INTERVIEW Richard de Mos: ‘Ik spreek liever een marktkoopman dan politici’

Burgertoppen, referenda, het ‘right to challenge’: de Haagse wethouder Richard de Mos vindt burgerinitiatieven prachtig. Maar de kloof tussen burger en politiek dichten doe je vooral door als volksvertegenwoordiger stinkend je best te doen. Zoals hijzelf.

Richard de Mos zit te glunderen in zijn werkkamer op de elfde verdieping van het Haagse stadhuis. Op de achtergrond is het centrum van Den Haag te zien, inclusief bouwkranen. Eigenlijk een onlogische plek, deze elfde verdieping, hoog verheven boven de stad en zijn inwoners. Want Richard de Mos gaat liever met een marktkoopman in gesprek dan met collega-politici, zegt het voormalige PVV-Kamerlid en Haagse locoburgmeester Richard de Mos. ‘Als we de Haagse markt verder willen helpen, dan weet die koopman hoe dat kan.’

Zijn manier van politiek bedrijven is ooit omschreven als ‘ombudspolitiek’. De Mos begint te stralen van oor tot oor als hij die term voor de voeten geworpen krijgt. ‘Dat is een geuzennaam geworden, hè? Als ombudspolitiek betekent dat ik naar de mensen toe ga, dan zie ik het als een heel groot compliment.’

Nu is ‘luisteren naar de burger’ iets wat elke politicus zegt te doen, maar Richard de Mos schudt de voorbeelden ervan zo makkelijk uit zijn mouw dat het niet anders kan of zijn electorale succes (sinds de gemeenteraadsverkiezingen van vorig jaar is Groep de Mos/Hart voor Den Haag met acht zetels de grootste partij van Den Haag, de lijsttrekker zelf werd wethouder Economie, Sport en Buitenruimte) heeft ermee te maken. ‘Stroop die bewonersorganisaties af, ga naar de winkeliersverenigingen, bel de sportclubs, volg de lokale sufferdjes waar de grote partijen op spugen. Zo houd je de feeling met de maatschappij en de stad. Ik ben er heel alert op dat dat binnen onze partij gebeurt.’

Zo werkt de methode-De Mos

Zo werkt-ie, de methode-De Mos. Klaagt een ‘bloemenboer’ over losliggende stoeptegels, dan laat de wethouder ze rechtleggen. ‘Is dat hogere wiskunde voor een wethouder?’ vraagt hij retorisch. ‘Nee. Maar het is wel verdomd prettig als ze recht liggen. Ik haal mijn neus niet op voor het rechtleggen van een scheve stoeptegel.’

Klagen winkeliers over een louche winkel verderop, dan zorgt de wethouder dat ‘de dienst’ er gaat controleren. Want de regel in de Algemene Plaatselijke Verordening is dat je twintig procent van je etalage mag dichtplakken, maar deze louche winkel had zijn etalage helemaal dichtgeplakt. ‘Zo’n winkel moet er een beetje gezellig uitzien, zodat hij in het winkelbeeld past.’

Vertelt een aantal Hagenezen tijdens een werkbezoek van de wethouder dat ze last hebben van een bankje omdat er vaak mensen met een psychische stoornis op zitten, dan laat de wethouder het bankje weghalen. ‘Als ik met zo’n kleine ingreep het probleem kan oplossen, waarom zou ik dat dan nalaten?’ Misschien omdat het probleem niet echt is opgelost, want de mensen met de psychische stoornis vinden wel weer een ander bankje? ‘Klopt,’erkent de wethouder, ‘het probleem van degene die zwerft is dan nog niet opgelost. Maar het probleem van de overlast op die plek wel.’

Cliëntèlisme?

Begrijp hem niet verkeerd: ombudspolitiek is iets anders dan ‘U vraagt, wij draaien’. Soms kunnen dingen zelfs niet. Dan moet Richard de Mos moeilijke beslissingen nemen. Neem die kade waar achttien kastanjebomen zijn gegroeid. Om de kade tegen instortingsgevaar te behoeden, moeten die worden gerooid. ‘Daarom vinden sommige mensen mij geen aardige man,’ zegt Richard de Mos.

‘Zij vinden die bomen mooi. Die vind ik ook mooi. Ik kan ervoor kiezen om een decreet uit te vaardigen en de bomen te laten weghalen. Of ik kan naar die wijk toe gaan, er rondlopen, het uitleggen, tekeningen laten zien waaruit blijkt dat de wortels vergroeid zijn met de kade en dat het niet anders kan. En dan nog vinden sommigen mij een lul. Maar anderen zeggen: “Ik snap het.” Door het uit te leggen, neem je mensen mee en daar steek ik graag tijd in. Ook dat is voor mij ombudspolitiek.’

Ombudspolitiek is ook iets anders dan cliëntèlisme (naar de pijpen van je achterban dansen om vooral maar niet hun stemmen te verliezen), benadrukt Richard de Mos, die nu een stuk serieuzer kijkt. De vermaledijde term dateert uit de tijd dat hij in de oppositie zat. ‘Ze zagen dat ik groot werd en dus moesten ze me ergens mee wegzetten.’

Ook het verwijt dat hij stemmen ‘kocht’ door bewoners van bepaalde wijken te beloven het betaald parkeren weer terug te draaien, werpt hij verontwaardigd verre van zich. ‘In sommige wijken draaien we het terug zoals in Transvaal, maar in andere wijken voeren we betaald parkeren zelfs in. Soms willen mensen dat namelijk wel graag, want dan komt er meer ruimte voor hun auto. Voor ons gaat het erom of mensen ervoor zijn of niet.’ In plaats van als een populist klinkt De Mos dan meer als een politicus die draagvlak zoekt.

‘Critici hebben boter op hun hoofd’

Tijdens de verkiezingscampagne voor de gemeenteraad kreeg De Mos ook het verwijt dat hij zich zou laten sponsoren door bedrijven. ‘Die critici hebben boter op hun hoofd, want we voeren allemaal campagne en dat kost geld. We werven allemaal fondsen. Ja, ook wij krijgen bijdragen van bedrijven, dat zijn sponsoren, maar dat gebeurt bij de VVD ook. Daar hebben ze er zelfs een aparte stichting voor: Fonds Toekomst Liberaal Den Haag. Hoor je niemand over. Bij ons staan de bedrijven gewoon online. Ik heb niks te verbergen. Ik heb altijd mijn schouders opgehaald over die term cliëntèlisme. Het gaat erom wat de stad over mij denkt.’

En die stad is positief, zo wijst De Mos naar zijn acht zetels. Volgens hem geldt dat ook voor wijken met veel bewoners met een migratieachtergrond zoals de Schilderswijk, waar massaal op hem werd gestemd. ‘Ja, ook door nieuwe Nederlanders.’

‘Ik ben een fixer’

Zo goed bevalt het wethouderschap hem dat hij het wel tot zijn pensioen zou willen doen. Niet dat de lokale democratie geolied loopt hoor, want dat zul je Richard de Mos niet horen beweren. De man die van zichzelf zegt dat hij ongeduldig is en die ‘een beetje ADHD is’ (‘ik ben er nooit op getest, maar ik ben wel een vrij drukke man’), vindt dat dingen lang duren in gemeenteland. ‘Ik ben een fixer. Als ik ergens in geloof, wil ik het morgen geregeld hebben, maar zo werkt dat niet. Je moet altijd meerderheden zoeken, in gesprek met je collegepartners, en dat duurt lang.’

En soms moeten coalitiepartijen elkaar gewoon gunnen dat ieder zijn eigen successen scoort. ‘Ik denk dat mevrouw Van Tongeren [De Mos’ collega-wethouder van GroenLinks] heel blij wordt van de duurzaamheidsagenda, waar zij haar ding mag doen. En ik word blij van de economie-agenda, want die is bijna gecopy-pasted uit ons verkiezingsprogramma. Zo hebben we het verdeeld. Als je de kiezers goed uitlegt dat we nu eenmaal een poldersysteem hebben, dan begrijpen ze dat wel.’

Toch lijkt Richard de Mos zelf niet helemaal tevreden over deze redenering. Want een beter systeem lijkt denkbaar: ‘Je zou je natuurlijk kunnen afvragen of we niet naar een systeem toe moeten waarin de grootste partij het voor het zeggen heeft. Dat vind ik een hele interessante gedachte.’

‘Het irritante wat ik heb’

Van burgerinitiatieven alleen moeten we volgens Richard de Mos niet te veel verwachten om de kloof te dichten tussen politiek en burger. Minstens zoveel heil ziet hij in iets heel anders: harder werkende politici. ‘Ik heb jarenlang in de Tweede Kamer gewerkt. Sommige Kamerleden kwamen op dinsdag binnen met hun rolkoffertje en op donderdag waren ze weer weg. Dat heb ik altijd verschrikkelijk lui gevonden. Het gold niet voor alle Kamerleden, maar wel voor een behoorlijk deel. Voor mij ben je dan als volksvertegenwoordiger geen knip voor de neus waard. Op maandag bereidde ik de debatten voor en op vrijdag deed ik mijn werkbezoeken.’

In de lokale politiek geldt hetzelfde, zegt Richard de Mos. ‘Het moet vanuit je hart komen. Toen ik onze kandidatenlijst samenstelde, keek ik vooral naar iemands bereidheid om er tijd in te steken. En nog steeds ben ik nooit tevreden. “Maar ik heb het stuk toch gelezen?” zeggen ze dan. “Ja, maar je had naar die winkeliersvereniging toe gemoeten,” zeg ik dan. Dat is het irritante wat ik heb, dat ik anderen altijd vergelijk met mezelf.’

Stan Verhaag is hoofdredacteur van WMO Magazine. Marcel Ham is hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.

Dit is een ingekorte versie van het interview dat een dezer dagen verschijnt in het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken en in het WMO Magazine.

Foto: Martijn Beekman