waarden en de behoeften van jongeren.
Het professioneel handelen van jongerenwerkers is onvermijdelijk normatief
Een kritische pedagogische houding betekent dat een jongerenwerker erkent dat gelijkwaardigheid, veiligheid en nabijheid telkens opnieuw moeten worden afgewogen, binnen relaties en organisatorische kaders en in maatschappelijke ontwikkelingen. Gelijkwaardigheid betekent niet dat de jongerenwerker iedereen op dezelfde manier moet benaderen, maar dat de professionele keuzes steeds opnieuw moeten worden getoetst.
Belangrijk is het bewustzijn dat het professioneel handelen van jongerenwerkers onvermijdelijk normatief is. De cruciale vraag daarbij is steeds of het gevoelde professioneel ongemak het resultaat is van zorgvuldige afweging of van ontwijking van heikele kwesties.
Wanneer is professioneel ongemak een teken van zorgvuldigheid? En bij wie? Doet ongemak zich vooral voor bij de jongerenwerker die zich in zijn of haar praktijk vrij kan uitspreken en ongehinderd kan bewegen? Of bij de jongerenwerker die zich aanpast aan de norm van wat als normaal of professioneel geldt? Het zijn vragen die geen kant-en-klare antwoorden hebben, maar evenmin voortdurend uitstel verdragen.
De pedagogische opdracht van het jongerenwerk is hier specifiek om nabij te blijven en om zichtbaar te maken van wat anders onzichtbaar blijft. Dat betekent dus ook dat genderstereotypen benoemd en ontkracht moeten worden. En soms als tijdelijke oplossing gebruikt moeten worden.
Evelien Rauwerdink-Nijland is lector Jeugd en Samenleving aan Hogeschool Inholland. Cynthia Boomkens is docent bij de opleiding Social Work aan de Hogeschool van Amsterdam.
Foto: fauxels via Pexels.com