Investeren in mens en Europa moét

De economische kwalen van Nederland en de Europese Unie kunnen niet worden genezen met het recept van loonmatiging, bezuiniging in de publieke sector en versobering in de verzorgingsstaat. Anton Hemerijck laat in 3 delen zien dat Europees investeren in mensen een effectiever antidotum is.

Op 11 april van dit jaar sloten werkgevers, werknemers en overheid in Den Haag het Mondriaan Akkoord. De overeenkomst wordt gezien als een vervolg op het Akkoord van Wassenaar dat ruim 30 jaar eerder tot stand kwam. Indertijd was het doel via een strategie van loonmatiging de reële wisselkoers van de gulden te verlagen en de concurrentiepositie van de Nederlandse producten en bedrijven te verbeteren en daarmee nieuwe banen te scheppen. Die strategie was zo succesvol dat later op nationale en internationale fora werd gesproken van ‘een Nederlands mirakel.’

Heilzame recepten uit het verleden zijn geen garantie voor toekomstige welvaart 

Of het recente sociaal akkoord (van Mondriaan) ook tot een dergelijk succes zal leiden, valt echter te betwijfelen: de maatregelen die in de jaren 80 effectief waren, bieden in ieder geval geen garantie daarvoor. Sterker nog, ze zouden wel eens het verkeerde medicijn kunnen zijn voor de bestrijding van een kredietcrisis die van een geheel andere orde is dan de reële economische crisis van jaren ‘70 en ‘80.

De belangrijkste punten waarover de werkgevers, werknemers en de overheid onlangs in het Haagse Mondriaancollege overeenstemming hebben bereikt, zijn: correctie van de ‘doorgeschoten’ flexibilisering; geleidelijke hervorming van het ontslagrecht en behoud van de maximale WW-duur, van 3 jaar. Ook zal het kabinet voorlopig geen bezuinigingen doorvoeren om het begrotingstekort in 2014 onder de Europese norm van 3 procent te brengen.

Door het akkoord was de rust op de arbeidsmarkt althans voorlopig gegarandeerd. Totdat eurocommissaris Olli Rehn erop aandrong dat het kabinet 6 miljard extra zou bezuinigen. De VVD-PvdA-regering van Mark Rutte heeft haar beleidsprogramma van een verdere versobering van de verzorgingsstaat niet definitief van haar agenda afgevoerd. Integendeel, waarschijnlijk wordt dat beleid straks voortvarender voortgezet als blijkt dat het tekort hoger uitvalt dan de Europese norm toestaat. Bij een aanhoudende crisis zullen de rekenmeesters en boekhouders in Den Haag en Brussel nog meer aandringen op bezuinigingen. En dat zal naar verwachting verzet oproepen van de vakbonden en andere maatschappelijke organisaties. En terecht, want de crisis is nu juist het gevolg van een vraaguitval op Europees niveau en versobering van de huidige verzorgingsstaat biedt ten enen male geen uitzicht op duurzaam herstel.

Economisch herstel vereist een gericht sociaal investeringsbeleid

Het gezond maken van de economie vereist een alternatief beleid waarbij de overheid actief investeert opdat burgers blijvend op de arbeidsmarkt en in de samenleving kunnen participeren. Voor de individuele burger is een gericht toerustingsbeleid gewenst, voor de economie is dat, gelet op de aanstaande pensionering van de babyboomgeneratie, zelfs pure noodzaak. Helaas is in de Nederlandse politiek de urgentie van een dergelijk toerustingsbeleid, waarvoor ook de Europese Commissie nu pleit, nog onvoldoende doorgedrongen. Dat komt doordat bij onze beleidsmakers nog te veel het beeld bestaat dat de staatsschuld, vanwege de vergrijzing, gigantisch uit de hand loopt als er nú niet snel en hard wordt ingegrepen in de overheidsuitgaven. Deze enge focus op kostenbeheersing is contraproductief: het brengt de economie in een diepere recessie, waarbij tekort- en schuldreductie juist in de kiem wordt gesmoord. Gerichte uitgaven aan hoge-kwaliteit maatschappelijke dienstverlening, degelijke kinderopvang en hoogstaand onderwijs, kunnen daarentegen wel een belangrijke stimulus geven aan duurzaam economisch herstel.

De versobering van de verzorgingsstaat bestaat in essentie uit het verschuiven van risico’s; van het collectief naar het individu. In de pensioenen is dat evident zichtbaar. Het Centraal Planbureau (CPB) heeft de stijging van de pensioenkosten rond de eeuwwisseling geframed als een grote bedreiging voor de concurrentiekracht van BV Nederland terwijl uit dezelfde, door het CPB gehanteerde cijfers, blijkt dat de pensioenkosten in 2013 slechts een fractie hoger zijn dan ongeveer 10 jaar geleden. Die beleidsmakers blijven de pensioenlast echter beschouwen als ondermijnend voor de concurrentiekracht van de BV. Om dreigend gevaar af te wenden, is het volgens hen dus nodig dat burgers meer zelf voor hun oude dag gaan betalen. Alsof daarmee de werkelijke kosten van de vergrijzing als sneeuw voor de zon verdwijnen. Dat is vanzelfsprekend niet het geval: de kosten worden simpelweg verschoven naar de burger die meer pensioenpremie betaalt voor een minder robuust verzekeringssysteem en zijn uitkering omlaag ziet gaan

Als het aan de beleidsmakers ligt, moet de Nederlander straks ook meer betalen voor de gezondheidszorg. Er liggen al wetsvoorstellen klaar tot invoering van een hoger eigen risico en een verkleining van het basispakket. Beide maatregelen leveren wellicht op korte termijn besparingen op, maar de kans is groot dat meer mensen, vanwege de hogere kosten, pas naar de dokter zullen gaan als hun klacht acuut geworden is. Omdat ze dan in veel gevallen een intensievere en dus duurdere behandeling nodig hebben, is het aannemelijk dat de kosten van de gezondheidszorg op termijn eerder stijgen dan dalen.

Een denkfout zonder historisch besef

Niettegenstaande de vele evidente nadelen blijft de versoberingsagenda populair bij de beleidsmakers en ambtenaren. Voor een deel is die populariteit terug te voeren tot het eertijdse succes van het Akkoord van Wassenaar. In dat akkoord uit november 1982 spraken overheid en sociale partners af dat ze de economische crisis, een direct gevolg van een fors gestegen olieprijs, gezamenlijk zouden bestrijden door een beleid van loonmatiging en bezuinigingen en versoberingen in de sociale zekerheid. Dat beleid was toen hard nodig. In Nederland waren de economische gevolgen van de hoge olieprijs aanzienlijk, zoals elders in de westerse wereld overigens. Kort gezegd, kwam het erop neer dat de Nederlandse industrie, die de hogere brandstofprijzen in haar kosten moest doorberekenen, te duur werd. Dat effect was indertijd extra nadelig vanwege de vele indexeringsmechanismen tussen inflatie, lonen en uitkeringen. De stijging van de olieprijs leidde hier te lande niet alleen tot hogere productiekosten, maar ook, vanwege de indexering, automatisch tot hogere lonen en uitkeringen. Ondernemers rekenden de hogere loonkosten vervolgens door in hun prijzen en dwongen oudere en minder productieve werknemers uit te treden via de toen nog ruimhartige arbeidsongeschiktheidsregelingen, die door werknemers en werkgever werden bestuurd.

De gevolgen van dit beleid voor de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven en de houdbaarheid van de Nederlandse verzorgingsstaat waren funest. Pas nadat loonmatiging was afgesproken, de indexering werd losgelaten en de sociale zekerheid hervormd, kon de vicieuze cirkel worden doorbroken. Ook nadien hebben zich (mini-)oliecrises voorgedaan, maar geen van allen hebben ze geleid tot een loon-prijs spiraal en inactiviteitsval zoals in de jaren daarvoor. In dat opzicht was het Akkoord van Wassenaar een eclatant succes.

Anton Hemerijck is decaan van de Faculteit der Sociale Wetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam, en auteur van het boek ‘Changing Welfare States’ (2013), uitgegeven door Oxford University Press.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Aan de auteur hartelijk dank voor de samenvatting van de omstandigheden van het akkoord van Wassenaar. In eerste instantie leek het me toe, dat de toen afgesproken loonmatiging een typisch voorbeeld is van een geïsoleerde maatregel, die op termijn teniet gedaan wordt, omdat de koers van de gulden zou stijgen, of andere landen bijvoorbeeld ook loonmatiging zouden toepassen. Analogie: de ene bezoeker van een toneelstuk, die opstaat, om het schouwspel beter te kunnen overzien totdat alle bezoekers opstaan (concurrentiekracht is een relatief begrip). Het gegeven van de toenmalige loonindexering op productiekosten was inderdaad contraproductief. Ten slotte is het zo, dat de binnenlandse welvaart dwingend MOET zakken, als bijvoorbeeld voor productie meer uitgegeven moet worden aan het *buitenland*, bij dezelfde omzet. En die indexering zou de prijs van producten nog meer omhooggestuwd hebben (noot: een indexering is onveranderd correct, als het om pure binnenlandse kostenstijgingen gaat).

    De olieprijs was op zich niet het probleem. De Duitse econoom W. Stützel beargumenteerde in de zeventiger jaren, dat het extra geld, dat de olielanden verdienden, niet opgepot werd, maar voor “inkooptoerisme” benut. Geld is en blijft bestanddeel van een kringloop. Bepalend is slechts: in welke landen werd dat naar OPEC-landen “hergebruikte” geld hoofdzakelijk uitgegeven?

  2. Legitiem is het pas als ieder vrijwilliger een sociaal verantwoord vergoeding krijgt.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *