Leer de wetenschapper beter communiceren

De druk om de maatschappelijke impact van wetenschappelijk onderzoek te duiden wordt steeds groter. Maar wetenschappers worden nauwelijks opgeleid om hun onderzoek te vertalen naar een breder publiek. Gea Dreschler pleit daarom voor de professionalisering van de academicus als schrijver.

In de afgelopen jaren is de roep luider geworden om de maatschappelijke relevantie van wetenschappelijk onderzoek duidelijk te maken voor een breder publiek, juist nu die wetenschap onder druk ligt. Niet alleen in het maatschappelijke debat klinkt deze roep, maar ook bij subsidieverstrekker NWO en bij het programma Erkennen & Waarderen, een samenwerking tussen universiteiten en onderzoeksinstellingen, is er een centrale rol weggelegd voor de impact en het communiceren daarover met de samenleving.

Cursussen over wetenschapscommunicatie zijn er slechts sporadisch, en op vrijwillige basis

Tegelijkertijd is het maar zeer de vraag in hoeverre wetenschappers worden opgeleid om met een breder publiek te communiceren over hun onderzoek. Vandaar dit pleidooi voor verdere professionalisering op dit vlak, op basis van ons boek Fixing Academia.

Tijdens een promotietraject – in feite de laatste fase van de opleiding van een wetenschapper – volgen promovendi weliswaar vaak schrijfcursussen, maar die richten zich voornamelijk op wetenschappelijke teksten. Cursussen over wetenschapscommunicatie zijn er slechts sporadisch, en op vrijwillige basis. En dat is zonde.

Opleiding en begeleiding schieten tekort

We lijken te denken dat promovendi uit hun master komen met alle vaardigheden om een proefschrift te schrijven. Maar een proefschrift vraagt om heel andere vaardigheden dan een masterscriptie. Promovendi schrijven voor het eerst in hun leven voor publicatie, dus voor een echt publiek van kritische vakgenoten in plaats van een docent. Ze moeten een groot schrijfproject managen, feedback van verschillende begeleiders verwerken, en anticiperen op commentaar van reviewers.

Maar in tegenstelling tot bachelor- en masteropleidingen is er geen duidelijk omschreven curriculum met leerdoelen, leerlijnen en beoordelingsmatrijzen (gestructureerde beoordelingshulpmiddelen, red.). Sterker nog, de vereisten van een proefschrift blijven vaak verontrustend vaag.

Een promotor is niet automatisch een goede schrijfdocent

Bovendien is deelname aan schrijfcursussen zoals gezegd vaak vrijwillig. En extra ondersteuning – coaching, schrijfretraites, schrijfgroepen – is vaak incidenteel. Ik ken veel mooie initiatieven die net zo snel weer zijn wegbezuinigd of verdwenen met die ene collega die vertrok.

Een bijkomend probleem is dat promovendi voor een groot deel afhankelijk zijn van hun promotoren voor begeleiding bij het schrijven en feedback op de tekst. Een promotor is een expert op het vakgebied, maar dat maakt de promotor niet automatisch een goede schrijfdocent of schrijfbegeleider. Dit blijkt ook uit een recent onderzoek van het PNN, waarin veel problemen met de begeleiding worden uitgelicht.

Generatieve AI is geen oplossing

Het is verleidelijk – maar een groot misverstand – om te denken dat AI problemen met gebrekkige schrijfvaardigheid op gaat lossen. Het is waar dat AI-schrijftools, zoals een woordenboek, grammaticacheck en voorbeeldendatabase in één, bepaalde aspecten van schrijven makkelijker maken.

Een AI tekst is een tekst zonder ziel

Maar zeggen dat AI een tekst ‘schrijft’ maakt een karikatuur van wat schrijven is. Een menselijke tekst is het eindproduct van een proces van denken, informatie ordenen, verbanden leggen. De taal en vorm van het eindproduct zijn afgestemd op het publiek waar de schrijver mee wil communiceren. Een AI tekst is alleen een eindproduct zonder het voorafgaande proces. Het is daarmee een tekst zonder ziel, en bovenal een eindproduct dat weinig meer te maken heeft met communicatie tussen een schrijver en lezer.

Bovendien wordt vaak onderschat hoeveel eigen kennis en vaardigheden nodig zijn om AI goed te gebruiken. Ja, het is mogelijk om AI te vragen een tekst op B1 niveau te herschrijven, maar om te beoordelen of de inhoud klopt en of de tekst goed is moet een schrijver het publiek kennen en weten wat een goede tekst is.

Ja, AI kan verbindingswoorden toevoegen, maar alleen de schrijver kan bepalen of ‘in tegenstelling tot’ of ‘met uitzondering van’ het goede verband aangeeft. Waar ervaren wetenschappers eerst zelf hebben geleerd om te schrijven, en AI dus inderdaad een handig hulpmiddel kan zijn, is dit voor de nieuwe generatie wetenschappers veel minder vanzelfsprekend.

Herwaardering van schrijven als vak

Er is een breder onderliggend probleem: het niet serieus nemen van schrijven als vak en als kern van wetenschappelijk werk. Wetenschappers zien schrijven vaak vooral als een middel, met onderzoek als het échte werk. Maar wetenschap bestaat niet zonder communicatie: zonder teksten geen onderzoeksvoorstellen, geen publicaties, geen impact.

Het idee van vakmanschap suggereert dat schrijven een vaardigheid is die geleerd kan worden

In haar boek Write no matter what beschouwt Joli Jensen schrijven wel als kern van het werk. Zij beschrijft de academische schrijver als vakmens. Het idee van vakmanschap suggereert dat schrijven een vaardigheid is die geleerd kan worden. Het suggereert dat er bepaalde instrumenten zijn die de vakmens leert gebruiken. En vooral suggereert het een systeem van een gedegen opleidingstraject, van nieuweling via leerling tot professional. Zo’n benadering plaatst de promovendus in dat opleidingstraject. Schrijven als vak zien helpt wetenschappers niet alleen om betere wetenschappelijke teksten te leren schrijven, maar doet het op zo’n manier dat de vaardigheden verder gaan dan die ene tekstsoort. Wie meer inzicht heeft in het waarom van de conventies, opbouw, en stijl van wetenschappelijke teksten, leert instrumenten die ook in andersoortige teksten ingezet kunnen worden.

Academicus als professionele communicator

Om wetenschappers beter te leren communiceren zijn er structuren nodig die hen hierin opleiden en ondersteunen. Dat betekent allereerst een betere training van de eigen vaardigheden. Schrijfcursussen voor promovendi zouden niet alleen aandacht moeten besteden aan wetenschappelijke teksten, maar ook aan teksten voor een breder publiek, zoals opiniestukken. Door ervaring op te doen met verschillende soorten teksten worden promovendi betere allround schrijvers. Ze leren instrumenten op het gebied van stijl, opbouw en publiek die ze flexibel in kunnen zetten.

Betere procesbegeleiding kan een oplossing bieden voor promotoren die (te) veel promovendi begeleiden

In de tweede plaats betekent het professionele ondersteuning. Dit gaat zowel over tekstkwaliteit, zoals mogelijkheden om redacteuren of vertalers in te schakelen, als over begeleiding van het schrijfproces. Daarbij zou er een toegewijde persoon, bijvoorbeeld een schrijfcoach, binnen een begeleidingsteam moeten zijn, die het schrijfproces kan begeleiden. Betere procesbegeleiding kan een oplossing bieden voor promotoren die (te) veel promovendi begeleiden. Een breder team van begeleiders stelt een promotor in staat om zich op de inhoud te richten, zonder dat de promovendus aan het lot over wordt gelaten.

Professionalisering van de academicus als schrijver leidt tot wetenschappers die beter kunnen communiceren. Niet alleen met andere wetenschappers, maar vooral ook met een breder publiek. Het stelt wetenschappers in staat om de maatschappelijke relevantie van hun onderzoek daadwerkelijk duidelijk te maken aan die maatschappij.

Gea Dreschler is universitair docent Engelse taalkunde en wetenschappelijk directeur van het Academic Language Programme aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

 

Foto: Ron Lach via Pexels.com

Literatuur

Dreschler, G. (2026). Training Academics to Become Better Writers. In D. Kramer & B. van der Kolk (reds.). Fixing Academia: Reflections from a New Generation of Scholars. VU University Press, Amsterdam. (Zie: FIXING ACADEMIA – Reflections from a New Generation of Scholars)

Jensen, J. (2017). Write No Matter What: Advice for Academics. University of Chicago Press.

Reacties 1

  1. Het probleem is geen zendvermogen, maar het ontbreken van een vertaalinterface

    Wanneer wetenschappelijke kennis onvoldoende landt in de maatschappij of politiek, ligt het probleem niet per definitie bij de wetenschapper die zich onvoldoende zou kunnen uitdrukken. We vragen dan mogelijk van één persoon om twee fundamenteel verschillende talen tegelijkertijd te spreken.

    De wetenschap werkt vanuit een systeemwereld waarin methodologische verantwoording, nuance, validiteit, onzekerheidsmarges en abstracte modellen essentieel zijn. De leefwereld van burgers en professionals op de werkvloer kent een andere logica. Daar spelen tijdsdruk, menselijke ervaring, emotie, praktische uitvoerbaarheid en de directe gevolgen van beleid een veel grotere rol.

    Wie vervolgens zegt dat wetenschappers vooral beter moeten leren communiceren, probeert het probleem bij het individu op te lossen. Maar misschien ligt het probleem een laag dieper: er ontbreekt een structurele vertaalinterface tussen kennis en werkelijkheid.

    AI kan structureren, maar niet de menselijke werkelijkheid vertegenwoordigen

    Ook kunstmatige intelligentie kan hierin een rol spelen. AI kan grote hoeveelheden informatie verwerken, verbanden structureren, complexe gegevens inzichtelijk maken en verschillende kennisbronnen met elkaar verbinden. Daarmee kan technologie een krachtig instrument zijn om de analytische vertaalslag te ondersteunen.

    Maar technologie vervangt daarmee nog niet de menselijke interpretatie en verantwoordelijkheid. De vraag wat informatie betekent voor een concrete mens, professional of situatie is niet uitsluitend een technische vraag. Daarvoor zijn context, menselijke waarneming, ervaring en normatieve afweging nodig.

    De wetenschap levert kennis en onderbouwing. Technologie kan helpen die kennis te ordenen en toegankelijk te maken. Maar tussen die kennis en de werkelijkheid waarin zij moet functioneren, blijft een menselijke vertaalslag noodzakelijk.

    De systeemtolk als menselijke interface

    Daar ligt wat mij betreft een interessante rol voor de systeemtolk.

    Niet als vervanging van de wetenschapper, beleidsmaker of professional, maar als interface tussen verschillende systeemlogica’s.

    De systeemtolk probeert de wetenschappelijke kennis zo te vertalen dat de oorspronkelijke nuance behouden blijft, terwijl tegelijkertijd zichtbaar wordt wat die kennis betekent in de dagelijkse werkelijkheid van bijvoorbeeld een burger, docent, hulpverlener of andere professional op de werkvloer.

    Daarbij gaat het niet om het vereenvoudigen van de wetenschap tot een politieke soundbite. Het gaat juist om het behouden van de inhoudelijke kwaliteit en deze verbinden aan de werkelijkheid waarin beleid en kennis uiteindelijk moeten functioneren.

    Dat kan ook helpen om wantrouwen te verminderen. Niet doordat mensen simpelweg moeten worden overtuigd van wetenschappelijke conclusies, maar doordat hun eigen werkelijkheid daadwerkelijk onderdeel wordt van de vertaalslag.

    Daarmee verschuift de vraag van:

    “Hoe leren we wetenschappers beter communiceren?”

    naar:

    “Hoe ontwerpen we een systeem waarin wetenschap, technologie en leefwereld elkaar daadwerkelijk kunnen begrijpen?”

    Dat is volgens mij een wezenlijk andere vraag.

    Want uiteindelijk bepaalt niet alleen de theorie of een oplossing klopt. De werkelijkheid bepaalt of de theorie standhoudt.

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *