Gebarentaal mag niet terug in het verdomhoekje

Gebarentaal was essentieel voor de emancipatie van dove mensen. We mogen dove kinderen niet de kans ontnemen om deze volkomen en rijke taal te leren. Dat sommige experts en media deze tweetaligheid nu ter discussie stellen is een bedreiging voor een volwaardig leven van jonge dove mensen.

Dat er in Nederland dove mensen wonen is de afgelopen decennia steeds zichtbaarder geworden. Wij kijken niet meer op van doven in de media, in bioscoopfilms of van gebarentaaltolken in TV programma’s. Cursussen gebarentaal zijn in trek, de tolkenopleiding gebarentaal aan de Hogeschool Utrecht loopt vol en het is in de mode om – horende - pasgeborenen ‘babygebaren’ te leren. Ongetwijfeld heeft die grotere zichtbaarheid te maken met de acceptatie en erkenning van gebarentaal als echte taal, een voorwaarde voor en tegelijk een resultaat van de emancipatie van dove mensen. Zij vormen een culturele gemeenschap en zijn trots op hun taal. Maar terwijl serieuze aandacht van de horende wereld voor gebarentaal en gebarentaalgebruikers groeit, wordt nu door sommige experts het belang van gebarentaal in de opvoeding van jonge dove kinderen ter discussie gesteld. Deze kinderen, van wie de jongste generatie voor meer dan 90 procent een elektronische binnenoorprothese (CI) heeft, zouden geen baat meer hebben bij gebarentaal. Sterker nog, het gebruik van gebarentaal zou hen in de weg zitten bij het verwerven van de gesproken taal.

Gebarentaal onder wetenschappelijk vuur

Wetenschappelijke publicaties met deze strekking roepen in kringen van taalkundigen en pedagogen veel kritische vragen op over de methodiek en conclusies van het onderzoek. Maar terwijl discussies daarover in de vakliteratuur volop gaande zijn, verschijnen inmiddels berichten in de media met een bepaalde strekking: de rol van gebarentaal in het leven van jonge dove kinderen in Nederland lijkt te zijn uitgespeeld. De Leidse universiteit bijvoorbeeld, bracht onlangs een persbericht over een promotieonderzoek aldus naar buiten: ‘Geen gebarentaal meer voor dove kinderen met implantaat?’ In het dagblad Trouw werd dat: ‘Moet doof kind met implantaat nog gebarentaal leren?’ en op de website van Nu.nl was de belangrijkste boodschap inmiddels: ‘Gebarentaal vertraagt taalontwikkeling van kinderen met cochleair implantaat (CI).’ “Tendentieuze berichtgeving” oordeelde het Nederlands Gebarencentrum, een lexicografisch instituut dat de Nederlandse Gebarentaal in kaart brengt.

Waarom is kritiek op gebarentaal zo verleidelijk?

De kritiek op dit en ander onderzoek is fundamenteel: de studies zijn gebaseerd op kleine aantallen van in verschillende omstandigheden onderwezen kinderen. Er wordt bovendien uitgegaan van aannames (bijvoorbeeld over tweetaligheid) waarvan de geldigheid volop in discussie is. Het gaat mij hier nu echter niet zozeer om de ins en outs van de wetenschappelijke commentaren. Meestal worden de conclusies door de onderzoekers zelf ook meer als verder uit te zoeken vraagstukken dan als keiharde waarheden gepresenteerd. Wel kunnen we vaststellen dat uitspraken met dergelijke verstrekkende consequenties voor de Nederlandse dovengemeenschap en haar taal, op hele zachte basis rusten. Wat maakt het idee dat gebarentaal ‘niet meer nodig’ is voor de groep van jonge dove kinderen zo verleidelijk?

Gebarentaal zou geen volwaardige taal zijn

Zoals zoveel gebarentalen, kent de Nederlandse Gebarentaal (NGT) en haar gebruikers een geschiedenis van onderdrukking en achterstelling. Het is nog niet zo lang geleden dat op de doveninstituten een verbod gold op het gebruik van gebarentaal. Volwassen doven kunnen daar schrijnende verhalen over vertellen. Gebaren werden gezien als een primitief communicatiemiddel, hooguit een hulpmiddel om de spreektaal te leren. Rond de zestiger jaren brachten taalkundigen verandering in deze opvatting, maar pas in de loop van de tachtiger jaren van de vorige eeuw kregen gebaren een plaats in het Nederlands dovenonderwijs. Langzaam maar zeker kwamen er op de speciale scholen ook meer dove mensen te werken. Het werd als een belangrijke verworvenheid gezien dat dove kinderen konden leren en communiceren in hun eigen, natuurlijke taal. Dat was goed voor hun cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling en ook voor de mogelijkheid om zich te identificeren met dove volwassenen. Vrijwel altijd (in 95 procent van de gevallen) hebben dove kinderen namelijk horende ouders en daardoor meestal geen banden met de dovengemeenschap.

Tweetalig dovenonderwijs sinds 1996

Het belang om de gebarentaal zo vroeg mogelijk goed te leren werd alom onderschreven en horende ouders en leerkrachten uit het dovenonderwijs kregen cursussen gebarentaal aangeboden. Tegelijkertijd bleef  het aanleren van het gesproken en geschreven Nederlands vanzelfsprekend een belangrijke doelstelling in het dovenonderwijs.

Door de wetenschap dat gebarentalen echte talen zijn, werd een nieuwe visie op het aanleren van die spreektaal mogelijk. Onderzoek naar tweetaligheid bij gesproken talen had duidelijk gemaakt dat het beheersen van een ‘eerste’ taal noodzakelijk was om tot goede verwerving van een tweede taal te komen. Vanuit dit model werd het idee van tweetalig dovenonderwijs ontwikkeld, waarbij gebarentaal als eerste taal en de gesproken taal als tweede, ‘vreemde’ taal, werd onderwezen. In Nederland werd deze tweetaligheid voor het eerst in 1996 daadwerkelijk ingevoerd in het dovenonderwijs.

Opgeven van tweetaligheid is groot verlies

De merites van dit model staan nu ter discussie voor jonge, ‘gewone’ (niet meervoudig beperkte) dove kinderen met een CI. De discussie wordt deels gevoerd met wetenschappelijke argumenten, die zoals gezegd stevig onder vuur liggen. Maar deels ook vanuit veronderstellingen dat zowel horende ouders als horende leerkrachten de gebarentaal niet voldoende machtig kunnen worden om het model van tweetaligheid daadwerkelijk in praktijk te brengen.

In feite wordt daarmee het falen van het dovenonderwijs erkend. Maar in plaats van strengere eisen te stellen aan onderwijzend personeel, een beter aanbod van cursussen en trainingen na te streven, meer dove volwassenen binnen de scholen te halen, worden de handen in de schoot gelegd. Het zou onmogelijk zijn om het doel van een gebarentalige omgeving voor het opgroeiende dove kind te realiseren. Daarom kan maar beter worden ingezet op de spreektaal.

Deze gevolgtrekking wordt versterkt door medisch-technologische ontwikkelingen. Door de vrijwel routinematige implantatie van dove baby’s met CI wordt doofheid met wisselend succes ‘opgewaardeerd’ tot slechthorendheid. In zo’n medisch traject staat gebarentaalaanbod sowieso op achterstand. Alles is gericht op het verwerven van de  gesproken taal en gebarentaal is daar slechts een hulpmiddel toe. Zo wordt voor deze kinderen een enorme hindernis opgeworpen naar de culturele gemeenschap waar dove mensen ‘thuis’ zijn. Een hindernis bovendien, naar een volkomen toegankelijke, rijke taal van bijzondere uitdrukkingskracht en grote schoonheid. Hoe is het mogelijk dat de rijkdom van tweetaligheid zo makkelijk wordt opgegeven? Voor welke andere taal wordt eentaligheid als respectabel doel gezien?

Geen eigen plek voor doven

Door de voorgestelde herstructurering in het speciaal onderwijs worden deze ontwikkelingen versterkt. Bezuinigingen vragen om stroomlijning. Speciaal is nu eenmaal duurder dan regulier en daarom wordt ingezet op integratie van dove kinderen in het regulier onderwijs, tenzij blijkt dat dat een brug te ver is.

Het assimilatiedenken uit de jeugdjaren van oudere dove mensen wordt zo nieuw leven ingeblazen en bewuste, gebarentaal gebruikende doven worden opnieuw gediskwalificeerd tot mensen die het niet kunnen redden in een horende wereld. Terug naar de onzichtbaarheid dus. Sommigen noemen deze ontwikkeling vooruitgang. Mij lijkt het oude, bedorven wijn in nieuwe zakken. Het toont het ongeduld van een samenleving die weinig op heeft met mensen die anders zijn en hun plaats steeds opnieuw moeten bevechten.

Anja Hiddinga is verbonden aan de afdeling sociologie en antropologie van de Universiteit van Amsterdam.

Dit artikel is 695 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (11)

  1. Hallo,
    Bij CI worden de dove kinderen niet horende kinderen.
    Ze kunnen nu misschien wat geluiden opvangen maar mer ook niet.
    Het helpt hen om beter te leren praten en dus beter met een horende om te gaan.
    Maar het is en blijft oppervlakkig.
    Dove mensen hebben de gebarentaal nodig net als iemand zonder benen een rolstoel nodig heeft. Of al die mensen die een bril op hebben.
    Groet
    Tineke

  2. echt schandalig toekomst van de kinderen afpakken dat kan niet ! het is hun taal gebarentaal, leren spreken oke maar dat afpakken ze hebben twee nodig !

  3. Stel nu eens voor dat een doof kind met CI geen gebarentaal kent.
    Op een gegeven moment gaat de soundprocessor stuk. Of het moet vervangen worden door een exemplaar van een ander merk, waardoor het kind opnieuw een revalidatieproces van maanden moet ingaan om te wennen. Hoe moet het kind dan communiceren? Of gewoon in het zwembad of op het strand, dus zonder CI?

    Een CI blijft per slot van rekening een hulpmiddel. Het dove kind kan zonder gebarentaal ook niet deelnemen aan activiteiten binnen de dovengemeenschap en zal dan in een sociaal isolement raken.
    Laat het dove kind dan toch fijn NmG leren. Dat is gebarentaal wat sterk verwant is met NGT, maar dan met Nederlandse grammatica. Probleem opgelost!

    Ik ben zelf maatschappelijk doofblind, leeftijd 58, en ben één van die schrijnende gevallen uit het verleden: Voor straf in de hoek als je gebarentaal gebruikt!
    Op dit moment leer ik NmG en TNGT om voorbereid te zijn op de toekomst en voor mijn contacten met prelinguaal doofblinden.

    Met vriendelijke groeten,
    Harrie Overdijk

  4. Wat interessant zou zijn, is om te onderzoeken waarom het dovenonderwijs er niet in geslaagd is om een volwaardige en adequate taalomgeving te bieden aan dove kinderen, waarbij de gesproken taal en de gebarentaal als volwaardige en duidelijk onderscheiden talen aan te bieden. Gaat het om praktische of organisatorische problemen, of om verschillen in status en cultuur van gesproken taal en gebarentaal? Of gaat het er net als bij inclusief onderwijs om dat wanneer het beleid niet helder geformuleerd is en docenten doelstellingen niet kennen of onderschrijven, de kans op slagen kleiner is?

  5. Als horende moeder van een zoon van 8 met Cochleair Implantaat (CI) wil ik graag de ervaring in de praktijk toevoegen en pleiten voor een meer genuanceerde discussie. Mijn zoon was bij zijn geboorte zeer slechthorend en kreeg binnen 3 maanden gehoorapparaten. Na wat druk van mijn kant, mochten we toch mee doen met de gebarentaallessen, die voor ouders van dove kinderen waren. We hebben daar enorm veel profijt van gehad in de communicatie met ons zoontje. Zijn eerste gebaar was vogel. Zijn eerste woordje kwam pas later. Daar waar we in de lessen gebarentaal leerden, spraken we thuis altijd Nederlands met gebaren, maar maakten wel gebruik van de lollige effecten uit de gebarentaal. (Gebarentaal heeft een andere grammatica en woordvolgorde dan Nederlands, wij gebruikten de Nederlandse woordvolgorde, maar wel de directionele gebaren). Dit gold volgens mij voor het merendeel van de ouders die deelnamen aan de lessen. We wilden hem zoveel mogelijk in beide talen onderdompelen, maar uiteraard is onze woordenschat en taalvaardigheid in het Nederlands veel beter dan die in gebarentaal. Op zijn derde ging ons zoontje naar het speciaal onderwijs voor slechthorenden en kinderen met spraak-taal problemen. Ook daar werd Nederlands ondersteund met gebaren gesproken. Vervolgens bleek dat hij veel dover was geworden en zijn spraakontwikkeling stokte, omdat hij bepaalde letters zoals de g en de k niet hoorde. Dit was de reden om toch voor een CI te kiezen, die hij kreeg toen hij bijna 4 was. Met het CI heeft hij goed verstaanbaar leren praten en merkten we dat hij zelf de gebaren steeds minder ging gebruiken. Nu gebaren we alleen nog in bad en zwembad en vingerspellen we moeilijke woorden voor hem. Hij zit sinds een half jaar op een gewone school, waarbij geen gebaren meer worden aangeboden.
    Ik denk daarom dat ouders graag vanaf de zeer jonge leeftijd van hun slechthorende of dove kind gebarentaal willen leren en Nederlands met gebaren met hun kind willen spreken. Vervolgens wil je afhankelijk van de ontwikkeling van het kind (al dan niet met hulp van gehoorapparaten of CI) een pad kunnen kiezen in het onderwijs, waarbij gebaren meer of minder een rol spelen, afhankelijk van de mogelijkheden van het kind. Daarbij zou het wenselijk zijn, dat in de taalgevoelige periode van 2 tot 7 het kind zowel gesproken als gebarentaal op hoog niveau krijgt aangeboden. Volgens mij is het daarbij handiger om te focussen op de woordenschat in beide talen en is het volgens mij niet zo’n probleem om de Nederlandse woordvolgorde aan te houden en wel de directionele gebaren en rolneming uit de gebarentaal te gebruiken. Want uiteindelijk gaat het erom dat de communicatie goed op gang komt en kun je beter meer dan minder talen spreken/gebaren. Daar waar je bij kinderen met Nederlands en bijvoorbeeld Engelse ouders op een gegeven moment een periode van taalverwarring ziet, zitten gebaren en Nederlands elkaar helemaal niet in de weg.

  6. Ik ben het er niet mee eens, ik vind dat ze het nog blijven te doen met gebarentaal, ik ben zelf niet slechthorend of doof, ik ga wel met dat soort mensen om, en sinds dien wil ik niks liever met dat soort kinderen mee werken.

  7. ERKENNING

    TOEN

    Ik ben moe,
    ja, vermoeid
    van de Horende Wereld.
    Die mij veroordeelt
    met haar vooroordelen.

    NU

    Acceptatie van het Doof-zijn
    gaat hortend en stotend door…
    Nòg helemaal niet van harte.
    De essentie laat
    zich niet vangen..?

    De Nederlandse Gebarentaal met
    haar historische rijkdom,
    de trots van de Dovenwereld.
    Is nòg steeds niet erkend.

    Henk Betten

  8. @Ingrid: Wat een kracht dat je als ouder gaat staan voor de taal die je kind nodig heeft. Daarna kijken aan welke taal je kind het meest behoefte heeft en daarop inspelen zonder de andere taal te laten verdwijnen vind ik een kracht waar je als ouder trots op mag zijn.

    Ik heb zelf met dove kinderen gewerkt. Al dan niet met een CI. Ik ben erg geschrokken van boven staand artikel maar, na 2 keer lezen, viel me op dat de discussie in de wetenschappelijke wereld gaande is en dat er in de media geschreven wordt alsof er al conclusies zijn getrokken. Dit is inderdaad een voorbeeld van hoe makkelijk het voor de media is om bepaalde culturen, en gebruiken daarbij, op een bepaalde manier weg te zetten.
    Binnen mijn werk op een groep met dove kinderen al dan niet met CI is het mij juist opgevallen dat beide talen van belang zijn.
    Ik wil me daarom wat meer in de wetenschappelijke kant van dit verhaal gaan verdiepen om te kijken waar deze beweringen vandaan komen en hoe ze daat werkelijk beschreven worden. Zonder de kleuring van mediamiddelen als “Trouw” en “nu.nl”
    Ik ben benieuwd wat ik ga tegen komen.
    Groet Marlike

  9. Ongetwijfeld heeft die grotere zichtbaarheid te maken met de acceptatie en erkenning van gebarentaal als echte taal, een voorwaarde voor en tegelijk een resultaat van de emancipatie van dove mensen. Zij vormen een culturele gemeenschap en zijn trots op hun taal. Maar terwijl serieuze aandacht van de horende wereld voor gebarentaal en gebarentaalgebruikers groeit, wordt nu door sommige experts het belang van gebarentaal in de opvoeding van jonge dove kinderen ter discussie gesteld.

  10. Maar terwijl serieuze aandacht van de horende wereld voor gebarentaal en gebarentaalgebruikers groeit, wordt nu door sommige experts het belang van gebarentaal in de opvoeding van jonge dove kinderen ter discussie gesteld. Deze kinderen, van wie de jongste generatie voor meer dan 90 procent een elektronische binnenoorprothese (CI) heeft, zouden geen baat meer hebben bij gebarentaal. Sterker nog, het gebruik van gebarentaal zou hen in de weg zitten bij het verwerven van de gesproken taal.

  11. Dag, ik vervoer kinderen van huis naar school en VV, 5 dagen per week, voor mij het tweede jaar: 2 X 7 jaar, 1 X 9 jaar en 1 X 10 jaar. 3 kinderen zijn doof geboren en hebben allen een CI. 1 kind is slechthorend. Ik merk al tijden dat gebarentaal wel degelijk de gesproken taal in de weg zit en ze lopen allen ernstig achter wb grammatica en volledig uitgesproken zinnen. 1 Kindje heeft dove ouders en een doof broertje, dat ook een CI heeft. Als ik dit kind op maandagochtend ophaal, kan hij bijna niet uit zijn (gesproken) woorden komen omdat ze gedurende het weekend alleen middels gebarentaal gecommuniceerd hebben omdat beide broertjes hun CI niet in hebben gehad (vinden ze zielig voor hun ouders en lastig omdat ze binnen het gezin alleen maar gebarentaal gebruiken). Ik heb het hier met de moeder over gehad en ook zij vindt het onjuist dat op hun school uit wordt gegaan van gebarentaal en het gesproken woord pas daarna komt, terwijl het heet ‘gebarentaal-ondersteunend ‘onderwijs. Er werken overigens diverse dove docenten, dus ‘gesproken’ onderwijs kan dan helemaal niet. Ik vind dus dat waar gebarentaal gebruikt wordt als de gebruiker ook kan horen, de gebarentaal ondersteunend moet zijn en niet primair: het gaat ten koste van het taalgebruik!

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *