Marokkaans-Nederlandse geweldpleger is vaak zelf slachtoffer

Marokkaans-Nederlandse geweldsplegers hebben vaak als kind thuis te lijden gehad van fysiek geweld. Meer aandacht bij de overheid voor hun kwetsbaarheid en voor werk en een betere opleiding voor de ouders zouden geweld binnenshuis en later op straat kunnen voorkomen.

Veel Nederlandse gemeenten kampen al jaren met overlast en criminaliteit veroorzaakt door een aantal Marokkaans-Nederlandse jongens van de tweede (en derde) generatie. Dit leidt tot gevoelens van onbegrip, frustratie en onmacht bij zowel burgers als instanties. Deze jongens gedragen zich hinderlijk, maken zich schuldig aan vernielingen, bedreigingen en intimidatie, maar ook aan ernstigere vormen van criminaliteit, zoals vermogensdelicten en gewelddelicten.

Wellicht speelt er een verhoogd geweldprobleem binnenshuis

Wetenschappers beschrijven de oorzaken van deze problematiek vanuit een drietal verklaringen. Structurele verklaringen richten zich op de relatie tussen sociale omstandigheden en jeugdcriminaliteit. Zij suggereren dat de ongunstige economische, politieke en sociale omstandigheden waarmee een bepaalde (herkomst)groep geconfronteerd wordt, kunnen leiden tot verschillen in betrokkenheid bij criminaliteit. Hoewel ongelijke maatschappelijke posities een deel van de oververtegenwoordiging verklaren (in sommige studies zelfs tot vijftig procent), lijken wetenschappers het er over eens te zijn dat verklaringen zoals een achtergestelde sociale positie en een zwakke positie in het onderwijs niet afdoende zijn. De Marokkaanse geëmigreerde gezinnen zijn herenigd en de probleemjongeren van nu zijn van een nieuwe generatie. Bovendien is de onderwijspositie van Marokkaans-Nederlandse jongeren in de loop der tijd verbeterd.

Culturele verklaringen gaan uit van andere opvattingen over de toelaatbaarheid van bepaald gedrag, en van het gegeven dat etnische minderheden tussen twee sterk verschillende culturen leven. Dit zou kunnen leiden tot conflicten en problematisch gedrag, in het bijzonder bij jongeren. Diverse wetenschappers onderzochten de rol van culturele aspecten met wisselende resultaten.

Individuele verklaringen richten zich op individuele oorzaken van etnische verschillen in jeugdcriminaliteit, waarbij gebruikt wordt gemaakt van een specifieke psychologische invalshoek. Onderzoek toont hierbij in het bijzonder het verband tussen een problematische gezinsachtergrond en jeugdcriminaliteit, en in dat verband wordt vaak verondersteld dat er een relatie is tussen geweld buitens- en binnenshuis. Tegen deze achtergrond zou er mogelijk een verhoogd geweldprobleem binnenshuis bij Marokkaans-Nederlandse gezinnen spelen.

Marokkaans-Nederlandse jongens ervaren de emotionele band met ouders als minder warm

Elk perspectief heeft zijn unieke invalshoek met zowel sterke en zwakke punten. Echter, de afzonderlijke verklaringsmodellen zouden niet op zichzelf moeten staan; ze staan immers in wisselwerking met elkaar. Jeugdcriminaliteit is een te complex probleem om enkel vanuit één perspectief te benaderen. Met een nieuw conceptueel model kan niet alleen de relatieve invloed van de afzonderlijke verklaringen onderzocht worden, maar ook de wisselwerking tussen de verschillende perspectieven.

Uit de toetsing van het model komt naar voren dat etniciteit niet afdoende verklaart waarom Marokkaans-Nederlandse jongens meer geweldsdelicten plegen dan Nederlandse jongens. Zowel structurele (lage sociaaleconomische status), als culturele (traditionele masculiniteitnormen) als ook individuele factoren (slechtere band met ouders, hogere prevalentie van kindermishandeling binnen het gezin) dragen bij tot het plegen van geweldsdelicten. Van deze factoren blijken zowel de emotionele band met ouders als de incidentie van victimisering binnen het gezin de meest sterke voorspellers te zijn. Dit geldt voor Nederlandse en Marokkaans-Nederlandse jongens. Echter, Marokkaans-Nederlandse jongens ervaren de emotionele band met hun ouders als minder warm en melden significant meer geweld binnen het gezin. Zo laat deze studie zien dat ruim 60 procent van de Marokkaans-Nederlandse jongens zegt te zijn blootgesteld aan fysiek geweld door een ouder in vergelijking met 21 procent van de Nederlandse jongens; 17 procent maakt melding van blootstelling aan seksueel misbruik door een familielid in vergelijking met 5 procent van de Nederlandse jongens; tevens meldt ruim 45 procent blootgesteld te zijn aan fysiek geweld tussen ouders in vergelijking met 17 procent van de Nederlandse jongens.

Etnisch-culturele achtergrond is een risicofactor voor kindermishandeling

Wat betekent dit nu? Aanvankelijk leek een etnisch-culturele achtergrond  een risicofactor voor jeugdcriminaliteit. Op basis van de resultaten van deze studie lijkt een etnisch-culturele achtergrond  een risicofactor te zijn voor kindermishandeling. Echter, etniciteit of een etnische minderheidsstatus gaat vaak samen met een lage sociaaleconomische positie. Deze lage sociaaleconomische positie verhoogt de kans op kindermishandeling. Gesteld kan worden dat zowel jeugdcriminaliteit als kindermishandeling complexe sociale verschijnselen zijn, en het gevolg zijn van diverse factoren en meerdere processen. Veel wegen kunnen eindigen in een geweldsdaad door een volwassene tegen een kind, en door een kind tegen een volwassene. Aangezien de meeste variabelen in deze studie op elkaar in werken, en een etnische minderheidsstatus in verband kan worden gebracht met die specifieke kenmerken, mogen we concluderen dat etniciteit betekenisvol kan zijn als een extra voorspellende factor van jeugdcriminaliteit en kindermishandeling, zij het indirect.

Overheid moet meer aandacht hebben voor hun kwetsbaarheid

Gegeven het feit dat zowel Nederlandse jongens als ook Marokkaans-Nederlandse jongens geweldsdelicten melden en gegeven het feit dat blootstelling aan kindermishandeling voor beide groepen geassocieerd is met geweldsdelicten, is het belangrijk dat bij beide groepen aandacht wordt besteed aan de preventie van en interventie bij kindermishandeling. Dit geldt in het bijzonder voor Marokkaans-Nederlandse jongens: zij rapporteren significant meer geweld en juist hun kwetsbare positie dreigt vaak over het hoofd gezien te worden. Voor de Marokkaans-Nederlandse gezinnen zou de eerste inzet van preventie- en interventieprogramma’s gericht moeten zijn op het terugdringen van werkloosheid en het verbeteren van het opleidingsniveau van de ouders. Het aanbieden van diagnostiek- en behandelingsmethoden voor traumaverwerking kan helpen de opvoedingssituatie in te schatten en kindermishandeling te voorkomen of te stoppen. Dit is een taak die nog niet genoeg wordt uitgeoefend door de Nederlandse overheid.

Bovendien moet er in de Nederlandse samenleving bedachtzaam omgegaan worden met een eenzijdige, bestraffende aanpak. Doordat we niet alleen te maken hebben met ‘criminele’ jongens, maar ook met een groep mogelijk gevictimiseerde jongens, zou er meer aandacht moeten komen voor mogelijk beperkte verwijtbaarheid van delictgedrag.

Esmah Lahlah werkt bij INTERVICT. Zij promoveerde onlangs met het proefschrift ‘Invisible Victims? Ethnic differences in the risk of juvenile violent delinquency of Dutch and Moroccan-Dutch adolescent boys’, Universiteit Tilburg, 2013.

Dit artikel is 615 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Ik heb haar dissertatie nog niet helemaal gelezen. Ze zegt zelf: Jeugdcriminaliteit is een te complex probleem om enkel vanuit één perspectief te benaderen. Dat doet ze echter wel. Ze negeert namelijk de biologische kant als mogelijke oorzaak van het probleem. Ik kan er twee bedenken: een lage MAO-A spiegel en zwakbegaafdheid. Uit Wikepedia: MAO-A preferentially deaminates norepinephrine (noradrenaline), epinephrine (adrenaline), serotonin, and dopamine. Het MAO-A is dus een enzyme dat neurotransmitters afbreekt.
    Te weinig MAO-A kan kindermisbruik en anti-sociaal en gewelddadig gedrag veroorzaken vooral als de kinderen ernstig waren mishandeld. Omdat het een genetische oorzaak heeft, is het erfelijk. Zie hiervoor ook Adrian Raine: het gewelddadige brein. Het is een Nederlandse wetenschapper, Han Brunner, die het effect van MAO-A heeft ontdekt. Ten tweede: Het gemiddelde IQ van de Marokkaanse gevangenispopulatie in Amsterdam is 80. Ook zwakbegaafdheid kan gewelddadig en crimineel gedrag veroorzaken. Omdat beide biologische effecten zo voor de hand liggen, maar voor zo ver ik heb gezien in de litteratuur gebruikt voor de dissertatie niet voorkwamen, vind ik dit onacceptabel voor een proefschrift. Als je gewelddadig crimineel gedrag en kindermishandeling hoort, moet je een genetisch defect wat beiden verbindt uitsluiten. Gegeven de afkomst van de promovenda zal ze toch bekend moeten zijn met het frequent voorkomen van zwakbegaafdheid in de populatie.
    En dan schrijft ze ´ Voor de Marokkaans-Nederlandse gezinnen zou de eerste inzet van preventie- en interventieprogramma’s gericht moeten zijn op het terugdringen van werkloosheid en het verbeteren van het opleidingsniveau van de ouders´. Als er sprake is van zwakbegaafdheid gaat het niet lukken om de ouders beter op te leiden. Bovendien hoe wil je de werkloosheid terugdringen bij een groep die zo´n slecht imago heeft. Ik denk dat er eerst een onderzoek moet komen naar de genetische situatie binnen de Marokkaanse gemeenschap. En die gemeenschap zal zelf aan haar imago moeten werken.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *