In een eerder gepubliceerd artikel op socialevraagstukken.nl betogen Fenna van Marle en Marieke Breed dat bewoners van aandachtswijken zich klein gehouden voelen door beleidsmakers en onderzoekers. De veelheid aan projecten, onderzoeken en interventies leidt tot participatiemoeheid en wantrouwen. Niet zelden houden bewoners er een terecht gevoel van eenrichtingsverkeer aan over: onderzoekers komen wel halen, maar niet brengen. Daarbij wordt, vaak onbedoeld, de boodschap afgegeven dat mensen in deze wijken niet voldoen aan de norm van het goede, gezonde en gelukkige leven.
Perverse bij-effecten
De tekst leidde tot een hoop herkenning en deed het spreekwoordelijke kwartje vallen. Niet langer wordt door professionele actoren tegengesproken dat de verregaande aandacht voor aandachtswijken perverse bij-effecten heeft. Dat juichen we uiteraard erg toe. We moeten echter vaststellen dat het ons vooralsnog niet dichter bij oplossingen brengt.
‘In Bloemhof start elke week wel een nieuw project’, verzucht een medewerker van de gemeente
De zeer reële problemen waarmee veel gebieden en hun bewoners kampen, zijn er nog steeds en nemen eerder toe dan af. Zo ook wat betreft de activiteiten in aandachtswijken: ‘In Bloemhof start elke week wel een nieuwe pilot, een interventie of een project’, verzucht een medewerker van de gemeente Rotterdam desgevraagd.
Vanuit de constatering dat er een ‘begripskloof’ bestaat tussen de mensen die aan de beleidsknoppen draaien en de ‘kwetsbare’ mensen die er lijdend voorwerp van zijn, groeit de aandacht voor het werken van onderop. Veel actieonderzoeken en participatieve methoden zijn erop gericht ervaringen van deze ‘kwetsbare’ mensen naar boven te halen en inzichtelijk te maken. Het delen van deze kennis gebeurt op steeds creatievere manieren, met bijvoorbeeld kennissessies, design workshops en storytelling. Tegelijkertijd zien we dat de kennis en inzichten nog regelmatig in een (mentale) la blijven liggen. Hoe komt dat?
Met de beste bedoelingen
Om tot oplossingen te komen voor de problemen in aandachtswijken, is een gerichtheid op de relatie tussen bewoners enerzijds en onderzoekers of beleidsmakers anderzijds te eng. Het is óók nodig om kritisch te kijken naar de relatie tussen onderzoekers en beleidsmakers. Op 18 juli 2024 gaf Dennis Martens, onderzoeker bij het Nationaal Programma Heerlen-Noord, een presentatie over hyperconcentratie van armoede. Nadien vroeg hij zich hardop af of de vele aanwezigen van de verschillende ministeries iets zouden doen met de door hem verschafte inzichten. Dat lijkt ons dé vraag waar het om moet gaan, juist omdat het de ironie van de situatie haarfijn schetst.
Onderzoekers gaan beleidswereld in met idee dat professionals en ambtenaren te weinig kennis en inzicht hebben
Wij observeren namelijk dat met de overdracht van kennis en inzichten richting beleidsmakers hetzelfde gebeurt als met de overdracht richting ‘kwetsbare bewoners’. Daar waar onderzoekers de wijk ingaan om bewoners impliciet de norm van het goede, gezonde en gelukkige leven op te leggen, gaan ze de beleidswereld in met het idee dat professionals, ambtenaren en beleidsmedewerkers over te weinig kennis en inzicht beschikken.
Anders gesteld: we gaan met de beste bedoelingen de beleidstorens van ‘de juiste’ informatie voorzien.
Logica van de beleidswereld
Onderzoekers komen wel brengen, maar niet halen. Daarbij berust dit brengen van de juiste informatie op een misvatting die Bessems als volgt beschrijft: ‘Het idee dat er apolitieke ‘beste oplossingen’ zijn voor problemen, aangeleverd door wetenschappers en experts. Dat is altijd al een droombeeld geweest. Want nadat je kennis hebt opgedaan en adviezen hebt ingewonnen, houd je steevast onbekenden over, onzekerheden en strijdige belangen die je moet afwegen.’
Beleidsmakers betrekken of hun kennis ophalen, lijkt net zo moeilijk als bewoners betrekken
In dit brengen, blijkt maar weinig oog te zijn voor deze opgaven en de logica van de ontvanger; de beleidswereld dus. Het betrekken van beleidsmakers of het ophalen van hun kennis lijkt vervolgens net zo moeilijk als het betrekken van bewoners. Zo maakt een onderzoek naar gezondheidsverschillen in een Haagse wijk duidelijk dat beleidsmedewerkers graag willen meewerken aan het onderzoek, maar dat het onduidelijk is waar het onderzoek en de uitkomsten ‘passen’.
Net zoals bij (kwetsbare) bewoners leidt dat tot een soort participatiemoeheid en een sceptische houding tegenover het veelvuldige en herhalende onderzoek. Het brengen van de ‘juiste’ kennis en inzichten dreigt dan te worden gezien als een vorm van verborgen paternalisme: men meent te weten wat het beste is, handelt vervolgens naar de eigen norm en vergeet anderen erin mee te nemen. Zoals een medewerker van de gemeente Rotterdam het treffend beschrijft: ‘We hebben te maken met een beroepenveld met onderbezetting (wijkteams, leraren, …). Dan zit je niet per se te wachten op een betweterige buitenstaander. Je wil het eigenlijk ook wel anders, maar ’t lukt allemaal niet… Je hebt dan meer aan iemand die gelijkwaardig naast je komt staan en je helpt opstarten dan aan iemand die je komt vertellen wat er allemaal anders en beter moet (wat je negen van de tien keer eigenlijk ook al weet).’
‘Ja, volgens jullie moeten we met iedereen gaan praten en buurtbarbecues organiseren’
Wat onderzoekers daarbij vaak vergeten, is dat wat ‘het goede’ is, voortkomt uit de logica van de situatie. Als bijvoorbeeld een arm gezin regelmatig frikadellen serveert voor het avondmaal, kan dat best een rationele beslissing zijn in plaats van een domme keuze die getuigt van een gebrek aan kennis en inzicht. Wanneer men dan op de proppen komt met informatie over gezond eten en vervolgens staat te zwaaien met een stronk broccoli, is dat eerder beledigend dan helpend. Simpelweg omdat de interventie voorbijgaat aan de armoedige situatie en ten onrechte een gebrek aan kennis bij arme mensen suggereert.
Ons punt is: ook bij professionals en beleidsmakers geldt dat ‘het goede’ voortkomt uit de logica van de situatie. Dus bijvoorbeeld beleid maken zonder daarbij mensen te betrekken op wie het beleid uiteindelijk van toepassing is, komt voort uit de logica van de situatie waarin de mensen zitten die beleid maken. Met die situatie moeten we dus samen aan de slag.
Samen leren
Met het brengen van de ‘juiste’ kennis en informatie alleen, wordt voorbijgegaan aan de grootste uitdaging. De hamvraag is namelijk hóé professionals, ambtenaren en beleidsmakers de aanbevolen structurele veranderingen tot stand kunnen brengen. Een medewerker van de gemeente Rotterdam reflecteert gevat op een zoveelste boodschap van onderzoekers: ‘Ja, volgens jullie moeten we met iedereen gaan praten en buurtbarbecues organiseren.’
Onderzoekers moeten ook aansluiten bij ervaringen, behoeften, belangen en logica van andere professionele actoren
Maar zonder aandacht voor de context én de organisaties waarin beleidsmedewerkers opereren, zal verschil maken uitblijven. Procedures en werkwijzen veranderen nu eenmaal langzaam, knelpunten kunnen niet altijd onmiddellijk geagendeerd worden en situaties kunnen escaleren, waardoor er soms een stap teruggezet moet worden. Dat staat nog los van allerlei andere factoren die invloed hebben. Denk aan wetgeving, organisatiecultuur, politieke keuzes, beoordelingscriteria, verantwoordingsmechanismen, financiële stromen, et cetera. Er is, kortom, meer oog nodig voor de logica’s van de ‘professionele leefwerelden’ en wat daarin nodig is om meer van ‘het goede’ te kunnen doen.
Structurele verandering vergt een uitgebreid leertraject, stellen Van Mensink, Van Schie en Kuitenbrouwer. Te vaak vormt onderzoek wel een leertraject voor bewoners en onderzoekers, maar staan professionals en ambtenaren langs de zijlijn. Een omkering is daarom nodig. Want net zoals we van professionals en beleidsmakers een open en participatieve houding verwachten richting bewoners, mogen we van onderzoekers verwachten dat ze aansluiten bij de ervaringen, behoeften, belangen en logica van andere professionele actoren. Anders zullen ook richting hen goede bedoelingen ervaren worden als opdringing van het goede leven. En zo blijven de échte oplossingen uit.
Fenna van Marle is postdoctoraal onderzoeker aan de Erasmus School of Social and Behavioural Sciences in Rotterdam, binnen het Resilient Delta Initiative. Marieke Breed is promovenda op het project Countering Syndemic Vulnerability – Health Campus Den Haag / De Haagse Hogeschool. Tim ’S Jongers is politicoloog en auteur van Beledigende broccoli en Armoede uitgelegd aan mensen met geld.
Foto: Yan Krukau via Pexels.com