Liever zwakke banden dan een sterk netwerk

Iedereen heeft het tegenwoordig over het inschakelen van sociale netwerken. Jos van der Lans stofte een oud artikel uit de sociologie af. En zie: hoe sterker het sociale netwerk, hoe minder je eraan hebt voor bijvoorbeeld een baan. Het zijn juist de kennissen op afstand waar je het van moet hebben.

Het zal niemand zijn ontgaan dat het begrip sociaal netwerk aan een opmars is begonnen in de sociale dienstverlening. Het duikt op in WMO-nota’s, kantelingsoperaties Welzijn Nieuwe Stijl, kortom, het zoemt rond. Meestal wordt het belang benadrukt in relatie met de eigen-kracht-aanpak, waarbij het niet langer professionals zijn die de sleutel in handen hebben om veranderingen te bewerkstelligen in levens van mensen, maar het sociale netwerk. Mensen zijn, zo is de redenering, zo sterk als de kracht van hun netwerk – dat is hun sociale kapitaal. De kunst van de moderne sociale professional is dat hij/zij zich dienstbaar moet maken aan het ontwikkelen van deze eigen kracht van dit netwerk.

Problemen als armoede, isolement, werkloosheid, opvoedingstekorten, schulden zijn in deze redenering niet alleen het gevolg van een persoonlijk falen of tekortschietende competenties, maar voor een niet onbelangrijk deel gevolg van onvoldoende sterke netwerken. En wie mensen vooruit wil helpen (en dat is in alle vormen van sociale dienstverlening toch de bedoeling) kan daarom beter in hun netwerken investeren. Beter een nabij netwerk, zo is de gedachtegang, dan een passerende professional. Dus wordt er gekeken welke mensen zich rondom iemand ophouden en of die zich mogelijk kunnen aaneensluiten tot een gezond en krachtig netwerk. Is er nog een familielid, een goede vriend, een broer of zus, iemand die zich echt om de persoon bekommert en die wat kan betekenen?

Te veel van hetzelfde: aan zo’n netwerk heb je niet veel

Daar lijkt geen speld tussen te krijgen, maar is het zo eenvoudig? Het kan geen kwaad om voor deze vraag de stof eens af te blazen van een inmiddels bijna dertig jaar oud, maar nog steeds kraakhelder artikel van de Amerikaanse socioloog Mark S. Granovetter. Hij publiceerde deze, inmiddels klassieke, tekst in 1973 inhet American Journal of Sociology onder de titel ‘The Strength of Weak Ties’ (de kracht van zwakke verbindingen) en werkte dat in 1974 uit in zijn studie Getting a Job.

Granovetter onderzocht de invloed van netwerken bij het vinden van een baan. Hij ontdekte dat slechts zo’n 20 procent een baan vond via formele kanalen (arbeidsbureaus, vacatures, werving- en selectiebureaus), en het merendeel, een kleine 80 procent, via informele netwerken aan een baan was gekomen. Van die groep werd slechts 17 procent geholpen door een naaste relatie (een ‘sterke verbinding’, iemand die ze minsten één keer per week zagen). Het overgrote deel was vooral geholpen door mensen die ze juist niet zo goed kenden: 55 procent kreeg een baan via een bekende die ze slechts af en toe ontmoetten (een ‘zwakke verbinding’, vaker dan één keer per jaar maar minder dan een keer per maand ), en 28 procent door een relatie die ze zelden ontmoetten, een keer per jaar of minder vaak, zeg maar een verre kennis. Kortom, niet het sterke netwerk hielp mensen verder, maar hun zwakke verbindingen.

Om misverstanden te voorkomen: natuurlijk blijft het sterke sociale netwerk van groot belang voor het persoonlijk-emotionele welbevinden, maar voor het effectief opereren in de samenleving is het nabije netwerk juist van veel minder belang. Hoe sterker de band tussen twee kennissen, zo luidt de wet van Gravonetter, hoe meer hun netwerk samenvalt en hoe minder ze eigenlijk voor elkaar kunnen betekenen. Ze delen vooral dezelfde informatie. Wijzer wordt je vooral van ‘bekenden’ die verder van je afstaan. Granovetter vatte dat destijds samen als: The strenght of weak ties.

Moet je dan wel het nabije sociale netwerk van mensen versterken?

Op basis van deze constatering is de vraag gerechtvaardigd of het wel zo verstandig is om ondersteuning van mensen in kwetsbare posities te richten op het versterken van het nabije sociale netwerk. Het probleem van mensen in kwetsbare situaties is immers helemaal niet dat ze een gebrek hebben aan sterke banden, maar juist een tekort hebben aan zwakke banden. Hun netwerken zijn eigenlijk vooral veel van hetzelfde.

In het verleden werden zulke ‘zwakke’ verbindingen op een bijna natuurlijke wijze georganiseerd in de grote verzuilde netwerken van kerk, parochie, vakbond, school, partij, buurt en sportvereniging. Daarvoor in de plaats zijn hele nieuwe sociale technologieën gekomen die ‘zwakke verbindingen’ organiseren. LinkedIn, Facebook, Twitter en andere sociale media spelen daarin tegenwoordig een steeds crucialere rol.

De gedachte dat deze open source-netwerksamenleving segregatie tegengaat is echter zeer bedrieglijk. In feite voltrekt zich, al zeker in de stedelijke omgevingen, het tegendeel. Meer en meer sluiten groepen zich op in hun eigen circuits. Voor hoger opgeleiden is dat nauwelijks problematisch, maar voor mensen met minder kansen en mogelijkheden wel. En die mensen concentreren zich vooral in achterstandswijken. Een beroep op het eigen netwerk biedt in deze contreien weinig soelaas, wat hier ontbreekt zijn juist voldoende ‘zwakke’ verbindingen, verbindingen die verder reiken (en kijken) dat de eigen kring.

Gemeenten mogen zich de wet van Granovetter aantrekken

De relevante vraag is vervolgens: kunnen we ‘zwakke’ verbindingen stimuleren? Het antwoord is eigenlijk verrassend eenvoudig; het gebeurt al. Alleen zien we het belang ervan onvoldoende, we kijken er niet naar indachtig de wet van Granovetter, maar we zien het als sympathieke bezigheden, leuk vrijwilligerswerk of aardig bedoelde uitingen van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Zo houden we het onbeduidend en marginaal.

Maar ondertussen groeit het aantal mensen dat zich op individuele wijze verbindt met mensen die een steun in de rug kunnen gebruiken. Het wemelt in ons land inmiddels van de coaches, mentoren, maatjes, buddy’s. Er is een enorm reservoir ontstaan van burgers die zich met veel betrokkenheid persoonlijk verbinden met mensen die in de schulden zitten (budgetcoaches, witte-boorden-werknemers, die in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen vrijwilligerswerk doen) of zich als mentoren inlaten met allochtone jongeren die door een VMBO-opleiding worden geloodst of als niet-professional ondersteuning bieden bij een gezin.

We tellen in ons land alles op, maar de kracht van deze inzet laten we niet tot de statistieken toe. Naar schatting gaat het al om meer dan honderdduizend burgers die op deze manier leveranciers zijn van ‘zwakke’ verbindingen. Zij gedragen zich niet als hulpverleners, maar als betrokken kennissen en knopen daardoor werelden aan elkaar die niet meer van nature verbonden worden, en daarmee leveren zij – op een bijna terloopse manier – kunstmest voor de ontwikkeling van sociaal kapitaal. Zij doen iets waar de professionals van de instituties allang niet meer toe in staat zijn: zij wijzen de weg naar andere werkelijkheden en nieuwe mogelijkheden.

Zeker nu gemeenten zich opmaken om met de nieuwe Wet Werken naar Vermogen bijstandsgerechtigden met stevige hand richting arbeidsmarkt of maatschappelijke nuttige activiteiten te bewegen zou het in de stadhuizen geen kwaad kunnen als men daar de wijze les van Granovetter nog eens goed tot zich laat doordringen. Want de consulenten van de Diensten Werk en Inkomen kunnen natuurlijk hun strengste gezicht tonen, hun bijstandstroepen onder toezicht van bonkige beveiligingsmannen streng toespreken, tot trainingen en beroepstesten bewegen en tot actie verplichten (wat nu in meerdere grote steden momenteel al aan de hand is), de kans dat dat tot aansprekende successen zal leiden is gering. Tenzij je het op grote schaal optuigen van een nieuw soort werkverschaffing als zo’n succes wil typeren. Een treurig vooruitzicht.

Granovetter zou het anders doen. Die zou het gesprek openen met het volgende verzoek: zoekt u nu eerst een werkende bekende die niet tot uw directe sociale netwerk behoort en die u wel wil helpen en maak samen een plan. Mocht u zo iemand niet vinden dan bezorgen wij u een mentor.

Daarna praten we verder.

Jos van der Lans is cultuurpsycholoog en publicist. Zie: www,josvdlans.nl

 

Dit artikel is 1964 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Een prikkelend initiatief om Granovetter’s notie van de kracht van zwakke banden toe te passen op sociale ondersteuning. In dit zelfredzaamheidstijdperk lijkt het mij zeer relevant verdiensten van sociale netwerken te onderscheiden, en condities te benoemen waaronder zij kunnen floreren.

    Er is wel een ‘maar’ aan. Granovetter theoretiseert expliciet over de *instrumentele* functies van zwakke sociale relaties, zoals het vinden van een baan. De vraag is of zijn ‘wet’ wel van toepassing is op minder instrumentele en meer affectieve ondersteuning. Zou het niet zo kunnen zijn dat bij bv. Eigen kracht-conferenties een noodzakelijke voorwaarde voor het ‘slagen’ ervan is, dat de bindingen in de eerste plaats sterk/affectief zijn (bv. vrienden, familie)? Juist in crisissituaties lijkt vertrouwen mij een cruciale factor, en daar ontbeert het ‘zwakkere’ bindingen aan. Zwakke banden hebben zeker hun merites. Maar ik geloof niet dat zwakke verbanden voor elke toepassing functioneel zijn. Daar zou over door moeten worden gedacht: wat vergt ‘sterke’ en wat vergt ‘zwakke’ banden?

    Daarnaast denk ik ook aan Sennett’s recente kritiek in Together: Sociaal kapitaal is, net als menselijk en economisch kapitaal, ongelijk verdeeld over mensen en groepen. Terug moeten grijpen op het eigen sociale netwerk is vooral een oplossing als je zo’n (sterk en/of zwak) netwerk hebt. Het risico bestaat, zoals ik bij u tussen de regels door ook lees, dat deze bestaande ongelijkheid wordt vergroot, als wordt verwacht dat mensen zonder vruchtbaar netwerk zichzelf als de Baron von Munchhaussen aan hun eigen haar uit het moeras moeten trekken.

  2. Gravonetter moet zijn Granovetter. Klein spelfoutje 🙂 Verder handig artikel om de thoerie te snappen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *