Kunnen we dat niet aan vrijwilligers overlaten?

Vrijwilligerswerk staat prominent op de agenda van politiek en beleid. Vooral in het gemeentelijk zorg- en welzijnsbeleid zijn de verwachtingen hoog. Kunnen we inderdaad grote delen van zorg en welzijn aan vrijwilligers overlaten? Een groep UvA-onderzoekers ontrafelt de pro’s en contra’s.

De hoge verwachtingen van vrijwilligers hangen samen met de verschuiving van de klassieke verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving, in termen van de Troonrede van 2013: ‘Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.’ Er wordt bezuinigd op professionele krachten en veel meer verwacht van burgers zelf, onder meer in de rol van vrijwilliger. De hoop is dat vrijwilligers veel taken en verantwoordelijkheden op zich nemen die nu nog bij betaalde krachten liggen, en deze taken liefst ook overnemen. Men denkt dan aan beheer van buurthuizen, speeltuinen, zwembaden en bibliotheken gaan beheren of aan begeleiding van demente bejaarden.

Kan dat? Kunnen vrijwilligers dat, en onder welke voorwaarden? Daarover is weinig bekend. Vanwege de stilzwijgende verwachting dat het wel zal kunnen en moeten, is er weinig maatschappelijke aandacht voor deze vragen. Voor politici en beleidsmakers is het daardoor moeilijk om zich goed te oriënteren en keuzes te maken: wat kunnen zij nu wel en niet aan vrijwilligers overlaten?

Het onderzoeksproject ‘Kunnen we dat (niet) aan vrijwilligers overlaten?’ van de Universiteit van Amsterdam geeft op die vraag antwoord. We onderzochten de voor- en nadelen en voorwaarden van het toenemend beroep op vrijwilligers in de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Zaanstad, in verpleeghuizen, dagbesteding en beheer van buurthuizen en speeltuinen.

Waar moet je als wethouder, ambtenaar of lokaal politicus op letten om te beoordelen in hoeverre het mogelijk en wenselijk is om meer aan vrijwilligers over te laten? We vonden drie varianten van samenwerking tussen vrijwilligers en professionele krachten, met elk hun eigen problemen en mogelijkheden.

1. Vrijwillige verantwoordelijkheid

Vooral op het terrein van welzijn hopen veel beleidsmakers dat vrijwilligers in de nabije toekomst het grootste deel van de taken van betaalde krachten zullen overnemen en dus bijvoorbeeld speeltuinen, buurthuizen, zwembaden en bibliotheken gaan beheren. Vrijwilligers zouden dan alleen nog op afstand begeleid worden door professionals. In ons onderzoek vonden we dit model bij het beheer van speeltuinen en buurthuizen.

Dit model van vrijwillige verantwoordelijkheid heeft veel voordelen: het geeft vrijwilligers veel voldoening en zij zetten zich vol overgave in voor ‘hun’ plek waardoor er tegen geringe kosten veel werk verzet wordt. Voor werklozen onder hen kan vrijwilligerswerk ook een opstap naar betaald werk zijn.

Een nadeel is echter wel dat vrijwilligers in hun enthousiasme anderen  vaak onbedoeld uitsluiten. Ze eigenen zich de speeltuin of het buurthuis toe waardoor buurtbewoners en andere vrijwilligers zich er niet welkom voelen. Voor kwetsbare vrijwilligers, die begeleiding nodig hebben, is er dan al helemaal geen plaats. Een ander nadeel is dat er weinig beleidsmatige sturing mogelijk is en beleidsmakers dus niet zonder meer kunnen verwachten dat men bijdraagt aan beleidsdoelen als integratie of sociale cohesie. Ook bestaat het risico dat conflicten tussen vrijwilligers onderling of tussen vrijwilligers en bezoekers escaleren, doordat er geen onafhankelijke professional als scheidsrechter kan optreden. Een nadeel is verder dat de situatie erg kwetsbaar is: wanneer vrijwilligers besluiten te stoppen, staat het voortbestaan van de dienstverlening meteen onder druk. Voor opvolgers is niet gezorgd en die dienen zich meestal ook niet snel aan.

Soms werkt dit model heel goed, zoals in een van de vier onderzochte Utrechtse speeltuinen. Vrijwilligers voeren hier bijna alle taken uit. In de andere drie speeltuinen die we onderzochten lukte dit echter (nog) niet. Waardoor lukte het in die ene speeltuin wel en wat leren we daarvan over de voorwaarden waaronder je het werk aan vrijwilligers kunt overlaten?

Het model van vrijwillige verantwoordelijkheid blijkt alleen mogelijk wanneer er veel vrijwilligers beschikbaar zijn die aan hoge eisen voldoen: ze zijn persoonlijk redelijk stabiel en gezond, hebben een sterke binding met de buurt, veel ervaring met de vereiste taken en veel tijd om vrijwilligerswerk te verrichten. Een andere voorwaarde is dat de inhoud van het werk redelijk open is en niet door strakke wettelijke of professionele kaders is bepaald. Dit is de reden waarom je deze vorm eerder in welzijn dan in de zorg vindt: in de zorg zijn zulke kaders en richtlijnen prominenter aanwezig .

Hoewel het model van vrijwillige verantwoordelijkheid het beleidsideaal is, komt dit in de praktijk niet veel voor. Geen wonder, gezien de hoge eisen die het stelt aan de vrijwilligers en de serieuze risico’s en nadelen. Vaker zien we gedeelde verantwoordelijkheid of professionele verantwoordelijkheid.

2. Gedeelde verantwoordelijkheid

In de sector welzijn zien we vooral het model van gedeelde verantwoordelijkheid, waarbij vrijwilligers wel taken overnemen, maar er ook altijd een professional aanwezig is met veel verantwoordelijkheid. In ons onderzoek vonden we dit model bij speeltuinen, buurthuizen en bij dagbesteding voor mensen met een verstandelijke beperking.

Een voordeel van dit model van gedeelde verantwoordelijkheid is dat er ruimte is voor verschillende typen vrijwilligers. Vrijwilligers die weinig begeleiding nodig hebben kunnen zelfstandig aan de gang gaan en de nog aanwezige professionals kunnen zich concentreren op het begeleiden van kwetsbare vrijwilligers (onder wie bijvoorbeeld mensen met een lichte verstandelijke beperking en psychiatrische patiënten). Een ander voordeel van dit model is dat innovatieve ideeën van vrijwilligers goed tot hun recht kunnen komen doordat professionele krachten kunnen helpen bij verwezenlijking ervan.

Een risico van gedeelde verantwoordelijkheid is dat er gemakkelijk onduidelijkheid ontstaat over wie waarvoor verantwoordelijk is, bijvoorbeeld als zich onvoorziene situaties voordoen of als afspraken toch onvoldoende duidelijk blijken. Dit kan ertoe leiden dat vrijwilligers afhaken. Net als bij het model van vrijwillige verantwoordelijkheid kunnen conflicten tussen verschillende gebruikersgroepen snel escaleren, doordat er niet altijd een bemiddelende professional is. Ook blijken sommige professionals zich in hun nieuwe, meer terughoudende en minder zichtbare rol nogal eens miskend te voelen door beleidsmakers en leidinggevenden, vooral wanneer politiek en beleid meetbare prestaties van hen verwachten.

Ook gedeelde verantwoordelijkheid is dus aan voorwaarden gebonden. Zo vereist dit model duidelijke afspraken over de taakverdeling, die ook nagekomen en zo nodig bijgesteld worden. Vrijwilligers moeten bereid zijn hun nieuwe verantwoordelijkheden waar te maken en professionals moeten daadwerkelijk taken loslaten die ze tot dan toe vanzelfsprekend deden. Belangrijk is dat professionals zich uitnodigend en verbindend opstellen ten opzichte van vrijwilligers. Ook aan beleid en politiek stelt dit model voorwaarden: professionals kunnen alleen die meer bescheiden rol spelen wanneer zij niet op meetbare doelstellingen worden afgerekend.

Veel beleidsmakers zien deze gedeelde verantwoordelijkheid als overgangssituatie naar vrijwillige verantwoordelijkheid. Uit ons onderzoek blijkt echter dat deze hoop doorgaans niet reëel is: aan de voorwaarden voor vrijwillige verantwoordelijkheid is meestal niet voldaan en realisering ervan is vaak ook niet in zicht.

3. Professionele verantwoordelijkheid

Vooral in de zorg zagen we een derde model: dat van professionele verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid ligt voornamelijk bij professionals. Zij stellen ook de kaders. Vrijwilligers daarbinnen nauw omschreven taken. In ons onderzoek vonden we dit bij verpleeghuiszorg voor mensen met vergevorderde dementie. Professionals bieden hier dagelijkse zorg en hulp, zoals douchen, aankleden en mensen naar de wc brengen, en begeleiding bij spelletjes of sport. Vrijwilligers verrichten alleen aanvullende taken, zoals koffie en thee zetten, helpen bij spelletjes of wandelen met een cliënt.

Een voordeel van dit model van professionele verantwoordelijkheid is dat de continuïteit van de zorg gewaarborgd is. Als een vrijwilliger afhaakt valt wel de extra aandacht voor de cliënt weg, maar niet de kerntaken op het gebied van zorg en activiteiten. Kwetsbare vrijwilligers voelen zich in dit model goed op hun gemak, omdat hun takenpakket duidelijk en beperkt is. Zij krijgen ruimte om zelfvertrouwen op te bouwen door iets goeds te doen voor een ander zonder grote verantwoordelijkheid te hoeven dragen.

Keerzijde van dit model is dat zelfstandige vrijwilligers hier niet erg op hun plaats zijn: zij kunnen weinig zelfstandig werken en krijgen beperkte ruimte om zich verder te ontwikkelen. Ook dit model is aan voorwaarden gebonden. Zo moeten er voldoende professionals beschikbaar zijn. Vrijwilligers moeten daarnaast bereid zijn om de geboden structuur te accepteren.

Voordelen, nadelen en voorwaarden

Ons onderzoek laat zien dat taken echt overlaten aan vrijwilligers alleen mogelijk is wanneer er voldoende ervaren, ter zake kundige mensen beschikbaar zijn, die persoonlijk redelijk stabiel en gezond zijn, en een sterke buurtbinding en veel tijd hebben. Bovendien moet er altijd een professional op afroep beschikbaar zijn. Een voorwaarde is ook dat het om werk moet gaan dat niet aan strakke wettelijke kaders of professionele richtlijnen onderworpen is. Dat maakt vrijwillige verantwoordelijkheid in de zorg lastig. Maar soms ook in welzijn – zoals bij het beheer van speeltuinen of buurthuizen – wanneer bijvoorbeeld de bewoners te weinig tijd of te weinig competenties hebben.

In zulke gevallen zijn de modellen van gedeelde of professionele verantwoordelijkheid te verkiezen. Maar ook deze kennen voor- en nadelen, kansen en risico’s, en zijn aan voorwaarden gebonden. Gedeelde verantwoordelijkheid biedt ruimte aan verschillende typen vrijwilligers en hun eventuele vernieuwende ideeën. Door grote kans op onduidelijkheid over verantwoordelijkheden ontstaan sneller spanningen en kunnen vrijwilligers afhaken en professionals zich ondergewaardeerd voelen. Voorwaarden voor het goed functioneren van gedeelde verantwoordelijkheid zijn dan ook: heldere afspraken over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden en de aanwezigheid van een verbindende, uitnodigende professional die niet wordt afgerekend op meetbare doelstellingen.

Het model van professionele verantwoordelijkheid biedt de meeste kansen voor kwetsbare vrijwilligers, beleidsmatige sturing en continuïteit. Vooral in de zorg zal dit vaak de beste optie zijn. De ruimte voor zelfstandige vrijwilligers is in dit model echter beperkt, waardoor deze makkelijk kunnen afhaken. Een voorwaarde voor dit model is gegarandeerde professionele inzet en flexibiliteit in de bejegening van verschillende typen vrijwilligers die wel allen het professionele regime als kader accepteren.

Volledige vrijwillige verantwoordelijkheid?

Wie vanuit de modellen van gedeelde of professionele verantwoordelijkheid streeft naar een overgang naar vrijwillige verantwoordelijkheid, moet eerst goed bekijken of aan de voorwaarden hiervoor wel kan worden voldaan. Ook als dit het geval is, is belangrijk dat vrijwilligers en professionals training en begeleiding krijgen bij het vervullen van hun nieuwe rol.

Voor alle drie modellen is enige continuïteit in vrijwilligers en professionals een voorwaarde. Bij een groot verloop weten vrijwilligers en professionals niet wat zij aan elkaar hebben.

Marianne van Bochove, Jan Willem Duyvendak, Barbara van der Ent, Eva van Gemert, Suzanne Roggeveen, Evelien Tonkens, Monique Verhoeven en Loes Verplanke. Zij maken deel uit van het onderzoeksteam ‘Kunnen wij dat (niet) aan professionals overlaten? Verschuivingen tussen vrijwilligers en professionals in de sociale sector’ van de afdeling Sociologie en Antropologie van de Universiteit van Amsterdam.

Dit onderzoek maakt deel uit van het onderzoeksprogramma van Platform31en wordt uitgevoerd door de Universiteit van Amsterdam i.s.m. de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Zaanstad, zorginstelling Cordaan, woningcorporaties Eigen Haard en Ymere en de MOgroep.

Zie voor meer informatie over het onderzoek de projectwebsite, en hier voor meer informatie over het onderzoeksprogramma van Platform31.

Reacties op dit artikel (13)

  1. Vind het geen proffessioneel onderzoek, jammer dat evelien tonkens hier meegedaan heeft ze kan beter. Mooi academisch gepraat over gratis krachten die “maar” koffie schenken. Ik vind dat ook deze mensen een menswaardig salaris verdienen. Schrijf eens een stuk over HOE de overheid bewerkstelligd om aan zoveel vrijwilligers te komen?

  2. Met alle respect voor de onderzoekers en de publicatie van deze studie, op deze manier schieten we niet veel op.

    Het onderzoek is gericht op het wetenschappelijk formuleren van een probleem en verhult daardoor dat het opbouwen van een nieuwe structuur een organisatieprobleem is. Het opbouwen van nieuwe maatschappelijke structuren is, in de kern, opbouwwerk.

    De onderzoekers leiden met hun insteek de aandacht af van het werkelijke probleem met de conclusie:

    “Voor alle drie modellen is enige continuïteit in vrijwilligers en professionals een voorwaarde. Bij een groot verloop weten vrijwilligers en professionals niet wat zij aan elkaar hebben.”.

    Bij een groot verloop gaat iedere organisatie ten gronde. Óf omdat zij ophoudt te bestaan bij gebrek aan kennis en ervaring, óf omdat zij verstart in procedures voor kenniscontinuïteit.

    Van een serieus onderzoek verwacht ik dat er een analyse is van de succes- en faalfactoren van vrijwilligersorganisaties, waarbij een vergelijking wordt gemaakt van hetgeen wel en hetgeen niet werkt. Onderzoek van de succesfactoren van de opbouw van de Nederlandse samenleving door de oude, politieke en kerkelijke, zuilen is daarbij noodzakelijk. Die succesfactoren dienen afgezet te worden tegen de hechte culturele (ver)banden van die tijd, tegen het ontbreken daarvan in de huidige tijd.

    Ofwel verdiep u in de werking van ‘zaaiend gedrag’ in relatie tot de totaal gewijzigde omgevingsfactoren.

  3. Beleidsmakers hebben nog steeds niet in de gaten of willen niet accepteren dat de (vaste) relatie werk & inkomsten (= zekerheid op zelfredzaamheid) onhoudbaar geworden is.

  4. Vrijwilligers zijn hier al sinds jaren werkzaam als maatje of als extra hulp bij de activiteitenafdelingen. Ook zijn er vrijwilligers die op de woonhuizen werken. Vrijwilligers zijn altijd een aanvulling op professionele krachten. Ze nemen geen werk over van de professionele arbeidskrachten. Ze zijn wel zeer waardevol, want ze zorgen voor een stuk extra aandacht en gezelligheid. Clienten zijn heel blij met vrijwilligers. Het contact is anders dan met professinonele krachten, wat vaak juist maakt dat het contact zo waardevol is. We hebben nog een wachtlijst met clienten die op een maatje wachten.
    Wij bieden een verzekering, begeleiding op de afdelingen, een goede begeleiding tussen de keuze van de maatjes, een reiskostenvergoeding + 2 contactavonden en een uitstapje per jaar.
    Wij vragen van de vrijwilligers enthousiasme en betrokkenheid.

  5. Als leek zou ik zeggen. Binnen elk bedrijf , zakelijke of instelling moeten er kaders worden gesteld waarbinnen een vrijwilliger kan werken. Dat is logisch.
    Ik zou ook graag referentiekaders willen zien waarbinnen vrijwilligers kunnen werken, en aan welke professional je vragen kunt stellen.
    De interne communicatielijnen zijn vaak niet duidelijk. Wie doet wat,en wie kan ergens iets aan doen? Het kan lang duren, en kost veel vragen voor je daar uit bent.

  6. een nogal Blokkeriaans sociologisch onderzoek. Veel zinniger zou zijn om de variabele ‘vrijwilliger’ in het onderzoek niet vast te leggen maar te praten over ‘ontwikkeling’ van vrijwilligers. Dan komen de structuur van het werk en opleidingsmogelijkheden ter sprake en heeft het onderzoek veel meer nut.

  7. De onderzoeksvraag was of we grote delen van zorg en welzijn aan vrijwilligers kunnen ‘overlaten’. In sommige situaties kunnen vrijwilligers een grotere betrokkenheid hebben dan professionals. Er zijn mensen voor wie vrijwillige inzet een belangrijke zingeving is, hun deelname aan de samenleving bevordert, en een opstap is naar betaald werk (of althans die hoop levend houdt). Maar door de discussie te focussen op de voor- en nadelen van vrijwillige inzet en de voorwaarden om dat tot een succes te maken, blijft een belangrijke keerzijde onderbelicht: we hebben als samenleving geen geld meer over voor bepaalde publieke voorzieningen: buurthuizen, zwembaden, speeltuinen, bibliotheken – we laten het over aan vrijwilligers, die vaak keihard en gepassioneerd werken om deze voorzieningen te behouden, maar wel voor nop. Vaak verwachten we ook nog van vrijwilligers dat ze een ‘verdienmodel’ hanteren, zodat de gemeente ook de vaste lasten van die voorziening van de begroting kan schrappen. Heeft iemand al eens uitgerekend hoeveel banen er verdrongen zijn door ‘vrijwillige inzet’? Nu gaat het over zorg en welzijn, maar wat is de volgende sector die aan de beurt is? Theaters, podiumkunsten, bepaalde taken in het onderwijs – kunnen we dat niet aan vrijwilligers overlaten? We noemen het ‘participatiesamenleving’, maar die andere kreet is eigenlijk eerlijker: doe het zelf!

  8. Los van de vraag hoe de vrijwilliger het best kan functioneren binnen zorg+welzijn zettingen, doemt er een nieuw fenomeen op: de onbetaalde professional als de nieuwste variant van maatschappelijke uitbuiting.

    Geen conferentie over de transities zorg+welzijn en participatie, geen beleidsnota over het sociaal domein of de loftrompet wordt gestoken over de ‘nieuwe burger’ die zich dient te transformeren tot hoeder van de leefbaarheid in de buurt, inclusief het doen van boodschappen voor de bedlegerige buurvrouw. En zo ver mijn blik reikt zie ik de burger ook groeien in die rol. Een huis aan huis peiling in mijn wijk waarbij werd gevraagd welke vorm van burenhulp mensen willen bieden dan wel nodig hebben, leverde 75% aanbod en 25% vraag op.
    De voorwaarde om zo’n hartverwarmend aanbod te effectueren is het scheppen van een laagdrempelig organisatiekader, dat vraag en aanbod matched. Het organiseren van dat kader is professioneel werk. Als dat ´staat als een huis´ kan het wellicht op langere termijn aan de burger/vrijwilliger worden overgedragen. Professioneel werk heeft een prijs. Kent u stukadoors en schilders die ´s winters gratis uw huis komen opknappen en daarbij als vanzelfsprekendheid hun eigen gereedschap inzetten.
    Wat een retorische vraag lijkt binnen de bouw is in de organisatie van zorg en welzijn eerder regel dan uitzondering. Meer en meer zie ik dat werkloze professionals uit de sector zorg+welzijn en maatschappelijke dienstverlening hun vakkennis onbetaald aanbieden om het kader te scheppen waarbinnen andere vrijwilligers hun bijdrage kunnen leveren. Meer en meer vrees ik dat zij daarmee hun eigen professionele graf graven. Nu al, is het vanzelfsprekend geworden dat een kersvers afgestudeerde hulpverlener of social worker onbetaald ervaring gaat opdoen binnen organisaties. Immers zonder ervaring kom je niet aan de bak en een ´gat in het CV´ moet te allen tijden vermeden worden.

    Als professional zet ik mij in voor leefbaarheid in wijken. Daarbij kan ik mijn onderzoek en advies bureau, mijn netwerken en organisatietalent goed gebruiken. Bij burgerinitiatieven, organisaties en de plaatselijke overheid ben ik een graag geziene gast. Tot ik ontdek dat meer dan 80% van al mijn werkzaamheden pro deo worden geleverd en dat het normaal wordt gevonden dat ik zelfs geen onkosten declareer. Kortom mijn maatschappelijk engagement heeft een forse prijs, omdat los van enig verdienmodel zelfs reis, kantoor en telefoonkosten geheel voor mijn eigen rekening komen.
    Ik beklaag mij niet, want als pensionado is dit mijn ´eigen keuze´, en heeft het werk mijn voorkeur boven golfen of glaasjes port drinken bij de open haard.
    Wel ben in ik mij bewust dat ik met mijn inzet jongere collega´s wegdruk die hetzelfde werk doen en daarvan moeten leven. Kortom wat individueel een wellicht lofwaardig initiatief is, werkt structureel verwoestend voor een toch al kwetsbare bedrijfstak. Mijn engagement heeft een structurele schaduwkant, omdat overheid en instellingen snel gewend raken aan dit type onbetaalde professionaliteit en het mede kunnen gebruiken als bewijsvoering voor het obligate credo `Met minder professionals meer kwaliteit´. Betaalde professionals, dan wel te verstaan.

    Hier zit de spagaat. Teveel ontslagen collega´s zetten onbetaald hun werk voort, omdat ze hart hebben voor maatschappelijke groepen die door de werking van de transities en de daaraan gekoppeld bezuinigingen verder dreigen te marginaliseren. En ontnemen collega´s zo het zicht op een betaalde functie. Waar in de bouw worden huizen opgeleverd op basis van de inzet van werkloze bouwvakkers die vrijwillig de klus komen klaren? Wat normaal lijkt in de ene arbeidssector is een lachwekkende gedachte binnen de ander sector.
    Onbetaalde beroepsarbeid is in die zin dan ook een moderne vorm van het ´maten naaien´.
    En vormt een nieuwe variant van een resistent kapitalistische marktmodel: de dubbele uitbuiting van zowel de onbetaalde als de betaalde professional.
    Het speculeren op de inzet van professionals zoals ik, komt daarmee in een wrang daglicht te staan. Het credo ´eigen verantwoordelijkheid´ blijkt onvoorziene gevolgen te hebben voor mijn buurman, die nu al de eindjes niet aan elkaar kan knopen.
    Vooralsnog heb ik daar geen goed antwoord op!
    Daan Vosskuhler

  9. Sommige kritiek is wel erg hard. Daarom wil ik een lans breken voor het onderzoek naar die voorwaarden. Er komt namelijk heel veel ‘moetisme’ op burgers af. Héél lang geleden ontmoette ik docent en wiskundige Anneke Hakkenberg van wie de volgende uitspraak me altijd bijgebleven is: “Wat ‘moet’, kan alleen maar gebeuren indien en voor zover aan alle voorwaarden voldaan is”.

  10. Hallo, even dit, over de vrijwilligers in NL: ZIJ ZIJN DE ECHTE HELDEN VAN ONZE MAATSCHAPPIJ!!! Zo dat is gezegd. Verder, tja, vrijwilligerswerk, heb ik zelf ook wel gedaan, en wat je dan merkte was dat het betaald personeel dankzij die vrijwilligers die bv in de spoelkeuken meehielpen, wat vaker en langer een peukjespauze kon nemen, ze konden wat eerder naar huis, prima toch!

  11. Daan je legt de vinger op de zere wonde. Politiek en bestuur willen niet investeren in professionals die een organisatie kunnen dragen en die voor continuïteit zorgen.

    Daarom ook moeten sociologen niet met een ‘wetenschappelijke’ insteek naar pro’s en contra’s komen. Zij moeten duidelijk maken wat werkt en wat niet werkt, waarom wel en waarom niet, wat het kost en vooral ook wat het ‘oplevert’.

    Zonder die insteek was het natuurbeleid nooit geworden wat het nu is.

  12. Er wordt continue gesproken over het ‘ontwikkelen van vrijwilligers’, maar ik vraag me af of dat zo noodzakelijk is. Volgens mij is het overgrote deel van de vrijwilligers een groep mensen die dit ernaast doet: zij werken en/of studeren gewoon (full- of part-time) of hebben (bewust) full-time de zorg voor het gezin of zijn gepensioneerd. Maar ik ken de exacte cijfers hiervan natuurlijk niet, maar als ik kijk naar wie er zorgt voor de oude man in de buurt, en voor de verzorging van oma in het verzorgingstehuis (was doen, wandelen, extra schoonmaken, boodschappen) en de speeltuin zijn dat allemaal mensen die geen behoefte hebben aan ‘extra ontwikkeling’ en een stapje in de richting van arbeidsmarkt. Wel aan ontlasting van een aantal (profesionele) taken. Maar misschien is dat wel mijn omgeving.

  13. Ook ik ben een vrijwilliger. Dit werk doe ik met plezier, maar dit is mijn situatie:
    Ik ben een jonge vrouw van 26 jaar en dit jaar mijn baan verloren in de psychiatrie. Het vrijwilligerswerk wat ik doe is om de reden om idd geen ‘gat’ in mijn CV te creëren. Ook wil ik mijn kennis blijven inzetten om zo (hopelijk) mijn kansen op BETAALD werk te vergroten!

    Tegenwoordig wordt vrijwilligerswerk dus niet alleen maar gedaan door mensen die het geld niet nodig hebben, gepensioneerde, mensen die (veel) vrije tijd overhebben en dit graag benutten door het (gratis) helpen van andere mensen.

    De ontwikkelingen die vandaag de dag plaatsvinden in de zorg en welzijn, het steeds meer een beroep doen op ‘vrijwilligers’ vindt ik een zorgelijke ontwikkeling. Het werk waarvoor mensen gediplomeerd zijn, wat voorheen door betaalde krachten werd gedaan, wordt gedaan door onbetaalde krachten (vaak ook met de juiste diploma’s om het werk betaald te doen).

    De keuze waarom ik (toch) vrijwilligerswerk doe is dat het voor mij persoonlijk de beste optie/mogelijkheid is. Maar, ideaal is anders.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *