In oktober 2022 publiceerde Toby Witte, emeritus lector Maatschappelijke Zorg aan Hogeschool Rotterdam, een essay waarin hij schreef dat het logisch zou zijn dat studenten social work uit professionele nieuwsgierigheid op zoek zouden gaan naar de historische betekenis van sociaal werk.
Wat logisch is, betekent evenwel niet dat het ook gebeurt. Sterker nog, Witte diagnosticeerde in zijn opstel een ‘sociaal-historische bewusteloosheid’ bij studenten social work. Zij beschouwden, aldus Witte, geschiedenis als iets wat achter je ligt, ‘soms leuk om te weten, maar niet relevant voor de uitvoeringspraktijk’.
Nog buiten kennis
Drie jaar later ziet Lex Veldboer, lector Stedelijk Sociaal Werk aan de Hogeschool van Amsterdam, weinig verbetering. De patiënt is nog steeds niet bij kennis. Ook Veldboer heeft geregeld te maken met studenten die weinig interesse tonen voor de historische ontwikkeling van hun aanstaande professie. Veldboer: ‘Ruim 125 jaar social work is kennelijk alleen iets voor fijnproevers, niet voor de grotere groep.’
‘Veel studenten kijken glazig als ik ze over de geschiedenis van social work vertel’
In zijn colleges schetst Veldboer in grote lijnen de link tussen settlements work anno 1900 en social work in de aandachtswijken nu. Hij laat zijn gehoor onder andere zien dat presentie in kwetsbare wijken en buurten een verre voorganger had in het Angelsaksische friendly visiting. Ook wijst Veldboer studenten op het aloude belang van leren en werken op locatie.
‘Veel studenten kijken glazig als ik ze over de geschiedenis van social work vertel. Voor hen begint de geschiedenis van social work niet eerder dan in 2013, toen koning Willem-Alexander in zijn troonrede de participatiesamenleving afkondigde. Dat dit een cesuur was, weten ze meestal wel, maar kennis over wat eraan voorafging, ontbreekt vaak.
Uitzonderingen daargelaten, vinden studenten zaken die langer geleden speelden überhaupt niet relevant. Een vaak gehoorde reactie van studenten is dat die zaken inmiddels zijn afgerond en er nu niet meer toe doen. Dat de problematieken waarmee ze straks als professional in buurten en wijken worden geconfronteerd wortels kunnen hebben in het verleden en dat een historisch perspectief hen kan helpen bij het overdenken van hun handelen, daarvan zijn de meeste studenten zich niet goed bewust, om het zachtjes uit te drukken.’
Opvallende blijmoedigheid
De body of knowledge van social work ‒ de verengelsing van de Nederlandse taal in het hoger onderwijs is onstuitbaar ‒ omvat meerdere historische theorieën. Denk daarbij aan wetenschappers als Jürgen Habermas, Michel Foucault, Pierre Bourdieu, maar ook aan de vaderlandse filosoof Hans Achterhuis.
‘Het duidt erop dat ook professionals niet bovenmatig geïnteresseerd zijn in het verleden’
Diens in 1979 verschenen boek De markt van welzijn en geluk veroorzaakte destijds veel ophef in welzijnsland. Maar waar het hier om gaat, aldus Veldboer, is dat het kennen van het werk van Achterhuis, met zijn stevige kritiek op ten strijde trekkende sociaal werkers, nog steeds relevant is. Verbazingwekkend genoeg ontbreekt echter vrijwel elke verwijzing naar zijn boek in het debat over politisering van sociaal werk.
‘Het duidt erop dat ook professionals niet bovenmatig geïnteresseerd zijn in het verleden’, zegt Veldboer. ‘Dat zie je niet alleen terug in het zojuist genoemde debat over politisering, maar ook in de opvallend optimistische toon van de discussie over de top-down- versus de bottom-up-benadering, en in de gedachtewisseling over de tegenstellingen tussen leef- en systeemwereld. Vooral het jongerenwerk en community builders zien altijd talenten om te ontwikkelen en kansen om te benutten. Het besef dat sommige problemen structureel zijn en een historische oorsprong hebben, gaat in al die blijmoedigheid nogal eens verloren.’
Radicale bekering
Het verschil is groot tussen de, ook voor het sociaal werk en het welzijnswerk, roerige jaren zestig en nu. Veldboer zegt dat die ommekeer een typisch voorbeeld is van wat de historicus James Kennedy in zijn boek Een beknopte geschiedenis van Nederland een ‘radicale bekering’ noemt.
‘Nederland staat alom bekend ‒ niet in het minst bij de Nederlanders zelf ‒ als een land van consensus. Minder bekend is dat die eensgezindheid in de tijd sterk verandert. In de jaren zestig ging ons land in korte tijd van conservatief naar progressief, in de jaren negentig van multicultureel naar monocultureel en sinds 2013 hebben we de verzorgingsstaat ingeruild voor de participatiesamenleving. Achteromkijken is er na zo’n radicale bekering weinig bij. Hoogstens fungeert het verleden als een tijd om je tegen af te zetten.’
‘De adepten van Andrew Tate en Trump onder de studenten beginnen zich steeds vaker te roeren’
‘Ik zeg niet dat het sociaal werk zich gewillig op de grote stroom laat meedrijven. Er zijn bijvoorbeeld ook opleidingen, studenten en professionals die nog steeds progressief zijn en multiculturalisme bepleiten. Op het vlak van de participatiesamenleving is de bekering goed zichtbaar, maar tegelijkertijd zie je dat er een conversie naar autoritair denken plaatsvindt. De adepten van Andrew Tate en Donald Trump onder de studenten beginnen zich steeds vaker te roeren.’
Achteruitkijkspiegel
Op de middelbare school leerde Veldboer dat ‘geschiedenis de achteruitkijkspiegel is van de samenleving’. ‘We kijken terug om (beter) vooruit te kunnen komen. Het sociaal werk ziet die meerwaarde van geschiedenis niet. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het relativeren van geschiedenis al heel lang in het dna van sociaal werk zit. De oprichtster van de eerste school voor maatschappelijk werk in Nederland, Maria Geertruida Muller-Lulofs, vond in 1899 dat sociaal werk er was ‘om de sociale kwestie op te lossen’. Haar blik was, met andere woorden, op de toekomst gericht.
De paradox kan niet groter zijn: de sociaal-historische bewusteloosheid van studenten en de bijna exclusieve gerichtheid op heden en toekomst van het social work komt voort uit de eigen geschiedenis van het beroep. Of velen, studenten of professionals, zich hiervan bewust zijn, waag ik te betwijfelen. In het nieuwe landelijke opleidingsprofiel kom je de term ‘geschiedenis’ niet snel tegen. Ook in dat document staat toekomstgerichtheid voorop. Eigenlijk mogen we niet verbaasd zijn dat de geschiedenis van het social work geen speerpunt is van de opleidingen en dat je kennis erover slechts aantreft bij een relatief kleine groep studenten en professionals.
Het kan anders. In de lijn van achteromkijken om vooruit te komen, kunnen de opleidingen nagaan hoe de canon van het sociaal werk vanuit het perspectief van vernieuwing in de leerstof valt in te passen. De basis kan licht en algemeen zijn, bijvoorbeeld door aan de hand van casuïstiek aan de studenten duidelijk te maken dat verschillende kennisbronnen, waaronder het verleden, van belang zijn voor de kwaliteit van het social work. Bij scripties kunnen de opleidingen op meer verdieping sturen. In zijn vertoog moet de student aantonen over theoretische kennis te beschikken, terwijl hij ook de historische voorgangers van een huidige aanpak dient te bespreken. Welke lessen zijn er toen geleerd, en worden of kunnen die inzichten bij de nieuwe aanpak worden betrokken?’
Historisch bewustzijn als gereedschap tegen structureel onrecht
Thomas Kampen is hoogleraar Sociaal Werk aan de Universiteit voor Humanistiek. Hij oordeelt, anders dan lector Lex Veldboer, niet over het historisch bewustzijn van studenten sociaal werk. Ook voor Kampen is kennis van het verleden cruciaal voor een kritische beroepsuitoefening.
Kampen waagt zich niet aan uitspraken over het historisch bewustzijn van hbo-studenten sociaal werk, want daarvan heeft hij ‘onvoldoende beeld’. Uitgesprokener is hij over de context waarin studenten leren en werken. ‘Universitaire opleidingen hebben in de loop der jaren hun aparte geschiedenisvakken sterk ingedikt of samengevoegd met andere vakken. Ik weet niet of dat voor hbo’s ook geldt, maar bij ons [de Universiteit voor Humanistiek, red.] is dat soms het gevolg van meer keuzeruimte voor studenten. Het resterende deel van de curricula raakt daardoor erg vol. Daarnaast speelt ook de nadruk op rendement en doorstroom en het wegvallen van historisch geschoolde docenten een rol.’
Kritische beroepsidentiteit
Kampen kan zich vinden in de observatie van Lex Veldboer dat het debat over een top-down- versus een bottom-up-benadering, en de gedachtewisseling over de tegenstelling tussen leef- en systeemwereld een opvallend positieve toon heeft. De hoogleraar wijt die roze bril vooral aan de permanente vernieuwingsdrang in onze samenleving. ‘Beginnen met een schone lei voelt voor de meesten van ons gewoon aantrekkelijker dan het archief induiken om te kijken naar wat er al is geprobeerd. Daar komt ook nog iets psychologisch bij: je verhoogt je maatschappelijke en professionele status eerder door met een nieuw idee te komen dan om iets bestaands verder te ontwikkelen.’
‘Je herkent patronen, valkuilen, successen uit eerdere interventies en bespaart aldus tijd en geld’
Kampen spreekt deels uit eigen ervaring. ‘In een werkgroep waar ik deel van uitmaakte, trapte een collega steevast op de rem. Alles wat we aan nieuws bedachten, was volgens haar al eens met wisselend succes uitgeprobeerd. Toen ergerde ik me daaraan, maar achteraf moet ik haar gelijk geven. Het illustreert dat historisch besef de kritische beroepsidentiteit bevordert. Het leert je hoe machten, waarden en taal in het vak zich hebben gevormd en welke partijen daarbij al dan niet buiten beeld bleven.
Dat inzicht maakt je bescheidener als professional, scherpt je morele kompas en geeft je beter gereedschap om samen met cliënten en gemeenschappen op te komen tegen structureel onrecht, zoals armoede, uitsluiting en institutioneel racisme. Gewapend met kennis van het verleden is de kans bovendien groter dat je niet telkens opnieuw het wiel uitvindt: je herkent patronen, valkuilen, successen uit eerdere interventies en bespaart aldus tijd en geld.’
Historisch Centrum Sociaal Werk
Naast zijn hoogleraarschap is Kampen ook lid van de programmaraad van het Historisch Centrum Sociaal Werk, dat in 2025 van start is gegaan. In die laatste hoedanigheid wil hij bijdragen om het sociaal werk beter in het beleid te positioneren. Ook daarbij is het versterken van historisch bewustzijn cruciaal. ‘Door aankomende en gevestigde sociaal professionals gedegen kennis over de geschiedenis en ontwikkeling van het vak bij te brengen, kun je ze erop attenderen dat hun beroep mede is gevormd door de steeds weer terugkerende discussies over onder andere armoedebestrijding en gemeenschapswerk.’
‘Via een systeem van aanbestedingen en targets dwingen gemeenten het werkveld in een kortetermijnmodus’
‘Het inzicht dat het veronderstelde nieuwe vaak een oud fundament heeft, maakt sociaal professionals minder vatbaar voor hijgerig beleid en holle frasen. Ook nodigt het ze uit tot reflectie op de vraag waar ze zelf staan in de geschiedenis. Welke normen ze hanteren, in wiens professionele voetsporen ze willen treden. Een kritische dialoog over die vragen leert je verder te kijken dan vandaag. En, nogmaals, door te ontdekken welke stemmen systematisch uit de geschiedenis van het beroep zijn weggeschreven, ben je je als student en professional bewuster van je eigen positie en privileges. En dat op zijn beurt nodigt uit tot inclusiever werken.’
Geen oordeel
Over inclusiviteit over de jaren heen zullen ongetwijfeld de nodige woorden worden gesproken op het symposium over de geschiedenis van sociaal werk dat het Historisch Centrum Sociaal Werk met de Universiteit voor Humanistiek in maart 2026 organiseert. Dat geldt vermoedelijk ook voor de vraag hoe gemeenten, als belangrijke opdrachtgevers in het sociaal domein, kunnen bijdragen aan meer historisch bewustzijn in het sociaal werk.
Kampen vindt dat laatste een belangrijke vraag, want gemeenten bepalen in sterke mate hoe zorg- en welzijnsorganisaties werken. ‘Via een systeem van aanbestedingen en targets dwingen gemeenten het werkveld in een kortetermijnmodus. Dat is ook merkbaar in de stages en afstudeerprojecten van studenten. Organisaties verwachten van hun stagiairs dat ze vooral bijdragen aan meetbare opbrengsten, in ieder geval meer dan aan traag historisch graafwerk.’
Alle reden dus voor diverse partijen om hun stinkende best te doen om het historisch bewustzijn bij studenten te bevorderen. Of de opleidingen hun studenten voldoende vertrouwd maken met ‘de achteruitspiegel van de samenleving’, daarover wil Kampen geen oordeel vellen. ‘De geschiedenis zal het uitwijzen.’
Jan van Dam is freelancejournalist.
Foto: Andrea Piacquadio via Pexels